ECLI:NL:RBZWB:2026:372

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/02/443497 / JE RK 25-2319
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarigen wegens bedreigde ontwikkeling door ouderlijke strijd

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 8 januari 2026 een beschikking gegeven over een ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2012 en 2015, op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De minderjarigen wonen bij hun moeder en worden gezamenlijk belast met ouderlijk gezag. Er is sprake van een langdurige (echtscheidings)strijd tussen de ouders, waarbij het contact tussen de vader en de kinderen sterk verminderd is.

De Raad heeft onderbouwd dat de kinderen ernstig in hun sociaal-emotionele ontwikkeling worden bedreigd door de spanningen tussen de ouders, loyaliteitsproblemen en kindeigen problematiek zoals ADHD. Ondanks vrijwillige hulpverlening zijn de problemen niet afgenomen, mede door uiteenlopende visies van de ouders en wantrouwen van de vader richting hulpverlening. Daarom is gedwongen hulpverlening noodzakelijk.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling is voldaan en wijst het verzoek toe voor de duur van een jaar, met ingang van 8 januari 2026. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter benadrukt het belang van samenwerking tussen ouders en de gecertificeerde instelling om de hulpverlening effectief te maken en de ontwikkeling van de kinderen te verbeteren.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen onder toezicht van de gecertificeerde instelling voor de duur van een jaar wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443497 / JE RK 25-2319
Datum uitspraak: 8 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Verlijsdonk-Gerards uit Eindhoven,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 december 2025;
  • het op 6 januari 2026 ontvangen e-mailbericht van de vader, met bijlage.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025. Het verzoek in deze zaak is gelijktijdig ter zitting behandeld met de verzoeken van de moeder tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, tot benoeming bijzondere curator en tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor het inzetten van hulpverlening (in de zaak bij de rechtbank met het zaaknummer C/02/440356 / FA RK 25-5045). In die zaak zal de rechtbank afzonderlijk beslissen.
1.3.
Bij voormelde zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Verlijsdonk-Gerards;
  • de vader;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad;
  • een vertegenwoordigster namens de GI (via een digitale tweezijdige beeld- en geluidsverbinding via MS Teams).
1.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben, gezien hun leeftijd, het recht om hun mening in deze zaak te geven. Omdat de kinderrechter hen medio december 2025 al heeft gesproken met het oog op de aanstaande zitting in een tussen de ouders aanhangige zaak over voorlopige voorzieningen en de onderwerpen in die zaak het onderwerp in deze zaak raken, heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , vanwege de extra belasting dat dit voor hen met zich mee zou brengen, niet nogmaals uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

3.Het verzoek van de Raad en de onderbouwing daarvan

3.1.
De Raad verzoekt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft ter onderbouwing van zijn verzoek, samengevat, onder andere het volgende aangegeven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden belast vanwege de (echtscheidings)strijd tussen de ouders. De ouders hebben uiteenlopende visies over wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben en er zijn zorgen over het contact tussen hen en de vader. Tussen [minderjarige 1] en de vader is er namelijk al ruim een jaar geen sprake van contact en het contact tussen [minderjarige 2] en de vader is in het afgelopen jaar sterk verminderd in frequentie. De ontstane situatie leidt bij [minderjarige 1] tot gevoelens van onrust, spanningen, boosheid en verdriet. Er zijn zorgen over zijn emotionele welbevinden en belastbaarheid. [minderjarige 1] toont bovendien in toenemende mate probleemgedrag en internaliserende klachten. [minderjarige 2] kampt daarentegen met onzekerheid en hij loopt vast op school. De Raad maakt zich zorgen over (dreigende) loyaliteitsproblemen bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook kampen zij met kindeigen problematiek, zoals een sterk disharmonisch intelligentieprofiel en ADHD. Gelet hierop worden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , naar de mening van de Raad, ernstig in hun ontwikkeling bedreigd.
3.3.
Ondanks dat er op vrijwillige basis professionele hulpverlening is ingezet, is dit tot nu toe niet toereikend geweest voor het wegnemen dan wel het voorkomen van (het verergeren van) bovengenoemde zorgen en problemen. Vanwege de uiteenlopende visies van de ouders over wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben en doordat de vader wantrouwend is richting de hulpverlening, zag de moeder zich al meermaals genoodzaakt om de rechtbank te verzoeken om haar vervangende toestemming te verlenen voor het inzetten van bepaalde hulpverlening en behandeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad maakt zich dan ook zorgen of de vader voldoende in staat is om aan te sluiten bij de zorg- en opvoedbehoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Gelet hierop is de Raad van mening dat gedwongen hulpverlening in het kader van een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] thans noodzakelijk is.
3.4.
De Raad vindt het van belang dat de GI, als uitvoerder van de ondertoezichtstelling, de regie zal voeren over de noodzakelijk geachte hulpverlening. De Raad is ermee bekend dat er een jeugdbeschermingstafel (JBT) zou worden georganiseerd en dat er een verzoek tot onderzoek (VTO) zou worden ingediend. Gezien de ernst van de ontstane zorgen heeft de Raad dit bewust niet afgewacht alvorens een verzoek in te dienen. Dit maakt wel dat het van belang is dat er een warme overdracht zal plaatsvinden tussen de huidige regievoering vanuit de gemeente en de reeds betrokken hulpverlening naar de GI. De Raad vindt het daarnaast van belang dat de resultaten van het onderzoek vanuit Kind in Zicht dat ten aanzien van [minderjarige 2] is verricht, met de GI worden gedeeld.
3.5.
De Raad heeft tot slot een aantal doelen geformuleerd waar in het kader van de ondertoezichtstelling aan zou moeten worden gewerkt. Namens de moeder is ter zitting een aanvullend doel geformuleerd. Deze formulering betreft naar de mening van de Raad echter geen doel maar een middel om de door de Raad reeds geformuleerde doelen te bereiken. De Raad is daarom van mening dat het namens de moeder geformuleerde doel moet worden aangepast.

4.De standpunten

4.1.
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter wat betreft de beslissing op het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. De moeder vindt het jammer dat het zo ver is gekomen. Namens de moeder is ter zitting een aanvullend doel geformuleerd waaraan in het kader van de ondertoezichtstelling zou moeten worden gewerkt, namelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de medische, psychologische en orthopedagogische behandeling en/of hulp krijgen die volgens de betrokken (jeugd)professionals nodig is. De moeder vindt het namelijk belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de hulp krijgen die zij nodig hebben.
4.2.
De vader heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De vader stemt in met het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. De vader vindt het belangrijk dat hij als vader betrokken wordt en blijft in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en dus ook bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling en bij de inzet van de hulpverlening.
4.3.
De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De GI stelt voorop dat het van belang is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (en de ouders) de hulp krijgen die zij nodig hebben. De GI sluit aan bij wat de Raad heeft aangegeven over het namens de moeder geformuleerde aanvullende doel. Als de namens de moeder voorgestelde vormen van hulp en behandeling noodzakelijk blijken te zijn voor het wegnemen dan wel het voorkomen van (verergering van) de zorgen over hen, dan zal de GI daarop inzetten. De GI heeft wel te maken met een wachtlijst voordat er een vaste jeugdbeschermer kan worden aangesteld die de maatregel zal uitvoeren. In de komende week zal een jeugdbeschermer contact opnemen met beide ouders voor een kennismaking en om te bezien wat er nu nodig is. Na verloop van tijd zal de uitvoering van de maatregel worden opgepakt door een tijdelijke jeugdbeschermer vanuit het Provinciaal Instroomteam (PIT).

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, blijkt dat er sprake is van een (echtscheidings)strijd tussen de ouders en dat zij verschillende visies hebben over wat hun kinderen nodig hebben. Daarnaast is er al ruim een jaar geen sprake van contact tussen de vader en [minderjarige 1] . Het contact tussen de vader en [minderjarige 2] is in het afgelopen jaar fors verminderd in frequentie. Als gevolg van de ontstane situatie worden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ieder op hun eigen manier belast. Daarnaast kampen zij met kindeigen problematiek en bestaan er zorgen dat zij kampen met (dreigende) loyaliteitsproblemen. In verband hiermee is de kinderrechter, net als de Raad, van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun (sociaal-emotionele) ontwikkeling worden bedreigd.
5.3.
Het is de kinderrechter gebleken dat de hulpverlening die tot nu toe op vrijwillige basis is ingezet, ontoereikend is gebleken voor het wegnemen dan wel het voorkomen van (verergering van) bovengenoemde zorgen. Daarbij komt dat de ouders, vanwege hun verschillende visies op wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben, onvoldoende tot overeenstemming komen over welke (vormen van) hulpverlening nodig is, terwijl zij gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook zijn er zorgen of de vader voldoende kan aansluiten bij wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben. Gelet hierop is de kinderrechter, net als de Raad, van oordeel dat gedwongen hulpverlening voor en in de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is. De kinderrechter gaat er bovendien van uit, nu regievoering en inzet van hulpverlening in een gedwongen kader nog niet is geprobeerd, dat de ouders binnen een voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvaardbaar te achten termijn in staat zullen zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer volledig zelf te dragen.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter zal het verzoek, dat niet is weersproken, daarom toewijzen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen van de GI voor de (verzochte) duur van een jaar, met ingang van 8 januari 2026 tot 8 januari 2027. De kinderrechter complimenteert beide ouders, hoewel zij het natuurlijk liever anders hadden gezien, dat zij daarmee kunnen instemmen. Daarmee handelen zij in het belang van hun kinderen en stellen zij hun eigen gevoelens hierover ondergeschikt daaraan. De kinderrechter gaat er dan ook van uit dat zij, samen met de GI, in de komende periode zullen werken aan het beter maken van de levens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.5.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dit betekent dat de maatregel per direct van kracht is en dient te worden uitgevoerd door de GI, ook als hiertegen een hoger beroep wordt ingesteld.
5.6.
Als leidraad om in het kader van de ondertoezichtstelling aan te werken, kunnen onder meer de navolgende in het raadsrapport opgesomde doelen worden genomen:
  • De kinderen worden niet belast met de strijd tussen de ouders of met volwasseninformatie;
  • De kinderen kunnen hun gevoelens en emoties uiten en verwerken op een passende plek, zoals bij een kindbehartiger;
  • De kinderen hebben een onbelast en prettig contact met hun beide ouders;
  • De ouders ondersteunen en stimuleren het contact van de kinderen met de andere ouder;
  • De ouders kunnen constructief overleggen en beslissen over het welzijn van hun kinderen;
  • De vader sluit aan bij de belevingswereld en (opvoedings)behoeften van de kinderen.
5.7.
De kinderrechter geeft daarbij aan de GI mee, zoals namens de moeder naar voren is gebracht, om met het oog op het behalen van voormelde doelen te onderzoeken of het inzetten van medische, psychologische en orthopedagogische behandeling en/of hulp nodig is en, als dit volgens de betrokken (jeugd)professionals nodig is, daarop in te zetten.
5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg met ingang van 8 januari 2026 tot 8 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 20 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.