ECLI:NL:RBZWB:2026:369

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/02/436523 / FA RK 25-3031
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BWArt. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging gezamenlijk ouderlijk gezag en vaststelling zorg- en contactregeling

De man verzocht de rechtbank om gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige te verkrijgen, het hoofdverblijf bij de vrouw vast te stellen en een zorg- en contactregeling te bepalen. De vrouw verzette zich tegen het verzoek tot wijziging van het gezag en verzocht om vaststelling van kinderalimentatie. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde gezamenlijk gezag toe te wijzen en de zorg- en contactregeling vast te stellen.

De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen, tenzij er contra-indicaties zijn die het belang van het kind schaden. Hoewel de communicatie tussen partijen verbetering behoeft, is er geen reden om het gezamenlijk gezag te weigeren. Partijen zijn in staat om met elkaar te communiceren en tot gezamenlijke oplossingen te komen.

De rechtbank stelde het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vrouw vast en bevestigde de zorg- en contactregeling waarbij de man het kind om de veertien dagen in het weekend ontvangt en incidenteel doordeweeks. De man mag iemand anders, zoals zijn moeder, inschakelen voor het halen en brengen indien hij dit zelf niet kan doen. Tevens werd de kinderalimentatie vastgesteld conform het verzoek van de vrouw. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk ouderlijk gezag toegewezen, hoofdverblijf bij moeder vastgesteld, zorg- en contactregeling en kinderalimentatie vastgesteld.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/436523 / FA RK 25-3031
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Beschikking over wijziging ouderlijk gezag en vaststelling zorg- en contactregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 1] , België,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A.J.W. Vugs te Tilburg,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het op 12 juni 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
  • het op 5 december 2025 ontvangen verweerschrift, met daarin een zelfstandig verzoek, met bijlagen.
1.2.
Op 18 december 2025 heeft de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is tijdens deze relatie geboren.
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
[minderjarige] woont bij de vrouw.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
  • te bepalen dat partijen voortaan met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] zijn belast;
  • te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft;
  • in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] te bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar (primair):
o één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zondagavond 18.00 uur;
o de helft van de vakanties en feestdagen, jaarlijks in januari te verdelen in goed onderling overleg;
o de ouder bij wie de minderjarige op dat moment verblijft, brengt haar naar de andere ouder;
o de grootmoeder vaderszijde mag het halen en brengen ook verzorgen;
o het contact zal plaatsvinden in [woonplaats 1] , België;
- althans (subsidiair) een zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] door de rechtbank in goede justitie te bepalen.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen voormeld verzoek van de man tot wijziging ouderlijk gezag en verzoekt om dit verzoek af te wijzen.
3.3.
Daarnaast verzoekt de vrouw, bij wijze van zelfstandig verzoek, om met ingang van 1 november 2025 een regeling vast te stellen over het door de man aan de vrouw maandelijks te betalen bedrag aan kinderalimentatie ter hoogte van € 136,00 per maand in 2025 en € 142,25 vanaf januari 2026, steeds bij vooruitbetaling te voldoen, althans een bedrag te bepalen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

4.De standpunten

4.1.
Namens en door de man is, samengevat, onder andere het volgende aangevoerd. De man verzoekt om hem, samen met de vrouw, te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De man wijst in dat verband op het uitgangspunt van de wetgever dat ouders, na het verbreken van hun relatie, gezamenlijk het gezag over hun kind(eren) blijven uitoefenen. Daarnaast betwist de man dat er sprake is van één of meerdere contra-indicaties voor gezamenlijk gezag. Hoewel partijen af en toe een verschil van mening hebben, blijven zij met elkaar in gesprek en komen zij er uiteindelijk wel samen uit. Als partijen gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , dan verzoekt de man, in overeenstemming met de huidige feitelijke situatie, om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen. De man verzoekt daarnaast om de zorg- en contactregeling waar partijen momenteel uitvoering aan geven vast te stellen. Op basis van die regeling verblijft [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man. Daarnaast verblijft [minderjarige] soms op doordeweekse dagen bij de man als de vrouw moet werken. Omdat partijen de vakanties en feestdagen in goed onderling overleg verdelen, hoeft hierover niets te worden vastgelegd. Aangezien de man in ploegendiensten en met wisselende roosters werkt, wordt [minderjarige] soms gehaald en gebracht door zijn moeder. De man vindt dat niet van hem kan worden verwacht dat hij [minderjarige] altijd zelf haalt en brengt. De man stemt in met het zelfstandige verzoek van de vrouw tot vaststelling van de regeling over het door hem aan de vrouw te betalen bedrag aan kinderalimentatie voor [minderjarige] . Hoewel partijen inmiddels zijn aangemeld voor het doorlopen van een traject bij De GezinsManager gericht het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking tussen partijen, vindt de man het niet nodig om dit traject voort te zetten in het kader van het uniform hulpaanbod (UHA).
4.2.
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder andere het volgende aangevoerd. Doordat partijen momenteel via WhatsApp met elkaar communiceren en zij elkaar laten (uit)praten, is de communicatie en samenwerking tussen partijen in de afgelopen periode verbeterd. De vrouw vindt het op dit moment echter nog te vroeg voor gezamenlijk ouderlijk gezag. Dit omdat er nog geen sprake is van gelijkwaardigheid tussen partijen. Als de man iets wil, dan verlangt hij van de vrouw dat zij daaraan meewerkt. Tegelijkertijd geeft de man niet thuis als de vrouw hem om hulp vraagt bij zaken die [minderjarige] aangaan. Daarnaast hebben partijen in het verleden verschillende meningen gehad over de aanmelding van [minderjarige] bij de peuterspeelzaal en bij de keuze van een basisschool. Als partijen nu met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] worden belast, dan bestaat volgens de vrouw het risico dat [minderjarige] klem en verloren raakt tussen haar ouders. Partijen zijn inmiddels aangemeld voor een ouderschapsbemiddelingstraject bij De GezinsManager. De vrouw heeft voorgesteld om dit traject voort te zetten in het kader van het UHA. De vrouw vindt dat partijen dit traject eerst succesvol moeten doorlopen en dat zij duidelijke afspraken maken in een door hen beiden gedragen ouderschapsplan. Pas dan kan worden bezien of gezamenlijk ouderlijk gezag mogelijk is. De vrouw stemt in met het vastleggen van de omgangsregeling waar partijen momenteel uitvoering aan geven. Wel vindt de vrouw dat de man [minderjarige] zelf moet halen en brengen in plaats van dat hij zijn moeder hiervoor inschakelt. De vrouw stemt er ook mee in om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen.
4.3.
De Raad heeft, samengevat, onder andere het volgende aangegeven. De Raad adviseert, met het oog op het uitgangspunt van de wetgever, om de man mede te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De Raad ziet geen contra-indicaties voor gezamenlijk ouderlijk gezag. Dat de onderlinge communicatie en samenwerking tussen partijen verbetering behoeft, is in beginsel geen reden om het gezamenlijk ouderlijk gezag te weigeren. Daarbij is het niet gek dat deze ouders, voor wie [minderjarige] hun eerste kindje is, samen een weg hebben moeten vinden in het uitoefenen van het ouderschap en dat niet alles meteen goed is gegaan. Daarbij komt nog dat partijen, als [minderjarige] drie weken later zou zijn geboren, van rechtswege gezamenlijk met het ouderlijk gezag zouden zijn belast. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om de beslissing over het gezag aan te houden in afwachting van het ouderschapsbemiddelingstraject dat partijen zullen gaan doorlopen bij De GezinsManager. De Raad vindt het wel belangrijk dat partijen dit traject zullen voortzetten, waarbij zij zullen proberen om een door hen beiden gedragen ouderschapsplan overeen te komen. De Raad adviseert daarnaast om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen en de zorg- en contactregeling waar partijen momenteel uitvoering aan geven, vast te stellen. Over het halen en brengen van [minderjarige] heeft de Raad aangegeven dat dit primair de verantwoordelijkheid van de man is en niet van zijn moeder, tenzij hij dat zelf niet kan doen, bijvoorbeeld als hij moet werken. Voor [minderjarige] is het ook goed als de ouders samen de overdracht doen. Zo ervaart zij namelijk dat haar moeder het goed vindt dat zij naar haar vader toe gaat en andersom, en dat haar ouders met elkaar samenwerken en dat zij met elkaar in contact zijn over haar.

5.De beoordeling

5.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
Wijziging eenhoofdig ouderlijk gezag naar gezamenlijk ouderlijk gezag
5.2.
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek slechts kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn of haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt van de wetgever heeft te gelden dat ouders, na het verbreken van hun relatie, gezamenlijk het gezag over hun (kind)eren (blijven) uitoefenen, tenzij sprake is van een of meerdere in voormeld artikel genoemde contra-indicaties. Hoewel gebleken is dat de communicatie en de samenwerking tussen partijen verbetering behoeft, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om te veronderstellen dat [minderjarige] klem en verloren raakt of dreigt te raken wanneer partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over haar worden belast. Dat partijen het in het verleden niet altijd eens zijn geweest over belangrijke (gezags)zaken die [minderjarige] aangaan, zoals over het inschrijven bij de peuterspeelzaal of bij de keuze van de basisschool, maakt dit niet anders. Het is namelijk niet zo dat ouders die gezamenlijk het gezag over hun kind(eren) uitoefenen het altijd direct met elkaar eens moeten zijn of dat de man overal direct zijn toestemming voor moet geven als de vrouw daarom vraagt of omgekeerd. Het gaat erom dat partijen in staat zijn om met elkaar in gesprek te gaan over zaken die hen verdeeld houden, dat zij openstaan voor elkaars standpunten en ideeën, met als gevolg dat zij uiteindelijk tot een gezamenlijk gedragen oplossing (kunnen) komen. Gebleken is dat partijen daartoe in staat zijn, zoals met betrekking tot de aanmelding bij de peuterspeelzaal, de keuze van de basisschool, de vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] , de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] en het door de man aan de vrouw periodiek te betalen bedrag aan kinderalimentatie voor [minderjarige] . De rechtbank zal het verzoek van de man daarom toewijzen en partijen gezamenlijk belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Vaststelling hoofdverblijf en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
5.4.
In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten:
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
In artikel 1:253a lid 5 BW staat dat de rechter, voordat zij een beslissing neemt, eerst moet bekijken of de ouders afspraken kunnen maken met elkaar om het ontstane geschil tussen hen weg te nemen.
5.5.
De man heeft verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen en om in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen de huidige zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] waar partijen momenteel feitelijk uitvoering aan geven, vast te stellen. Op basis van die regeling verblijft [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man. De (school)vakanties en de feestdagen worden in onderling overleg tussen partijen verdeeld. Daarnaast verblijft [minderjarige] incidenteel op doordeweekse dagen bij de man als de vrouw moet werken. Partijen hebben hier ook informeel overleg over. Partijen hebben afgesproken dat de man [minderjarige] in het kader van voormelde regeling in beginsel zelf zal halen en brengen, tenzij hij dit niet zelf kan doen, bijvoorbeeld omdat hij moet werken. In dat geval kan hij iemand anders inschakelen om [minderjarige] te halen en/of te brengen, onder wie zijn moeder. De vrouw stemt hiermee in. Gelet op voormelde overeenstemming tussen partijen, zal de rechtbank de verzoeken van de man dienovereenkomstig toewijzen. De rechtbank zal dan ook het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw bepalen en de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] op onderstaande wijze vaststellen.
5.6.
De rechtbank overweegt ten overvloede het volgende. De rechtbank is het met de Raad eens dat het primair de verantwoordelijkheid van de vader zelf is om [minderjarige] te halen en te brengen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen. Daar tegenover staat dat de verantwoordelijkheid voor het halen en het brengen momenteel volledig bij de man ligt en dat de vrouw hierin geen eigen aandeel heeft. De rechtbank vindt, nu de verantwoordelijkheid voor het halen en brengen van [minderjarige] volledig bij de man is gelegen, dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij toestaat dat de man hier ook andere mensen voor inschakelt, zoals zijn moeder. Als de vrouw er onoverkomelijke bezwaren tegen heeft dat de moeder van de man een aandeel heeft in het halen en brengen van [minderjarige] , dan vindt de rechtbank dat zij zelf een alternatief dient aan te dragen waar de man mee kan instemmen.
Vaststelling kinderalimentatie
5.7.
De vrouw heeft bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht om een regeling betreffende kinderalimentatie te bepalen. De man heeft hiermee ingestemd. Gelet op deze overeenstemming zal de rechtbank het zelfstandige verzoek van de vrouw dienovereenkomstig op onderstaande wijze toewijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De rechtbank zal, gelet op de aard daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals over en weer is verzocht door partijen. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
bepaalt dat partijen vanaf heden gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ;
6.2.
stelt vast dat het hoofdverblijf van [minderjarige] vanaf heden bij de vrouw is gelegen;
6.3.
stelt vast, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] , dat de man en [minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur het recht hebben op contact met elkaar, evenals tijdens een gedeelte van de (school)vakanties en de feestdagen en incidenteel op doordeweekse dagen door partijen in onderling overleg te verdelen, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.5. en 5.6. is overwogen;
6.4.
stelt vast dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 november 2025 tot 1 januari 2026 € 136,00 per maand bedraagt en dat deze bijdrage per 1 januari 2026 € 142,25 per maand bedraagt, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 door mr. Van Gessel, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.