ECLI:NL:RBZWB:2026:3688

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
C/02/445723 / JE RK 26-375
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarigen in pleeggezin

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen te verlengen. De minderjarigen verblijven in een pleeggezin, waarbij één kind een gezinshuisindicatie heeft vanwege intensievere zorgbehoefte. De ouders zijn het niet eens met de verlenging, maar erkennen dat de kinderen in het pleeggezin moeten opgroeien. De kinderrechter heeft tijdens de zitting met gesloten deuren gesproken met een van de minderjarigen en heeft vastgesteld dat de GI niet fysiek aanwezig was, maar wel telefonisch deelnam.

De kinderrechter constateert dat de GI niet alle bijlagen bij het verzoekschrift heeft verstrekt, waardoor een zorgvuldige beslissing op dit moment niet mogelijk is. Gezien de noodzaak om de continuïteit van de zorg te waarborgen en de afloopdatum van de huidige maatregelen, wordt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor een korte periode van een maand verlengd. De moeder kan vanwege een aanstaande operatie via een online verbinding deelnemen aan de volgende zitting. De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad om directe uitvoering te waarborgen.

De kinderrechter wijst erop dat de machtiging voor het kind met hogere zorgbehoefte wordt verlengd in de vorm van een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis). De zitting voor verdere behandeling van het verzoek wordt gepland zodra de ontbrekende stukken zijn aangeleverd. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden voor een maand verlengd met een vervolgzitting gepland voor nadere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445723 / JE RK 26-375
Datum uitspraak: 2 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Eindhoven,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
gezamenlijk te noemen: de ouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de pleegvader],
hierna te noemen: de pleegvader,
en
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder,
gezamenlijk te noemen: de pleegouders,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder;
  • de pleegvader;
- een vertegenwoordigster van de GI (via een telefonische verbinding).
1.3.
De pleegmoeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist is opgeroepen. De kinderrechter stelt ook vast dat de GI juist is opgeroepen. Deze oproep heeft de GI echter niet bereikt en om die reden was de GI niet fysiek aanwezig bij de zitting. De GI is alsnog, via een telefonische verbinding, aangesloten bij de zitting.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 18 oktober 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht
gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is vervolgens steeds verlengd, voor het laatst tot 14 april 2026. Bij beschikking van 18 oktober 2024 is ook een machtiging verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing is voor het laatst verlengd tot 14 april 2026.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van de laatstgenoemde beschikking in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige 1] heeft in zijn gesprek met de kinderrechter verteld dat hij op school het vak technieken het leukst vindt. Hij geeft zijn leven een cijfer 7. Als school leuker zou zijn dan zou dat een beter cijfer zijn. [minderjarige 1] vindt het gezinshuis/pleeggezin fijn en wil daar graag blijven wonen.
4.2.
De GI vindt een verlenging van de maatregelen noodzakelijk. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een stabiele en veilige plek gevonden bij hun pleegouders, waar zij zich goed ontwikkelen en de juiste ondersteuning krijgen. De ouders zijn vanwege hun gezondheid beperkt in hun mogelijkheden en zijn niet in staat de kinderen te bieden wat zij nodig hebben. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet bereikt en de kinderen worden nog steeds in hun ontwikkeling bedreigd
4.3.
De ouders zijn het niet eens met de verzochte verlenging van de maatregelen. Dat betekent echter niet dat de ouders niet achter de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders staan. De ouders zijn verbolgen over het feit dat zij niet zijn gehoord over de omzetting van de pleegzorgindicatie van [minderjarige 1] naar een gezinshuisindicatie. Ouders geven aan dat
zij niet meer met de pleegouders door één deur kunnen. Doordat de slechte verstandhouding met de pleegouders veel schade bij met name de moeder heeft opgeleverd, is het niet mogelijk om via mediation of een andere vorm van herstelgesprekken de relatie tussen de ouders en de pleegouders te herstellen. Het doet de ouders veel pijn dat zij de kinderen al hele lange tijd niet meer gezien hebben. Zij maken zich zorgen over de kinderen. Ook het feit dat [minderjarige 1] zijn leven nu een cijfer 7 geeft terwijl dat een half jaar geleden nog een 7,5 was, vinden de ouders moeilijk.
De ouders zouden graag zien dat de wensen van de kinderen met betrekking tot het contact met de oudersserieus genomen worden. [minderjarige 2] heeft namelijk aangegeven zijn ouders te willen zien en dat wordt genegeerd. Het zou goed zijn als de ouders weer met hem kunnen afspreken. De kans bestaat dat ook [minderjarige 1] dan nieuwsgierig wordt naar de ouders en contact met hen wil gaan hebben. De ouders geven aan dat zij de kinderen niet zullen belasten met wat er tussen hen en de pleegouders speelt en willen dat het tempo van de kinderen gevolgd wordt in de contacten.
De moeder moet binnenkort een ingrijpende operatie ondergaan. Zij zou graag van tevoren nog contact met [minderjarige 2] hebben. De pleegouders weten dat de ouders goed met de kinderen omgaan. Zij hebben vaker pleegkinderen van de pleegouders meegenomen om iets met ze te ondernemen. De pleegvader geeft aan dat het goed met de kinderen gaat. Het zijn normale jongens en zij groeien op een normale manier op. [minderjarige 1] is bezig met therapie bij [hulpverlening] en dat bevalt prima. Hij komt los. [minderjarige 2] is, zoals de moeder ook zegt, een kleine doerak. School gaat goed. Er wordt elke avond met de kinderen gelezen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
In het petitum van het verzoekschrift staat vermeld dat de GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing
in een pleeggezinvan beide kinderen te verlengen. In het verzoekschrift staat ook vermeld dat begin 2025 is gebleken dat [minderjarige 1] intensievere hulp en ondersteuning nodig heeft dan hem binnen een pleegzorgindicatie geboden kan worden. Om die reden is zijn pleegzorgindicatie omgezet naar een gezinshuisindicatie. De pleegouders zijn tevens gezinshuisouders en [minderjarige 1] is dus in dezelfde woning blijven wonen, met [minderjarige 2] en met dezelfde pleegouders, tevens gezinshuisouders. Deze plaatsing vraagt echter wel een andere machtiging, namelijk een machtiging tot plaatsing in een gezinsgerichte voorziening. De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat, zoals ook in het verzoekschrift is uitgelegd, beoogd is een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken in het gezinshuis (ook wel gezinsgerichte voorziening genoemd). De kinderrechter zal dan ook voor wat betreft [minderjarige 1] op dat verzoek beslissen.
5.6.
De kinderrechter stelt vast dat er niet is gebleken van bezwaren tegen de plaatsing van de kinderen bij de pleegouders/ gezinshuisouders. Ook de ouders vinden dat de kinderen daar moeten opgroeien. De kinderrechter is van echter oordeel dat de verzoeken van de GI op dit moment slechts voor een korte duur kunnen worden toegewezen.
Op de zitting is het de kinderrechter namelijk gebleken dat de door de GI nog toe te sturen bijlagen behorende bij het verzoekschrift niet alleen niet door de kinderrechter, maar ook door de ouders en pleegouders niet ontvangen zijn. De kinderrechter is, nu zij alleen kennis heeft kunnen nemen van het verzoekschrift, maar niet van de bijlagen waarnaar in het verzoekschrift wordt verwezen, niet in staat om op een voldoende zorgvuldige wijze een beslissing te nemen zoals door de GI wordt verzocht. Het is de kinderrechter wel duidelijk dat de kinderen op dit moment niet terug naar huis kunnen. Gelet op de afloopdatum van de ondertoezichtstelling en de machtigingen tot uithuisplaatsing moeten de maatregelen voor een korte duur worden verlengd teneinde de GI in de gelegenheid te stellen de ontbrekende stukken alsnog aan de ouders, de pleegouders en de kinderrechter toe te sturen. Omdat de moeder de week na de zitting van 2 april 2026 een ingrijpende operatie moet ondergaan en daardoor niet in staat zal zijn om voor de afloopdatum van de maatregelen aanwezig te zijn bij een volgende zitting, zal de kinderrechter de maatregelen verlengen voor de duur van een maand. Op die manier heeft de moeder alsnog de gelegenheid om na enige weken van herstel via een online teamsverbinding aan te sluiten bij de (nieuwe) zitting. Zij zal daarvoor op het door haar opgegeven e-mailadres kort voor de zitting een link ontvangen. Het is aan de vader om te bepalen of hij zelf wel naar de zitting komt of dat hij samen met de moeder online aansluit.
5.7.
De kinderrechter zal de machtiging van [minderjarige 1] verlengen in de vorm van een gezinsgerichte voorziening. [minderjarige 1] verblijft nog steeds in hetzelfde pleeggezin, maar gelet op zijn hogere zorgbehoefte valt hij onder het gezinshuisdeel van het pleeggezin, waarbij een andere (soort) machtiging hoort.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 14 april 2026 en tot 14 mei 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 14 april 2026 en tot 14 mei 2026;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 14 april 2026 en tot 14 mei 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
houdt het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtigingen tot uithuisplaatsing aan tot de zitting van
[datum] 2026 om [uur]bij de kinderrechter mr. S.E. van de Merbel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het gerechtsgebouw aan de Kousteensedijk 2 (4331 JE) te Middelburg (voor de duur van 60 minuten) in afwachting van de verdere stukken van de GI, te weten de verdere bijlagen behorende bij het verzoekschrift;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor de moeder, de vader, de pleegouders en de GI voor de zitting van
[datum] 2026 om [uur]en dat de moeder (dan wel de ouders) de mogelijkheid hebben om via een online verbinding aan te sluiten bij deze zitting.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van De Bont als griffier, en op schrift gesteld op 16 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.