Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
1.Het verloop van de procedure
- de moeder;
- de pleegvader;
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
in een pleeggezinvan beide kinderen te verlengen. In het verzoekschrift staat ook vermeld dat begin 2025 is gebleken dat [minderjarige 1] intensievere hulp en ondersteuning nodig heeft dan hem binnen een pleegzorgindicatie geboden kan worden. Om die reden is zijn pleegzorgindicatie omgezet naar een gezinshuisindicatie. De pleegouders zijn tevens gezinshuisouders en [minderjarige 1] is dus in dezelfde woning blijven wonen, met [minderjarige 2] en met dezelfde pleegouders, tevens gezinshuisouders. Deze plaatsing vraagt echter wel een andere machtiging, namelijk een machtiging tot plaatsing in een gezinsgerichte voorziening. De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat, zoals ook in het verzoekschrift is uitgelegd, beoogd is een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken in het gezinshuis (ook wel gezinsgerichte voorziening genoemd). De kinderrechter zal dan ook voor wat betreft [minderjarige 1] op dat verzoek beslissen.
6.De beslissing
[datum] 2026 om [uur]bij de kinderrechter mr. S.E. van de Merbel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het gerechtsgebouw aan de Kousteensedijk 2 (4331 JE) te Middelburg (voor de duur van 60 minuten) in afwachting van de verdere stukken van de GI, te weten de verdere bijlagen behorende bij het verzoekschrift;
[datum] 2026 om [uur]en dat de moeder (dan wel de ouders) de mogelijkheid hebben om via een online verbinding aan te sluiten bij deze zitting.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.