Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3674

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
C/02/446189 / JE RK 26-473
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265i BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming wijziging verblijfplaats en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om toestemming te verkrijgen voor de wijziging van de verblijfplaats van een minderjarige en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening. De minderjarige verbleef sinds juni 2023 bij pleegouders, maar is sinds 29 maart 2026 zonder voorafgaande toestemming overgeplaatst naar een gezinshuis buiten de regio.

De kinderrechter constateert dat deze overplaatsing zonder de vereiste toestemming heeft plaatsgevonden, wat niet de normale procedure is. Desondanks is gebleken dat de overplaatsing in het belang van de minderjarige is, omdat de pleegouders de zorg niet langer kunnen dragen en het gezinshuis gespecialiseerde zorg en behandeling kan bieden die noodzakelijk is voor de minderjarige.

De moeder en pleegmoeder hebben hun standpunten kenbaar gemaakt, waarbij de moeder het liefst ziet dat de minderjarige en haar broer samen geplaatst worden, en de pleegmoeder benadrukt dat de zorgbehoefte van de minderjarige niet meer door hen kan worden vervuld. De kinderrechter benadrukt het belang van het perspectief van de minderjarige en de omgang met moeder, pleegouders en broer.

De kinderrechter verleent alsnog toestemming voor de wijziging van de verblijfplaats en verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling op 24 oktober 2026. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verleent toestemming voor wijziging verblijfplaats en verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 24 oktober 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/446189 / JE RK 26-473
Datum uitspraak: 2 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de pleegouders] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De pleegmoeder heeft met bericht van verhindering laten weten niet aanwezig te zullen zijn op de zitting. Zij heeft haar zienswijze gedeeld in een e-mail aan de rechtbank.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft haar mening kenbaar gemaakt via een e-mail. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat weergegeven wat [minderjarige] van het verzoek vindt. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.
De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds juni 2023 bij de pleegouders.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 oktober 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 16 oktober 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 24 oktober 2025 tot 24 oktober 2026.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 oktober 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (netwerkpleeggezin) tot 24 oktober 2026. Ook heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) tot 24 oktober 2026.
2.5.
Op basis van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg heeft [minderjarige] tot 29 maart 2026 bij de pleegouders verbleven. Zij verblijft inmiddels in een gezinshuis.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] .
3.2.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De GI heeft met man en macht gezocht naar een vervolgplek voor [minderjarige] . In de zoektocht naar een passende plek heeft de GI verzuimd om tijdig toestemming voor de wijziging van het verblijf en een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening in te dienen bij de rechtbank. [minderjarige] verblijft namelijk al sinds 29 maart 2026 bij een gezinshuis. Er is wel telefonisch contact geweest met de rechtbank over de spoedeisendheid van de zaak.
4.2.
De GI verwijst naar hetgeen al op de zitting van 16 oktober 2025 aan de orde is gesteld. Toen hebben de pleegouders aangegeven dat het voor hen steeds intensiever is geworden om [minderjarige] en haar [broer] , te verzorgen en te begeleiden. De situatie was niet langer houdbaar. De bedoeling was om [minderjarige] en [broer] samen te plaatsen. Gelet op de problematiek van [broer] is ervoor gekozen om hem op een behandelgroep te plaatsen. [minderjarige] heeft naast gespecialiseerde zorg echter ook de warmte van een gezinssituatie nodig, waardoor zij niet op dezelfde groep als [broer] kon worden geplaatst. Het gezinshuis waar [minderjarige] inmiddels verblijft is een passende plek, maar is buiten de regio. Het gezinshuis heeft veel ervaring. Er is direct ingezet op dagbesteding en behandeling. Het gezinshuis heeft een zorgaanbieder aangedragen die het contact met de moeder en [minderjarige] kan begeleiden. [minderjarige] is op 30 maart 2026 gestart op een nieuwe school. Er heeft diagnostisch onderzoek plaatsgevonden toen [minderjarige] nog bij de pleegouders verbleef. [minderjarige] heeft traumabehandeling nodig. De GI heeft de indruk dat sprake is van hechtingsproblematiek.
De GI verzoekt – alsnog – toestemming voor de wijziging van het verblijf van [minderjarige] en een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten 24 oktober 2026. Een kortere duur is niet wenselijk omdat [minderjarige] nog dient te wennen in het gezinshuis voordat de behandeling start. Bovendien betekent een kortere periode dat de betrokkenen extra worden belast en dat de termijnen van de uithuisplaatsing van [minderjarige] en [broer] uiteen gaan lopen. De GI verwacht dat er na de zomervakantie meer zicht is op het perspectief van [minderjarige] . De GI hoopt dat er dan al een evaluatie van de behandeling heeft plaatsgevonden.
De GI is op de hoogte van de wens van de pleegouders dat [minderjarige] en [broer] op termijn terug in het pleeggezin komen wonen. Het perspectief van [minderjarige] ligt voor nu terug bij de pleegouders. De GI zal onderzoeken of dat stand houdt gedurende het behandeltraject. Daarbij is het belangrijk dat de wens van de moeder, [minderjarige] en [broer] worden meegenomen. [minderjarige] heeft altijd warm contact gehad met de pleegouders. Er is geregeld dat zij en [broer] een keer in de maand samen bij de pleegouders logeren. Er wordt onderzocht hoe het contact tussen [minderjarige] en de moeder en [broer] kan worden vormgegeven. In de situatie bij de pleegouders was er een keer per maand begeleide omgang tussen de moeder, [minderjarige] en [broer] . Vanwege de afstand naar het gezinshuis zal dit contact de komende periode mogelijk los van elkaar plaatsvinden. De GI zal onderzoeken wat de mogelijkheden zijn van het uitbreiden van de omgang met de moeder en of het mogelijk is de begeleiding af te bouwen.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij het liefste zou zien dat [minderjarige] en [broer] samen geplaatst zouden worden. De moeder vindt het vervelend dat [minderjarige] nu ver weg woont, maar begrijpt dat dit de best passende oplossing is. De moeder geeft aan dat [broer] een uitgesproken mening heeft. [minderjarige] houdt daaraan vast en het zou, volgens de moeder, goed zijn als zij een eigen mening gaat vormen. Er is maandelijks begeleide omgang met [minderjarige] en [broer] tegelijkertijd. Er is geen hulpverlening betrokken, maar de moeder staat op de wachtlijst voor een psychiater. De moeder heeft nog steeds een relatie met de stiefvader.
5.2.
Door de pleegmoeder is naar voren gebracht dat alleen liefde, structuur en zorg van de pleegouders niet meer voldoende waren voor [minderjarige] . De hulp die zij zo nodig heeft kwam niet van de grond waardoor [minderjarige] verder beschadigd raakte. Het doet haar veel verdriet dat er naar een andere plek moest worden gezocht. Ondanks dat [minderjarige] nu verder weg woont hoop zij dat er tijd en ruimte ontstaat voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De wens is nog steeds dat [minderjarige] en [broer] terug bij de pleegouders komen wonen als zij daar klaar voor zijn. Zij zullen [minderjarige] weer opvangen als zij daaraan toe is. Het belang van [minderjarige] is leidend.

6.De beoordeling

Juridisch kader
6.1.
Op grond van het eerste lid van artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek (BW) behoeft de GI de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin.
6.2.
Op grond van het tweede lid van artikel 1:265i BW wordt de toestemming door de kinderrechter op verzoek van de GI verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.
6.3.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
6.4.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Het is gebleken dat [minderjarige] al sinds 29 maart 2026 in het gezinshuis verblijft. Dit is niet de normale gang van zaken, omdat [minderjarige] daarmee zonder enige toetsing is overgeplaatst. De kinderrechter staat zodoende voor een voldongen feit. Het gegeven dat de vorige keer (voor zover mogelijk) twee afzonderlijke machtigingen zijn verleend doet hieraan niet af. [minderjarige] verbleef tot op heden bij de pleegouders op grond van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (netwerk). De andere machtiging is door tijdsverloop vervallen. Haar verblijf bij de pleegouders heeft dan ook als uitgangspunt te gelden bij de te nemen vervolgstappen. De kinderrechter heeft begrip voor het feit dat het voor iedereen duidelijk was dat [minderjarige] van verblijf zou wijzigen en de pleegouders dit ook steeds hebben ondersteund alsook dat het ingewikkeld was om een passende plek voor [minderjarige] te vinden. Desondanks had de overplaatsing van [minderjarige] pas mogen plaatsvinden nadat de kinderrechter de situatie heeft getoetst en daartoe toestemming verleent. Dit geldt te meer nu [minderjarige] niet, zoals eerder wel de bedoeling was, samen is geplaatst met haar broer [broer] en bovendien ver van de pleegouders en de moeder. De vervolgstap naar een gezinshuis is voor [minderjarige] zeer ingrijpend. De kinderrechter betreurt het dan ook ten zeerst dat er niet met inachtneming van het voorgaande is gehandeld.
6.5.
Onverlet het voorgaande, is de kinderrechter voldoende gebleken dat een overplaatsing van [minderjarige] naar een gezinshuis in haar belang is. De pleegouders kunnen de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet (langer) dragen. Het is dan ook in het belang van [minderjarige] dat de situatie keert en dat zij de behandeling en begeleiding krijgt die nodig is. Het gezinshuis biedt deze mogelijkheden. Hoewel dit gezinshuis buiten de regio is, is het een ervaren gezinshuis dat de gespecialiseerde zorg kan bieden die [minderjarige] nodig heeft. Vanuit het gezinshuis kan worden gestart met de behandeling. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat [minderjarige] het vertrouwen kan vinden in de gezinshuisouders en zich op deze nieuwe plek vanuit rust kan openstellen voor hulp. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en het is belangrijk dat de hulpverlening en traumaverwerking zo snel als mogelijk starten.
6.6.
De GI zal de komende periode moeten onderzoeken wat het perspectief van [minderjarige] is en hoe de omgang met de moeder, de pleegouders en [broer] kan worden vormgegeven. De kinderrechter merkt, voor wat betreft de omgang, op dat zij zich kan voorstellen dat er de afgelopen periode zoveel is veranderd voor [minderjarige] dat het ook fijn is als er bepaalde dingen hetzelfde blijven. Het staat verder buiten twijfel dat de pleegouders altijd een warme en veilige basis zijn geweest voor [minderjarige] en dat zowel [minderjarige] als de pleegouders de wens hebben dat zij en [broer] weer bij de pleegouders komen wonen als zij daar klaar voor zijn. De kinderrechter benadrukt dat hier passende aandacht voor zal zijn bij het bepalen van het perspectief.
Conclusie
6.7.
De kinderrechter zal gelet op het voorgaande alsnog toestemming verlenen voor het wijzigen van de verblijfplaats van [minderjarige] . Om haar plek in het gezinshuis formeel te waarborgen zal zij daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis). Omdat de verwachting is dat de eerste evaluatie van de behandeling pas na de zomer zal plaatsvinden en om onrust te voorkomen, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zoals verzocht, te weten voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 24 oktober 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.8.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een gezinsgerichte voorziening;
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) tot 24 oktober 2026.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 16 april 2026.