Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3668

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
C/02/441874 / FA RK 25-5857
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen ambtshalve beslissing op verzoek minderjarige tot beëindiging gezag en contactregeling

De minderjarige heeft de rechtbank verzocht om het gezag van zijn moeder te beëindigen en een voogd te benoemen, evenals een beslissing te nemen over het contact met zijn vader. De ouders zijn gescheiden en de moeder heeft het gezag. De minderjarige verblijft momenteel in een instelling vanwege ernstige gedragsproblemen en psychiatrische stoornissen.

De rechtbank heeft meerdere zittingen gehouden en informatie ingewonnen van betrokkenen, waaronder de moeder, mentor, casusregisseur en de Raad voor de Kinderbescherming. Uit de stukken blijkt dat de moeder haar gezag passend uitoefent en dat het verblijf van de minderjarige in de huidige instelling onder druk staat vanwege zijn gedrag. Er wordt gezocht naar een passende woonplek met adequate behandeling.

Gezien de complexe problematiek van de minderjarige en het belang van stabiliteit en passende hulpverlening, acht de kinderrechter het niet opportuun om ambtshalve een beslissing te nemen over het gezag of de omgang met de vader. De moeder blijft het gezag uitoefenen en er wordt geen vaste omgangsregeling vastgesteld. De kinderrechter benadrukt dat dit geen verbod op contact betekent en dat de wensen van de minderjarige besproken kunnen worden met betrokken hulpverleners.

De beslissing is schriftelijk toegelicht aan de minderjarige en de moeder. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen drie maanden, uitsluitend door een advocaat.

Uitkomst: De kinderrechter neemt geen ambtshalve beslissing op het verzoek van de minderjarige tot beëindiging van het gezag en contactregeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/441874 / FA RK 25-5857
datum uitspraak: 2 april 2026
beschikking op de vraag van de minderjarige door middel van een informele rechtsingang
[minderjarige] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
wonende in [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1]
advocaat: mr. E. Sijnesael uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
[de casusregisseur],
hierna te noemen: de casusregisseur (van [jeugdhulp] ),
[de mentor],
hierna te noemen: de mentor van [minderjarige] (van de [accommodatie] ).
De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.

1.Het verloop van de zaak

1.1
Op 10 november 2025 heeft de rechtbank een brief ontvangen van [minderjarige] .
1.2
De kinderrechter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma, heeft op 6 januari 2026 met [minderjarige] gesproken over zijn brief. Daarbij was mevrouw [persoon] , vertrouwenspersoon van [minderjarige] , werkzaam bij Jeugdstem, aanwezig als toehoorder.
1.3
Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de vader, de moeder en de Raad uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2026. Uit het proces-verbaal van deze zitting volgt dat de rechtbank zich op dat moment onvoldoende geïnformeerd achtte om een gefundeerde en weloverwogen beslissing te kunnen nemen op de vragen van [minderjarige] . Er was onvoldoende informatie beschikbaar om de belangen van [minderjarige] adequaat te duiden. Omdat de Raad geen aanleiding zag om een raadsonderzoek in te stellen naar de vragen van [minderjarige] , heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden tot een nadere zitting om zo nadere informatie te kunnen verkrijgen van de in het leven van [minderjarige] betrokken professionals.
1.4
Op 2 maart 2026 heeft de rechtbank een e-mailbericht met bijlagen ontvangen van de casusregisseur.
1.5
Op 5 maart 2026 heeft de nadere zitting plaatsgevonden. Verschenen en gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- de mentor van [minderjarige] .
1.6
Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn de vader en de casusregisseur niet verschenen.

2.De feiten

2.1
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest. Uit dit huwelijk is [minderjarige] geboren.
2.2
De moeder heeft alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3
Bij beschikking van deze rechtbank van 11 januari 2012 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Deze beschikking is op 10 mei 2012 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.4
[minderjarige] verblijft bij de [accommodatie] .

3.De vragen van [minderjarige]

3.1
heeft in zijn brief en tijdens het gesprek met de kinderrechter – kort samengevat – gevraagd om een beslissing te nemen inhoudende dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en dat er een voogd voor hem wordt benoemd. Daarnaast heeft [minderjarige] de kinderrechter verzocht om een beslissing te nemen over het contact met zijn vader.

4.De standpunten

4.1
De moeder is van mening dat er geen ambtshalve beslissing moet worden genomen op de vragen van [minderjarige] . Voor wat betreft het gezag van de moeder brengt zij naar voren dat zij het gezag over [minderjarige] wil behouden. Zij voert haar gezag passend uit, hetgeen ook volgt uit de brief van de casusregisseur. Daar komt bij dat, mede gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de huidige wachtlijsten, ook praktische problemen zullen ontstaan bij het beëindigen van het gezag van de moeder en de benoeming van een voogd. Voor wat betreft de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader denkt de moeder dat het lastig is om een passende omgangsregeling vast te stellen, nu het gelet op het verleden de vraag is of de vader deze regeling consequent zal nakomen. Als de vader deze regeling niet nakomt, zal [minderjarige] geconfronteerd worden met teleurstellingen. Dit maakt dat de moeder geen mogelijkheden ziet voor de vaststelling van een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader. Verder verklaart de moeder dat [minderjarige] niet bij de [accommodatie] kan blijven wonen. Deze plaatsing staat onder druk doordat de spanningen bij [minderjarige] oplopen, hij niet altijd meewerkt met de begeleiding en sneller boos wordt. Er is gezocht naar een passende plek voor [minderjarige] , maar er is op dit moment in Nederland geen plek gevonden. Daarom is recent besloten dat er een passende plek voor [minderjarige] gecreëerd moet worden.
4.2
De mentor van [minderjarige] verklaart dat het wisselend gaat met [minderjarige] bij de [accommodatie] . Op sommige momenten gaat het goed en stelt [minderjarige] zich meewerkend op, maar op andere momenten is hij niet begeleidbaar, houdt hij zich niet aan de afspraken en kan hij erg boos worden. Dan kan [minderjarige] spullen vernielen, mensen bedreigen en zichzelf verwonden. Gebleken is dat bij de [accommodatie] niet de juiste ondersteuning kan worden geboden aan [minderjarige] . Het is daarom belangrijk dat er een plek wordt gevonden waar [minderjarige] de juiste hulp en begeleiding kan krijgen. Over de vraag van [minderjarige] om een beslissing te nemen inhoudende dat het gezag van de moeder wordt beëindigd, verklaart de mentor dat de boosheid van [minderjarige] richting de moeder meestal ziet op zijn financiën. Hij denkt namelijk dat het geld wat de moeder ontvangt aan toeslagen niet op de juiste manier wordt besteed. Over het contact tussen [minderjarige] en de vader verklaart de mentor dat de vader [minderjarige] tot op heden eenmaal heeft bezocht bij de [accommodatie] . Daardoor kan de mentor geen standpunt innemen over de contactregeling tussen [minderjarige] en de vader. In algemene zin kan de mentor aangeven dat het voor iemand met de problematiek van [minderjarige] goed zou zijn als er duidelijke afspraken worden gemaakt over het contact met een ouder.
4.3
De casusregisseur heeft in zijn brief van 2 maart 2026 aangegeven dat [minderjarige] bij de [accommodatie] zorgwekkend gedrag toont, zich daarin onvoldoende laat kaderen door zijn omgeving en erg ver gaat om zijn doelen te behalen. Dit heeft ertoe geleid dat de plaatsing bij de [accommodatie] onhoudbaar is geworden. Er wordt daarom gezocht naar een andere plek voor [minderjarige] . Over het gezag van de moeder schrijft de casusregisseur dat de samenwerking met de moeder altijd prettig en constructief is geweest. De moeder is capabel en stevig in haar gezagspositie en vanuit [jeugdhulp] is er geen twijfel dat zij haar gezag passend uitvoert. Vanuit [jeugdhulp] wordt daarom geen noodzaak gezien om gehoor te geven aan de vraag van [minderjarige] ten aanzien van het gezag van de moeder. Over het contact tussen [minderjarige] en de vader schrijft de casusregisseur dat op dit moment prioriteit moet worden gegeven aan de stabiliteit van [minderjarige] en aan het verblijf bij de [accommodatie] . De vader is in de afgelopen twee jaar nauwelijks tot niet betrokken geweest en het is op dit moment niet haalbaar om afspraken te maken over het contact tussen [minderjarige] en de vader, nu het verblijf van [minderjarige] bij de [accommodatie] zeer instabiel is. Als [minderjarige] op een perspectief biedende plek verblijft waar hij behandeling kan krijgen, kan opnieuw gekeken worden naar de omgang tussen de vader en [minderjarige] .
4.4
De Raad adviseert geen ambtshalve beslissing te nemen op de vragen van [minderjarige] . Er wordt door de moeder en de betrokken hulpverleners hard gewerkt om een passende plek voor [minderjarige] te vinden, hetgeen door de complexe problematiek van [minderjarige] erg lastig blijkt te zijn. Er is aandacht voor het contact tussen de vader en [minderjarige] , ook vanuit de casusregisseur, en het is op dit moment niet mogelijk om een omgangsregeling vast te leggen.

5.De beoordeling van de kinderrechter

5.1
Gelet op de brief van [minderjarige] , het gesprek met [minderjarige] en hetgeen wat naar voren is gebracht op de zittingen van 19 januari 2026 en 5 maart 2026, zal de kinderrechter geen ambtshalve beslissing nemen op de vragen van [minderjarige] . Zij overweegt daartoe als volgt.
5.2
Uit de inhoud van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting, volgt dat er al langere tijd zorgen zijn over het gedrag van [minderjarige] en er op dit moment veel speelt in het leven van [minderjarige] . Er is bij [minderjarige] sprake van autismespectrumstoornis, een depressieve stemmingsstoornis, PTSS, hechtingsproblematiek en een disharmonisch intelligentieprofiel. Dit uit zich bij [minderjarige] in complex gedrag, waaronder verbale en fysieke agressie bij oplopende spanning. Daarnaast is sprake van suïcidaliteit en zelfverwondend gedrag doordat [minderjarige] zich niet gezien en begrepen voelt. Door meerdere escalaties tussen [minderjarige] en de moeder, kan [minderjarige] niet meer thuis wonen. Het gedrag van [minderjarige] vereist een neutrale en gekaderde omgeving en om die reden verblijft [minderjarige] sinds enige tijd bij de [accommodatie] . Hoewel deze plaatsing aanvankelijk positief verliep, is het gedrag van [minderjarige] daarna verergerd. Door de kindeigen problematiek is [minderjarige] beperkt in zijn mogelijkheden om zich sociaal aan te passen of zich in te leven in de belevingswereld van anderen. [minderjarige] brengt zichzelf en anderen in gevaar, is uitgevallen op school en laat zich onvoldoende kaderen door zijn omgeving. Er zijn meerdere escalaties geweest, waarbij [minderjarige] geweld heeft gebruikt richting de hulpverleners, heeft gedreigd met geweld en suïcidale uitspraken heeft gedaan. Dit heeft tot verschillende time-outs geleid, zowel bij [stichting] als bij familie vaderszijde. Het voorgaande maakt dat de plaatsing van [minderjarige] bij de [accommodatie] niet meer passend is en onhoudbaar is geworden. Er wordt op dit moment gezocht naar een passende vervolgplek voor [minderjarige] waar hij de benodigde behandeling kan krijgen en waar hij ook na zijn 18e verjaardag kan blijven wonen, maar gebleken is dat er op dit moment geen woongroep is die [minderjarige] de juiste hulp en begeleiding kan bieden. Daarom wordt onderzocht of er een plek voor [minderjarige] gecreëerd kan worden, maar hier is nog geen zicht op.
5.3
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het op dit moment vooral van belang is dat [minderjarige] de juiste hulpverlening krijgt en dat er een passende plek voor [minderjarige] wordt gevonden, waar hij de benodigde behandeling kan krijgen en kan blijven wonen na zijn 18e verjaardag. Dit prevaleert boven de door hem gewenste wijzigingen in het gezag van de moeder en in het contact met de vader, te meer nu door de hulpverlening is toegelicht dat de moeder op een passende wijze invulling geeft aan haar gezag. Uit de brief van de casusregisseur volgt immers dat de moeder goed samenwerkt, de noodzaak begrijpt om specifieke hulpverlening in te zetten en haar gezagspositie capabel en stevig uitoefent. Bovendien is het op dit moment niet mogelijk om een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen doordat de mogelijkheden van de vader onvoldoende duidelijk zijn en voorkomen moet worden dat [minderjarige] teleurgesteld wordt, ook omdat het verblijf van [minderjarige] bij de [accommodatie] onder druk staat. Dat de kinderrechter geen beslissing neemt over het contact tussen [minderjarige] en de vader, betekent niet dat er geen contact kan zijn tussen [minderjarige] en de vader. De kinderrechter heeft begrepen dat er aandacht is voor het contact tussen [minderjarige] en de vader vanuit de casusregisseur, zodat daar in overleg met alle betrokkenen eventueel meer invulling aan kan worden gegeven. Hierbij gaat de kinderrechter er vanuit dat de moeder haar belofte gestand doet dat zij het contact tussen de vader en [minderjarige] niet in de weg zal staan.

6.Brief aan [minderjarige]

6.1
De kinderrechter vindt het belangrijk om [minderjarige] een brief te sturen met uitleg over haar beslissing en de moeder daarvan op de hoogte te stellen. In deze brief, die naar het adres van de [accommodatie] wordt verzonden, leest [minderjarige] het volgende.
Beste [minderjarige] ,
Jij hebt op 6 januari 2026 met een collega van mij gesproken over de brief die jij naar de rechtbank hebt gestuurd. Jij hebt toen verteld dat je graag een omgangsregeling met je vader zou willen en dat je het gezag van je moeder zou willen beëindigen. Na dit gesprek heb ik met jouw moeder, je vader en de mentor van jouw woongroep gesproken. Daar was ook iemand van de Raad voor de Kinderbescherming bij aanwezig om mij advies te geven. De casusregisseur van [jeugdhulp] kon niet bij dit gesprek aanwezig zijn, maar heeft mij wel een brief geschreven over hoe het met jou gaat. Ik zal jou in deze brief uitleggen wat we op de zitting hebben besproken en hoe het nu verder gaat.
Op de zitting heb ik met je ouders, je mentor en de Raad voor de Kinderbescherming gesproken over hoe het met jou gaat. Ik heb gehoord dat het op dit moment soms niet goed gaat met jou bij de [accommodatie] en dat jij daar niet goed op je plek zit. Ook heb ik gehoord dat er wordt gezocht naar een andere woonplek voor jou, waar je ook na je 18e verjaardag kan blijven wonen. Ik vind het belangrijk dat goed wordt gekeken waar jij de juiste hulp kan krijgen en wat de beste plek is voor jou om te wonen. Ik heb gehoord dat jouw moeder hierin erg haar best doet en het beste voor jou wil. Daarom vind ik het op dit moment geen goed idee om het gezag van je moeder te beëindigen en een voogd te benoemen. Dat betekent dat jouw moeder het gezag over jou zal blijven uitoefenen.
Verder heb ik besloten dat ik geen vaste omgangsregeling met jouw vader zal vastleggen. Het is namelijk niet duidelijk hoe deze regeling eruit zou kunnen zien. Dit betekent niet dat jij geen contact kan hebben met je vader. Je kan altijd je wensen over het contact met je vader bespreken met de casusregisseur of met de mentor van de woongroep.
Ik hoop dat het voor jou duidelijk is waarom ik deze beslissing neem, maar ik begrijp ook dat dit voor jou een moeilijke beslissing is en dat dit niet is wat je had gehoopt.
Ik wens je het allerbeste voor de toekomst.
Met vriendelijke groet, ook namens de griffier,
De kinderrechter

7.De beslissing van de kinderrechter

De kinderrechter:
7.1
neemt geen ambtshalve beslissing op de vragen van [minderjarige] .
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer griffier.
Mededeling van de griffier:
Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:
a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.