Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3666

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
C/02/435972 / FA RK 25-2772
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 7 lid 1 Verordening Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 16 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:244 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verklaring voor recht alleen ouderlijk gezag moeder over minderjarige

De vrouw heeft een verzoek ingediend om voor recht te verklaren dat zij alleen belast is met het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind, geboren uit een relatie met de man. De minderjarige verblijft bij de vrouw, die de Slowaakse nationaliteit heeft, terwijl de man Pools is. De rechtbank beoordeelt eerst haar rechtsmacht en toepasselijk recht, waarbij wordt vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is vanwege de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw en de man niet gehuwd zijn geweest en geen geregistreerd partnerschap hebben. De man heeft het kind erkend vóór 1 januari 2023, waardoor hij niet automatisch gezag heeft. Er is geen gezamenlijk gezag geregistreerd. Daarom oefent de vrouw het gezag alleen uit. De rechtbank wijst het verzoek tot aantekening van deze beslissing in het gezagsregister af, omdat een verklaring voor recht niet in het Besluit gezagsregister is opgenomen.

Ook wordt het verzoek om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afgewezen, omdat een verklaring voor recht doorgaans niet ten uitvoer kan worden gelegd. De rechtbank wijst het verzoek tot verklaring voor recht toe en wijst het overige af. De beschikking is uitgesproken op 2 april 2026 door rechter M. Voorn.

Uitkomst: De rechtbank verklaart dat de vrouw alleen belast is met het ouderlijk gezag over de minderjarige en wijst het overige verzoek af.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/435972 / FA RK 25-2772
datum uitspraak: 2 april 2026
beschikking over gezag
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. M. Kalle in Middelburg,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zit het volgende stuk:
- het op 30 mei 2025 ontvangen verzoek met bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 5 maart 2026. Bij die behandeling is gekomen de vrouw, met haar advocaat. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.

2.De feiten

2.1
De vrouw heeft een relatie gehad met [de man] , hierna te noemen: de man. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.4
De vrouw heeft de Slowaakse nationaliteit, de man de Poolse.

3.Het verzoek en de standpunten

3.1
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht te verklaren dat de vrouw alleen belast is met het ouderlijk gezag over
[minderjarige] en
- te bepalen dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het artikel 1:244
van het Burgerlijk Wetboek (hierna: [minderjarige] ) genoemde openbare gezagsregister;
- dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in deze juist acht.
3.2
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1
Vanwege het feit dat de vrouw de Slowaakse en de man de Poolse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Dat betekent dat de rechtbank eerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van de verzoeken kennis te nemen en, wanneer dat zo is, welk recht op de verzoeken van toepassing is.
4.2
De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen, omdat [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats had in Nederland (artikel 7 lid 1 Verordening Pro Brussel II-ter). De rechtbank zal Nederlands recht op het verzoek toepassen op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996).
Inhoudelijke beoordeling
4.3
De vrouw verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat zij alleen belast is met het gezag over [minderjarige] . Aan dit verzoek legt de vrouw het volgende ten grondslag. Volgens de vrouw is Nederlands recht van toepassing op de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] en brengt Nederlands recht mee dat alleen de vrouw belast is met het gezag over [minderjarige] . De vrouw wil in Slowakije de achternaam van [minderjarige] wijzigen. Daarvoor heeft zij een verklaring voor recht nodig dat zij alleen is belast met het ouderlijk gezag. De vrouw stelt er daarom belang bij te hebben dat de rechtbank voor recht verklaart dat alleen zij met het gezag belast is.
4.4
Om het verzoek van de vrouw te beoordelen, moet de rechtbank eerst vaststellen welk recht van toepassing is op de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] . Uit artikel 16 lid 1 HKBV Pro 1996 volgt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. De rechtbank moet dus vaststellen wat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] was bij haar geboorte.
4.5
Gebleken is dat [minderjarige] in Nederland is geboren en sinds haar geboorte in Nederland woont. Gelet daarop stelt de rechtbank vast dat de gewone verblijfsplaats van [minderjarige] bij haar geboorte in Nederland was gelegen. Dat betekent dat naar Nederlands recht moet worden beoordeeld of het gezag over [minderjarige] door de man en de vrouw gezamenlijk of alleen door de vrouw wordt uitgeoefend.
4.6
De rechtbank overweegt dat partijen niet gehuwd zijn geweest en ook geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. Uitgangspunt is dan ook dat de vrouw van rechtswege het gezag over [minderjarige] alleen uitoefent (artikel 1:253b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Dat de man [minderjarige] heeft erkend, maakt in dit geval niet dat sprake is van gezamenlijk gezag. De man heeft [minderjarige] namelijk vóór 1 januari 2023 erkend, terwijl pas vanaf 1 januari 2023 – door de invoering van artikel 1:251b lid 1 BW – geldt dat de persoon die een kind heeft erkend automatisch het gezag uitoefent. Van gezamenlijk gezag kan in dit geval dan ook alleen sprake zijn als dit op verzoek van partijen in het gezagsregister is aangetekend (artikel 1:252 lid 1 BW Pro). Dat is echter niet gebeurd. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank - met de Raad - vast dat de vrouw alleen het gezag over [minderjarige] uitoefent.
4.7
Het verzoek van de vrouw is, kortom, gegrond op de wet en blijft binnen de grenzen van de vaststelling van de rechtsverhouding tussen de man en de vrouw. De vrouw heeft ook een belang gesteld bij de verzochte verklaring voor recht. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaring dat zij alleen is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] dan ook toewijzen.
4.8
Door de vrouw is verder verzocht te bepalen dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het gezagsregister. Het gezagsregister bevat informatie over wijzigingen en afwijkingen van het wettelijk bepaald gezag. In artikel 2 van Pro het Besluit gezagsregister is opgenomen in welke gevallen een aantekening wordt gemaakt in het gezagregister. Omdat een verklaring voor recht niet is opgenomen in artikel 2 van Pro het Besluit gezagsregister, zal de rechtbank dit deel van het verzoek afwijzen.
4.9
Ten aanzien van het verzoek om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren oordeelt de rechtbank dat een verklaring voor recht in het algemeen niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard, omdat dit doorgaans een beslissing is die niet ten uitvoer kan worden gelegd.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
verklaart voor recht dat de vrouw van rechtswege alleen belast is met het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021;
5.2
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. MVoorn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.