ECLI:NL:RBZWB:2026:3655

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 mei 2026
Zaaknummer
C/02/438331 FA RK 25-3945
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijf en zorgregelingen minderjarige kinderen na echtscheiding

Partijen zijn gescheiden en hebben twee minderjarige kinderen met verschillende hoofdverblijven volgens het ouderschapsplan van 2020. De vrouw verzoekt wijziging van het hoofdverblijf van beide kinderen en aanpassing van de kinderalimentatie. De man stemt in met wijziging van het hoofdverblijf van de oudste naar hem, maar verzet zich tegen wijziging van het hoofdverblijf van de jongste.

De rechtbank oordeelt dat het belang van de kinderen voorop staat en brengt het juridische hoofdverblijf van de oudste in overeenstemming met de feitelijke situatie door dit bij de man te bepalen. Het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van de jongste wordt afgewezen vanwege het belang van continuïteit en het ontbreken van voldoende wijziging van omstandigheden.

Gezien de complexe situatie en zorgen over de kinderen wordt het verzoek tot wijziging van de zorgregelingen aangehouden. De Raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht het lopende beschermingsonderzoek uit te breiden en advies uit te brengen over de zorg- en opvoedingstaken. Partijen hebben voorlopige afspraken gemaakt over de kinderbijdrage, waarvoor de beslissing eveneens wordt aangehouden.

Uitkomst: Het hoofdverblijf van de jongste minderjarige wordt bij de vader vastgesteld, het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van de oudste wordt afgewezen, en de zorgregelingen worden aangehouden voor nader onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/438331 FA RK 25-3945
datum uitspraak: 1 april 2026
beschikking betreffende hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. V.J.C. Pieters te Middelburg,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M. Krijger te Middelburg.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 22 juli 2025 ontvangen verzoekschrift met producties 1 tot en met 6;
- de brief d.d. 13 januari 2026 van mr. Pieters met producties 7 en 8;
- het op 20 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijke) zelfstandige verzoeken met bijlagen;
- de brief d.d. 23 januari 2026 van mr. Pieters met producties 9 tot en met 12;
- de brief d.d. 28 januari 2026 van mr. Pieters houdende wijziging c.q. aanvulling van haar eerdere verzoeken.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 30 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. Mr. Pieters heeft tijdens de zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door haar overgelegde pleitnotities.
1.3. Na te noemen minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, door de rechtbank in de gelegenheid hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft een brief aan de kinderrechter geschreven. [minderjarige 2] heeft op 30 januari 2026, voorafgaand aan de zitting, een gesprek met de kinderrechter gevoerd. De (kinder)rechter heeft tijdens de zitting samengevat wat de kinderen naar voren hebben gebracht en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn gehuwd geweest.
2.2.
Uit hun huwelijk zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010;
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013.
2.3.
Bij beschikking van [datum 1] 2020, ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 11 juni 2020, heeft deze rechtbank de echtscheiding uitgesproken in het huwelijk van partijen en tevens bepaald dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking.
2.4.
In voornoemd ouderschapsplan, door partijen ondertekend op 10 april 2020, is – voor zover hier van belang – het navolgende opgenomen:
Artikel 2 – Hoofdverblijfplaats/verhuizing/paspoort
[minderjarige 2] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder en zal op haar adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan. Aan haar komt daarom het recht toe om de kinderbijslag te innen.[minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijf bij de vader en zal op zijn adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan. Aan hem komt daarom het recht toe om de kinderbijslag te innen.
(…)
artikel 3.1 – verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Partijen hebben afgesproken dat de kinderen van vrijdag 18.00 uur tot de volgende vrijdag 18.00 uur afwisselend bij een van de ouders verblijven. De ouder bij wie de kinderen het laatst verbleven, brengt de kinderen naar de andere ouder en zorgt dat ze avondeten hebben gehad.
De kinderen zijn in de even weken bij de vader (startend op de vrijdag in de oneven week) en in de oneven weken bij de moeder (startend op de vrijdag in de even week).
(…)
Artikel 7.1 - Kinderalimentatie
In onderling overleg is er vastgesteld dat er geen sprake is van kinderalimentatie.
2.5.
Bij de beschikking van deze rechtbank d.d. 25 mei 2022 is de beschikking van [datum 1] 2020, alsmede het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan, ten aanzien van de kinderbijdrage gewijzigd en is:
- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] op € 112,- per maand bepaald, zulks met ingang van 10 december 2021;
- de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op € 20,- per maand bepaald, zulks met ingang van 10 december 2021.
2.6.
De Raad heeft een beschermingsonderzoek ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ingesteld.

3.De verzoeken

3.1.
Na wijziging van haar verzoeken verzoekt de vrouw de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de beschikking van deze rechtbank van [datum 1] 2020 alsmede het daarin opgenomen ouderschapsplan d.d. 10 april 2020 te wijzigen voor wat betreft het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en te bepalen dat:
- [minderjarige 2] zijn hoofdverblijf bij de man zal hebben,
- [minderjarige 1] het hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben,
2. de beschikking van deze rechtbank van 25 mei 2022 voor wat betreft de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] te wijzigen en te bepalen dat:
- de daarin opgenomen kinderalimentatie door de man aan de vrouw te betalen op nihil zal worden gesteld met ingang van de datum van de in deze te wijzen beschikking, dan wel met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;
- de vrouw aan de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] een bedrag van € 50,- per maand, bij vooruitbetaling dient te voldoen, zulks met ingang van de datum van de in deze te wijzen beschikking dan wel een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;
3. de beschikking van deze rechtbank van 25 mei 2022 voor wat betreft de kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] te wijzigen en te bepalen dat:
- de daarin opgenomen kinderalimentatie te betalen door de vrouw aan de man op nihil zal worden gesteld met ingang van de dag van de te wijzen beschikking, dan wel met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;
- de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] een bedrag van € 300,- per maand, bij vooruitbetaling dient te voldoen, zulks met ingang van de datum van de in deze te wijzen beschikking dan wel een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren,
4. De beschikking van deze rechtbank van [datum 1] 2020 alsmede het daarin opgenomen ouderschapsplan d.d. 10 april 2020 te wijzigen, voor wat betreft de daarin opgenomen zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] en te bepalen dat:
- de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] zal zijn als volgt: [minderjarige 1] verblijft een week per 2 weken bij de man waarbij op vrijdag de wisseldag zal zijn, conform de regeling zoals opgenomen in artikel 3.1 van het ouderschapsplan. De afspraken ten aanzien van de vakanties blijven gehandhaafd;
dan wel een zodanige zorgregeling te bepalen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.
3.2.
De man heeft verweer gevoerd en heeft bij wijze van zelfstandige verzoeken de rechtbank verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. toe te wijzen het in het verzoekschrift van de vrouw sub 1 ten aanzien van [minderjarige 2] verzochte en het hoofdverblijf van hem bij de man te bepalen, dan wel – indien en voor zover de vrouw haar verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] mocht intrekken – bij wijze van (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek het hoofdverblijf van [minderjarige 2] te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige 2] zijn hoofdverblijf bij de man zal hebben;
II. af te wijzen het in het verzoekschrift van de vrouw sub 1 ten aanzien van [minderjarige 1] verzochte;
III. toe te wijzen het in het verzoekschrift van de vrouw sub 2 ten aanzien van de door de man aan haar ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen onderhoudsbijdrage, verzochte en te bepalen dat deze bijdrage met ingang van 22 juli 2025, dan wel met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, op nihil wordt gesteld;
IV. af te wijzen het in het verzoekschrift van de vrouw sub 2 ten aanzien van de door de vrouw aan de man ten behoeve van [minderjarige 2] te betalen onderhoudsbijdrage verzochte en in plaats daarvan te bepalen dat de vrouw met ingang van 22 juli 2025, dan wel met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, met een bedrag groot € 66,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] ;
V. af te wijzen het in het verzoekschrift van de vrouw sub 3 ten aanzien van de door de vrouw aan de man ten behoeve van [minderjarige 1] te betalen onderhoudsbijdrage verzochte en in plaats daarvan te bepalen dat de vrouw met ingang van 22 juli 2025, dan wel met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, met een bedrag van € 32,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] ;
VI. af te wijzen het in het verzoekschrift van de vrouw sub 4 ten aanzien van de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] verzochte;
VII. de beschikking van de rechtbank van [datum 1] 2020, alsmede het daaraan gehechte ouderschapsplan ten aanzien van de daarin opgenomen zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 2] te wijzigen en te bepalen dat er tussen de vrouw en [minderjarige 2] geen zorgcontact plaatsvindt en te bepalen dat de regie ten aanzien van het contact bij de betrokken professionele hulpverlening ligt.
3.3.
De vrouw heeft verweer gevoerd ten aanzien van de zelfstandige verzoeken van de man.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

hoofdverblijf en zorgregelingen
4.1.
De vrouw voert ter onderbouwing van haar verzoeken ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 2] staat ingeschreven op haar adres maar hij verblijft sinds vorig jaar zomer bij de man. Zij acht het in het belang van [minderjarige 2] dat hij conform de praktijk zijn hoofdverblijf bij de man krijgt. [minderjarige 1] verblijft wel volgens de afspraken de ene week bij de man en de andere week bij haar. Zij acht het in het belang van [minderjarige 1] dat hij zijn hoofdverblijf bij haar zal hebben. Haar inkomen zal aanzienlijk dalen, te weten met een bedrag van € 560,= per maand, zijnde het kindgebonden budget (hierna: kgb), indien [minderjarige 2] niet meer bij haar staat ingeschreven. Daarnaast loopt zij de kinderbijslag mis. Zij vreest ervoor dat zij financiële middelen tekort gaat komen om de kinderen te kunnen geven wat zij nodig hebben, in het geval het hoofdverblijf van [minderjarige 1] niet bij haar zal worden bepaald. Ook zal zij een hoger kgb ontvangen dan de man, hetgeen ook ten goede zal komen aan de kinderen. Daarnaast is van belang dat het altijd de bedoeling van partijen is geweest dat zij ieder in aanmerking komen voor de belastingvoordelen van de kinderen. Indien [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf bij haar zal krijgen, dan zal er een zorgregeling moeten worden vastgelegd tussen de man en [minderjarige 1] , waarbij de huidige zorgregeling in stand kan blijven zodat [minderjarige 1] de ene week bij de man en de andere week bij haar verblijft. Ook kan de vakantieregeling hetzelfde blijven.
Zij is niet betrokken geweest bij het schrijven van de kindbrief door [minderjarige 1] ; die heeft [minderjarige 1] geschreven met hulp van de kindbehartiger. Zij heeft ook niet met [minderjarige 1] gesproken over deze zitting, mogelijk heeft de kindbehartiger daar met [minderjarige 1] over gesproken.
Ten aanzien van het verzoek van de man om de zorgregeling tussen haar en [minderjarige 2] te wijzigen in die zin dat wordt bepaald dat er tussen haar en [minderjarige 2] geen zorgcontact plaatsvindt en dat de regie ten aanzien van het contact bij de betrokken professionele hulpverlening ligt, voert zij verweer als volgt. Er wordt ten aanzien van [minderjarige 2] geen uitvoering gegeven aan week op/week af regeling nu [minderjarige 2] al enige tijd niet bij haar is geweest. Zij hoopt dat er spoedig structureel contact tussen haar en [minderjarige 2] komt, maar zij zal geen contact afdwingen en heeft daarom thans ook geen verzoek daartoe ingediend. Zij ziet [minderjarige 2] iedere week; de ene week op vrijdag en de andere week op woensdag. Dat is bij de karateles en op vrijdag bij het wisselmoment van [minderjarige 1] . De vrouw stelt voor vast te leggen dat het contact tussen haar en [minderjarige 2] in overleg tussen partijen plaatsvindt en dat daarbij de mening van [minderjarige 2] wordt gerespecteerd. Wat [minderjarige 2] tijdens het kindgesprek met betrekking tot het incident in de auto heeft aangegeven, is zijn beleving; in de beleving van de vrouw is het anders gegaan. Zij heeft toen uit emotie iets anders gezegd.
De vrouw stemt ermee in dat een Raadsonderzoek naar de zorgregelingen gaat plaatsvinden. Het hoofdverblijf dient niet door de Raad te worden onderzocht nu het een omwisseling van het formele hoofdverblijf betreft en er inhoudelijk niets aan de zorgregeling van [minderjarige 1] verandert. De zorgen die [minderjarige 2] heeft geuit dat hij [minderjarige 1] minder gaat zien, ziet de vrouw niet. Er is tot op heden altijd een week op week af regeling geweest ten aanzien van [minderjarige 1] en de vrouw is niet voornemens deze regeling niet meer uit te zullen voeren. Zij vraagt thans een uitspraak omtrent het hoofdverblijf en een aanhouding ten aanzien van de zorgregelingen in verband met een Raadsonderzoek.
4.2.
De man is het eens met het verzoek van de vrouw om [minderjarige 2] zijn hoofdverblijf bij hem te laten hebben om daarmee de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke. Hij voert verweer tegen het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar te bepalen, samengevat, als volgt. Het voelt voor hem als een uitruil; [minderjarige 2] wordt bij hem ingeschreven en de vrouw wil [minderjarige 1] daarvoor bij haar ingeschreven hebben. De vrouw heeft problemen met de financiële huishouding; het is niet de bedoeling om gelden die voor de kinderen zijn bestemd voor die problemen te gebruiken. De financiën zijn ook geen reden om het hoofdverblijf te wijzigen. De vrouw kan ook aanvrager zijn van het kgb en de kinderbijslag zonder dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf bij haar heeft. Hij vreest ervoor dat het voor [minderjarige 1] verwarrend zal zijn wanneer hij bij de vrouw wordt ingeschreven. De man maakt zich zorgen over de kinderen; zij worden door de vrouw belast en dat moet stoppen. De vrouw belast [minderjarige 1] met volwassen zaken (zo wist hij van deze zitting) en als die belasting niet wordt weggenomen is het niet ondenkbeeldig is dat er, bij vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vrouw nu, in de toekomst weer een wijziging van het hoofdverblijf moet komen. Hij wil het liefst geen juridische geschillen meer met de vrouw. De man maakt zich zorgen naar aanleiding van hetgeen [minderjarige 2] tijdens het gesprek met de kinderrechter naar voren heeft gebracht. Zo is [minderjarige 2] door de vrouw voor leugenaar uitgemaakt. Voorts deelt hij de zorgen van de Raad over [minderjarige 2] waar hij zijn zorgen over [minderjarige 1] heeft geuit in het geval [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf bij de vrouw zal krijgen. Het contact tussen partijen is niet zo goed dat, zoals de vrouw voorstelt, het contact tussen haar en [minderjarige 2] in overleg tussen partijen plaats kan vinden. Er moet naar het belang van de kinderen worden gekeken.
De man is het eens met het Raadsadvies om de Raad te vragen in zijn beschermings-onderzoek mee te nemen het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en de zorgregelingen en daaromtrent te adviseren.
4.3.
De Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Het gaat slecht met de kinderen. Partijen hebben een traject voor parallel solo ouderschap doorlopen bij de Gezinsmanager en Memo heeft de Raad gemeld dat er onvoldoende verbetering voor de kinderen komt. De vraag is wat nodig is om partijen wakker te schudden. De Raad vindt het tenenkrommend dat partijen zich tijdens de mondelinge behandeling druk maken over de financiën terwijl het zo slecht gaat met hun kinderen. Een collega Raadsonderzoeker heeft zojuist met [minderjarige 2] gesproken en hetgeen hij aan de Raad heeft verteld komt overeen met hetgeen hij aan de kinderrechter heeft verteld. [minderjarige 2] heeft zorgen over zijn broertje. Als [minderjarige 1] bij de vrouw wordt ingeschreven en niet meer bij de man komt dan zal er geen contact meer tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn omdat [minderjarige 2] ook niet meer bij de vrouw komt, zo heeft [minderjarige 2] aangegeven. [minderjarige 2] wordt belemmerd in zijn ‘kind’-zijn. Beide kinderen zitten in een moeilijke fase in hun leven en hebben al hun energie nodig voor school. Dit drukt op hen. De Raad is al een kinderbeschermingsonderzoek gestart. Ook een ondertoezichtstelling alleen gaat deze problematiek niet wegnemen; uiteindelijk moeten de ouders aan de slag om de problemen die hier spelen weg te nemen. Daarvoor is een gedragsverandering noodzakelijk. Het is op dit moment lastig voor de Raad om een advies te geven ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling, omdat er zoveel speelt. Als de rechtbank de Raad vraagt om deze onderwerpen mee te nemen in het huidige kinderbeschermingsonderzoek, dan kan dat. De kinderen zitten klem en dat moet stoppen. Als het aanhouden van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] financiële problemen oplevert, dan moet het hoofdverblijf van [minderjarige 1] nu worden bepaald en dient dit niet te worden meegenomen in het Raadsonderzoek. De belangrijkste vraag die onderzocht moet worden is volgens de Raad hoe de kinderen onbelast contact met beide ouders kunnen hebben.
4.4.1.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.4.2.
Het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de man te bepalen zal, gelet op de instemming van de man en nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 2] zich daartegen verzet, worden toegewezen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij het van belang vindt om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie.
4.4.3.
Zoals tijdens de zitting is aangekondigd, zal de rechtbank thans een beslissing nemen op het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar. De rechtbank acht zich thans ook voldoende geïnformeerd om op dit verzoek te kunnen beslissen.
4.4.4.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.4.5.
Het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar te bepalen, zal worden afgewezen. [minderjarige 1] heeft vanaf het uiteengaan van partijen altijd zijn hoofdverblijf bij de man gehad. Voor kinderen is continuïteit van hun situatie van belang. De rechtbank ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen wijziging van omstandigheden die maakt dat die continuïteit moet worden doorbroken en [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf bij de vrouw zou moeten krijgen. Het verzoek van de vrouw is enkel onderbouwd met financiële argumenten; zij stelt dat zij vanwege de wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] geen kgb en kinderbijslag meer zal ontvangen hetgeen financiële achteruitgang zal veroorzaken waarvan ook de kinderen hinder zullen ondervinden. De louter financiële argumenten die de vrouw ter onderbouwing van haar verzoek naar voren heeft gebracht acht de rechtbank, mede gezien het door de man gevoerde verweer, onvoldoende om tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] te komen. Ook anderszins is gesteld noch gebleken dat een wijziging in het hoofdverblijf in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is. Overigens wijst de rechtbank erop dat financiën in deze situatie niet hangen aan een hoofdverblijf. Partijen kunnen bij een co-ouderschap afspraken maken over wie de kinderbijslag en het kgb ontvangt; zoals hierna onder r.o. 4.4.11. is overwogen, hebben partijen daar tijdens de zitting voorlopige afspraken over gemaakt. Verder kan de vrouw, indien op haar adres geen minderjarige staat ingeschreven, bij co-ouderschap aanspraak maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
4.4.6.
Aan de orde zijn dan de verzoeken van partijen omtrent de zorgregelingen. Gelet op het vorenoverwogene zal het hoofdverblijf van [minderjarige 2] thans bij de man worden bepaald en blijft het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man. Aan een beoordeling van het verzoek van de vrouw om voor het geval [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf bij haar krijgt een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] vast te leggen, komt de rechtbank dan ook niet toe. Aan de orde is dan nog het verzoek van de vrouw om een zodanige zorgregeling te bepalen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren. Voorts is aan de orde het verzoek van de man om de zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 2] te wijzigen en te bepalen dat er tussen de vrouw en [minderjarige 2] geen zorgcontact plaatsvindt en te bepalen dat de regie ten aanzien van het contact bij de betrokken professionele hulpverlening ligt.
4.4.7.
Zoals eerder overwogen kunnen ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechtbank, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing daarover of een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.4.8.
Vaststaat dat er tussen de vrouw en [minderjarige 2] geen contact meer is zoals partijen dat hebben opgenomen in het ouderschapsplan, te weten een co-ouderschapsregeling. De vrouw en [minderjarige 2] zien elkaar om de week bij de karateles van [minderjarige 1] , alwaar [minderjarige 2] ook op karate zit, en zoals de vrouw heeft aangegeven voorts in de andere week op vrijdag bij het wisselmoment van [minderjarige 1] . Daarnaast hebben [minderjarige 2] en de vrouw af en toe WhatsApp contact. [minderjarige 2] heeft tijdens het kindgesprek aangegeven dat hij en zijn moeder als ze elkaar zien kort met elkaar spreken, waarbij er nooit ruzie of spanning tussen hen is. [minderjarige 2] wil geen week op week af regeling meer omdat dan de spanningen tussen hem en de vrouw te hoog oplopen; hij vindt het contact met de vrouw zoals dat er nu is prima. Hij wil geen verplichtingen.
Voorts staat vast dat ten aanzien van [minderjarige 1] wel de co-ouderschapsregeling zoals die in het ouderschapsplan is opgenomen wordt uitgevoerd. Er is hulpverlening bij partijen betrokken.
4.4.9.
Gelet op hetgeen tijdens de zitting en het kindgesprek naar voren is gekomen, zijn bij de rechtbank net als bij de Raad zorgen gerezen over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De Raad heeft tijdens de zitting geconcludeerd dat de kinderen klem zitten tussen partijen en heeft de rechtbank geadviseerd om de Raad te vragen het beschermingsonderzoek dat ten tijde van de zitting werd uitgevoerd, uit te breiden met het vraagstuk hoe de kinderen onbelast contact kunnen hebben met beide ouders. Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven in te kunnen stemmen met een Raadsonderzoek naar de zorgregelingen. Zoals de rechtbank tijdens de zitting heeft aangegeven, acht zij zich thans onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen op de verzoeken ten aanzien van de zorgregelingen. Zoals eveneens tijdens de zitting is aangekondigd, verzoekt de rechtbank de Raad daarom het reeds ingestelde beschermingsonderzoek uit te breiden met een onderzoek ter beantwoording van de volgende vraag:
- welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ?
en daarover te rapporteren en te adviseren.
4.4.10.
De Raad wordt verzocht zijn rapport en advies op de
familiekamerrol van [datum 2] 2026 of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen.
De zaak zal ten aanzien van de beslissing op de verzoeken ten aanzien van de zorgregelingen in afwachting van het rapport en advies van de Raad worden aangehouden.
kinderbijdrage
4.4.11.
De mondelinge behandeling is enige tijd onderbroken om partijen en hun advocaten in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot afspraken te komen. Na hervatting van de mondelinge behandeling hebben partijen te kennen gegeven dat zij voor de periode tot de uitkomst van het Raadsonderzoek voorlopige afspraken hebben gemaakt als volgt:
- partijen gaan regelen dat de vrouw hoofdaanvrager voor de kinderbijslag voor [minderjarige 1] wordt en de man hoofdaanvrager voor de kinderbijslag voor [minderjarige 2] , partijen ontvangen dan allebei kgb;
- de advocaten verstrekken elkaar over en weer binnen twee weken na de zitting de loonstroken van partijen over de maand januari 2026 zodat zij een en ander kunnen doorrekenen en met partijen kunnen bezien of er in onderling overleg afspraken over de kinderbijdrage kunnen worden gemaakt. Zij berichten de rechtbank dan over vier weken omtrent het door hen gewenste verdere procesverloop ten aanzien van de kinderbijdrage.
4.4.12.
Gelet op voornoemde voorlopige overeenstemming tussen partijen voor de periode tot de uitkomst van het Raadsonderzoek, zal de rechtbank de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage aanhouden en verwijzen - om reden dat de beschikking op een later tijdstip wordt afgegeven: anders dan tijdens de zitting is aangekondigd - naar de
familiekamerrol van [datum 2] 2026, zijnde twee weken na heden, voor het geval partijen naar aanleiding van deze beslissing omtrent het hoofdverblijf van de minderjarigen nog nadere afspraken omtrent de kinderbijdrage willen maken. Partijen zullen dan, conform hun afspraak, de rechtbank berichten over het gewenste verdere procesverloop ten aanzien van de kinderbijdrage.
4.4.13.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 18 mei 2020 en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan voor zover het de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] betreft als volgt:
- bepaalt het hoofdverblijf van [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, bij de man;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het verzoek van de vrouw strekkende tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Middelburg zijn ingestelde beschermingsonderzoek uit te breiden en een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven in r.o. 4.4.9. vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk op
de familiekamerrol van [datum 2] 2026bij de rechtbank dient te worden ingediend zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
houdt de beslissing over de zorgregelingen in afwachting van het rapport en advies van de Raad aan;
verwijst de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage, om reden als genoemd onder r.o. 4.4.12.
naar de
familiekamerrol van [datum 2] 2026;
houdt de beslissing over de kinderbijdrage in afwachting van het vorenstaande aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.