Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de GI.
1.Het verloop van de procedure
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI;
- de heer [begeleider] , werkzaam als ambulant begeleider en ggz-verpleegkundige bij [psychologenpraktijk] , (telefonisch gehoord).
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
De kinderrechter vindt de ondertoezichtstelling daarnaast noodzakelijk zodat bijgestuurd kan worden op het moment dat toch sprake is van een terugval of een situatie waarbij [minderjarige] en/of de moeder extra hulp en/of ondersteuning nodig hebben. Dit om zoveel mogelijk te voorkomen dat [minderjarige] wederom afglijdt. Gelet op de huidige (positieve) ontwikkeling en de duidelijke wens van [minderjarige] dat hij wil laten zien dat hij het kan, vindt de kinderrechter het belangrijk om vinger aan de pols te houden. Daarom zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling toewijzen voor de duur van zeven maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de pro forma datum van 2 oktober 2026. Alsdan zal een nieuwe zittingsdatum worden bepaald waarop het resterende deel van het verzoek zal worden besproken. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat [minderjarige] de positieve ontwikkeling vasthoudt en dat hij de samenwerking blijft aangaan met zowel de heer [begeleider] als met zijn psycholoog, mevrouw [psycholoog] , dan wel met andere door de GI noodzakelijk bevonden hulpverlening. Begin oktober zal een nieuwe zitting plaatsvinden, waarvoor [minderjarige] , de moeder, de GI en de Raad nog een oproepbrief zullen ontvangen. Ten behoeve van de nog nader te bepalen zitting verzoekt de kinderrechter de GI om hem uiterlijk één week voorafgaand aan die zitting schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen en verzoekt hij de Raad om zich alsdan uit te laten over de vraag of een ondertoezichtstelling nog langer nodig is. De kinderrechter sluit zich aan bij de door de Raad opgestelde doelen zoals omschreven in het raadsrapport (en hieronder weergegeven), met daarbij de kanttekening dat de noodzaak van de inzet van de trajecten zoals voorgesteld in de rapportage van de Raad eerst vanuit de verklarende analyse moet worden vastgesteld. Bij die overweging dient wat de kinderrechter betreft ook te worden betrokken in hoeverre de mogelijke uitkomst van die trajecten opweegt tegen de mogelijkheid dat de inzet van die trajecten zal leiden tot verzet, en daarmee ook stagnering van de (voorzichtige) positieve ontwikkeling en een mogelijke kentering daarvan.
- [minderjarige] maakt gezonde keuzes t.a.v. het gebruik van softdrugs;
- [minderjarige] weet om te gaan met zijn ADHD;
- [minderjarige] kan zijn emoties passend reguleren en uiten;
- [minderjarige] heeft heftige gebeurtenissen verwerkt;
- [minderjarige] heeft een dagbesteding;
- [minderjarige] heeft een vrije tijdbesteding;
- [minderjarige] heeft een stabiele vriendenkring;
- [minderjarige] komt niet in aanraking met politie en/of justitie;
- [minderjarige] ervaart duidelijkheid en structuur in de opvoedomgeving.
6.De beslissing
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.