ECLI:NL:RBZWB:2026:3591

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
C/02/444190 / FA RK 26-326
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming bijzondere curator bij geschil over zorg- en contactregeling minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vader tot wijziging van de zorg- en contactregeling met zijn minderjarige zoon, waarbij de moeder bezwaar maakte. De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar de hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder. Eerdere procedures en hulpverleningstrajecten hebben niet geleid tot herstel van het contact tussen vader en zoon.

Tijdens de zitting gaf de minderjarige aan open te staan voor contact met zijn vader, mits zijn zus meegaat, en wil hij zelf het initiatief houden bij het contact. De rechtbank constateerde een belangenstrijd tussen ouders en minderjarige en besloot een bijzondere curator te benoemen om de belangen van de minderjarige te behartigen en te onderzoeken wat in zijn belang is.

De bijzondere curator krijgt de opdracht om onder meer de wensen van de minderjarige te onderzoeken, de communicatie tussen ouders te beoordelen en te adviseren over mogelijke hulpverlening. De rechtbank houdt de zaak aan tot ontvangst van het verslag van de bijzondere curator, waarna verdere beslissingen worden genomen.

Uitkomst: De rechtbank benoemt een bijzondere curator voor de minderjarige en houdt de zaak aan in afwachting van diens verslag over de zorg- en contactregeling.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/444190 / FA RK 26-326
datum uitspraak: 31 maart 2026
beschikking betreffende wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. T. Möller te Tilburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr.J.C. Hissink te Tilburg,
betreffende de minderjarige:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, hierna: [minderjarige 1] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- het op 20 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 6 februari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de F9-formulieren van mr. Möller van 6 en 18 maart 2026 met bijlage(n);
- het F9-formulier van mr. Hissink van 18 maart 2026 met bijlage.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 11 maart 2026. Bij die behandeling zijn verschenen de man met mr. I.A.C. Cools, advocaat, namens mr. T. Möller. Ook zijn verschenen de vrouw met haar advocaat. Ook was er een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover op 9 maart 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum] 2017 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 18 mei 2017 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Tilburg.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en diens zus [minderjarige 2] geboren.
2.3
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarigen uit.
2.4
De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.5
Bij voornoemde beschikking van deze rechtbank van [datum] 2017 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarbij is bepaald dat het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. In dit ouderschapsplan zijn partijen, voor zover hier van belang, met elkaar overeengekomen dat de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot contact met elkaar eenmaal per veertien dagen (in de even weken) van zaterdagochtend 08.00 uur tot maandagochtend 08.00 uur. Daarnaast heeft de man om de week contact met de minderjarigen op dinsdagochtend van 08.00 uur tot woensdagochtend 08.00 uur in de oneven weken.
2.6
Bij beschikking van 19 juli 2024 heeft deze rechtbank aan de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen en om daarover te rapporteren en te adviseren. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de man en [minderjarige 1] (voorlopig) gerechtigd zijn tot het hebben van (video)belcontact tweemaal per week, zoals in die beschikking onder rechtsoverweging 5.5 is weergegeven. Bij nadere beschikking in deze zaak van 25 juni 2025 heeft de rechtbank de verzoeken van partijen over de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken afgewezen.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om,
Primair
Te bepalen dat de man en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot een zorg- en contactregeling op grond waarvan zij gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot zondagavond 19.00 uur, althans gedurende één dag per week op de zaterdag of de zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur, althans om een zodanige zorg- en contactregeling vast te stellen als de rechtbank rechtens juist acht;
Subsidiair
Partijen door te verwijzen naar de hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod.
3.2
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt om deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans om deze af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De standpunten

4.1
De man geeft allereerst aan dat zijn verzoek zich enkel richt op [minderjarige 1] . [minderjarige 2] is inmiddels 17 jaar en de man wil haar beslissing om geen contact met hem te hebben te respecteren. De man hoopt dat [minderjarige 2] op enig moment zelf de keuze maakt om het contact met haar vader te willen herstellen.
Gedurende de afgelopen jaren heeft er een gerechtelijke procedure bij deze rechtbank gelopen. De Raad adviseerde daarin aan de ouders om contact op te nemen met [hulpverlening] voor oudergesprekken en voor een contactherstel tussen de man en [minderjarige 1] . Daarbij werd er geen grond gezien voor een toewijzing van het verzoek van de vrouw om de man het recht op contact met [minderjarige 1] te ontzeggen. Voor de rechtbank stond voldoende vast dat er geen aanleiding was om de verzoeken van partijen aan te houden. De rechtbank heeft de verzoeken toen afgewezen.
De wens van [minderjarige 1] was om alleen videobelcontacten met de man te hebben.
Naar de mening van de man is de situatie opnieuw gewijzigd, nadat de beschikking in juni 2025 door de rechtbank is gewezen. Zo zouden de hulpverleningstrajecten in augustus 2025 worden opgestart. Echter is de man in de zomer van 2025 in een depressie geraakt. De oorzaak daarvan was gelegen in een combinatie van stress op het werk, in het missen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en in het moeten gebruiken van bepaalde medicatie. De aan de man voorgeschreven medicatie had depressieve klachten en suïcidale gedachten als bijwerking. Daarbij is het daadwerkelijk zover gekomen dat de man gepoogd heeft zijn leven te beëindigen. De man heeft toen de op te starten hulpverlening om die reden vlak voor de aanvang ervan geannuleerd. Spoedig daarna kreeg de man hiervan spijt. Echter bleek de vrouw niet meer bereid om de hulpverlening nog een kans te geven.
Inmiddels heeft de man de genoemde medicatie gestopt, voelt hij zich beter en heeft hij daar waar nodig nog gesprekken met een praktijkondersteuner.
Volgens de man is hij inmiddels drie jaar verstoken van contact met [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ). De man wil daarin graag verandering. Van videobellen is inmiddels geen sprake meer.
4.2
Volgens de vrouw ging het er in de eerder bij de rechtbank gelopen procedure om dat [minderjarige 1] geen druk van de man zou mogen ervaren. Uit het destijds opgemaakte raadsrapport bleek dat [minderjarige 1] niet naar zijn vader wilde omdat de man moeilijk kan aansluiten bij zijn kinderen en dat daarin geen sprake is van onwil, maar van onmacht. De vrouw heeft er geen vertrouwen meer in dat zich daarin nog een positieve verandering zal gaan voordoen, gezien alle hulpverleningstrajecten die er tot nu toe tevergeefs zijn ingezet..
Laatstelijk is er na het gereedkomen van de beschikking in de eerdere procedure nog hulpverlening gezocht en is er een plan van aanpak opgesteld. Uiteindelijk is die hulpverlening niet van de grond gekomen omdat deze door de man werd stopgezet. De vrouw wenst hierbij te benadrukken dat de suïcidepoging van de man en diens opname daarna bij haar en de kinderen destijds veel paniek heeft veroorzaakt.
Even daarna, op 4 augustus 2025, ontving de vrouw van de man het door haar als productie 4 overgelegde (zorgelijke) bericht, waarmee haar zorgen zeker niet werden weggenomen.
De vrouw betwist dat er sprake zou zijn van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan nu aangenomen zou kunnen worden dat een herstel van fysiek contact wel mogelijk zou zijn. Naar de mening van de vrouw is dit alleen maar verder uit beeld geraakt en is dat geheel op de conto van de man te schrijven.
De vrouw merkt op dat al eerder is vastgesteld dat zij geen obstakel vormt voor [minderjarige 1] om contact met zijn vader te zoeken. Volgens de vrouw is dit ook gebleken toen [minderjarige 1] rond afgelopen Kerst ineens aangaf met zijn vader te willen bellen. Er hebben toen op zijn initiatief twee belcontacten plaatsgehad.
Echter wenste de man direct na deze twee contacten vaste afspraken te maken en diende hij onderhavig verzoek in, terwijl [minderjarige 1] juist niet onder druk moest worden gezet. Daarbij acht de vrouw zorgelijk dat de man [minderjarige 1] tijdens de twee belcontacten leek te overhoreno.

5.De beoordeling

5.1
De rechtbank oordeelt als volgt. Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen, indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.2
Op zitting is gebleken dat tussen partijen niet meer in geschil is of er sprake is van gewijzigde omstandigheden, zodat de rechtbank wat dat betreft toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. De vrouw heeft ter zitting haar verweer hierover laten vallen.
5.3
De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 Burgerlijk Wetboek BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven. Gebleken is dat partijen verdeeld blijven over de zorgregeling.
Wel zijn zij het met elkaar eens geworden om te onderzoeken of voor [minderjarige 1] een kindbehartiger kan worden aangesteld of dat een bijzondere curator meer aangewezen zou zijn, alwaar [minderjarige 1] kenbaar kan maken wat er bij hem leeft.
5.4
Tijdens het gesprek dat de kinderrechter met [minderjarige 1] heeft gehad, is gebleken dat hij open staat voor (fysieke) contacten met zijn vader maar alleen als [minderjarige 2] met hem meegaat. Ook staat [minderjarige 1] open om zijn vader geregeld te bellen, om via die weg contact met hem te gaan hebben. [minderjarige 1] wil daarin het initiatief kunnen hebben. Daarom lijkt er bij [minderjarige 1] (enige) ruimte aanwezig voor contactherstel met de man. Op zitting verklaart de Raad het aanstellen van een kindbehartiger of een bijzondere curator in het belang van [minderjarige 1] te ondersteunen.
5.5
Op zitting is gebleken dat vanuit Toegang Tilburg nog een beschikking jeugdhulp lopende is tot in juli 2026, waarvan nog gebruik zou kunnen worden gemaakt. Met de advocaat van de man is afgesproken dat deze de rechtbank na afloop van de zitting binnen één week hierover nader zal informeren. Met de advocaat van de vrouw is afgesproken dat deze uiterlijk binnen twee weken hierop een reactie zal geven.
5.6
Uit de nagekomen brief van de advocaat van de man van 18 maart 2026 blijkt dat er contact is gezocht met De Gezinsmanager. Naar de mening van de man heeft De Gezinsmanager alles in huis om [minderjarige 1] en de ouders te gaan begeleiden. De man acht het inzetten van De Gezinsmanager daarom opportuun en in het belang van [minderjarige 1] .
De man verzoekt de rechtbank daarom om [minderjarige 1] en partijen door te verwijzen naar
De Gezinsmanager. Volgens de man zal het hulpverleningstraject daar – conform hetgeen op zitting is besproken – in eerste instantie bestaan uit het inschakelen van een kindbehartiger. Welke hulpverlening er daarna eventueel wordt ingezet, zal afhankelijk zijn van het standpunt en de visie van De Gezinsmanager. Mocht de rechtbank alsnog besluiten om een bijzondere curator aan te stellen, verklaart de man om die beslissing te zullen respecteren en dat hij daaraan zijn volledige medewerking zal verlenen.
5.7
De vrouw laat, in reactie op de brief van 18 maart 2026 en refererend aan de zitting van 11 maart 2026, weten dat [minderjarige 1] behoefte heeft aan iemand met wie hij kan praten. Ook door de Raad werd onderschreven dat [minderjarige 1] in dat opzicht comfort moet worden geboden. Dat kan óf via de inzet van een kindbehartiger óf via de inzet van een bijzondere curator zijn, aldus de rechtbank. Naar de mening van de vrouw zullen in elk geval de wens en het tempo van [minderjarige 1] leidend moet zijn en blijven, conform de eerdere beschikking. Voor de vrouw is het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat er opnieuw een hulpverleningstraject gaat worden doorlopen. Uit het door de advocaat van de man bijgevoegde bericht van De Gezinsmanager blijkt volgens de vrouw dat daar het gehele traject opnieuw van voren af aan zou moeten worden doorlopen en dat aan de hand van een nog vast te stellen hulpvraag er opnieuw financiering kan worden aangevraagd. Het regelen van enkel een kindbehartiger via De Gezinsmanager is niet mogelijk. De voorkeur van de vrouw gaat daarom uit naar het benoemen van een bijzondere curator.
5.8
Nu de vrouw niet open staat voor een hulpverleningstraject bij De Gezinsmanager, acht de rechtbank het laten aanstellen van een kindbehartiger via die weg geen optie.
De rechtbank zal dan ook een bijzondere curator benoemen, waarmee de vrouw kan instemmen en waarmee de man zich kan verenigen.
5.9
Artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige terzake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
5.1
Gebleken is dat zich in deze procedure met betrekking tot de minderjarige een belangenstrijd in de zin van voormeld artikel voordoet, welke strijd zich toespitst op
de zorg- en contactregeling van de minderjarige met de vader.
De ouders blijken niet in staat onderling een overeenstemming daarover te bereiken, daarbij rekening houdend met de geuite wensen van de minderjarige, zodat er sprake is van een strijd tussen het belang van de ouders en het belang van de minderjarige.
5.11
De rechtbank acht het dan ook in het belang van de minderjarige dat een bijzondere curator
- zijn belangen behartigt,
- en kan bezien in hoeverre een wijziging van de zorg- en contactregeling in het belang van de minderjarige moet worden geacht,
- tracht inzicht te krijgen in de oorzaak van de weerstand, die de minderjarige heeft ten opzichte van (het contact met) de /vader.
Daarnaast acht de rechtbank het geraden dat de bijzondere curator adviseert over de ontwikkelperspectieven, die in het belang van de minderjarige zijn met het oog op zijn toekomst.
5.12
Mr. D. de Vos, advocaat en mediator, kantoorhoudende te Bergen op Zoom, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door de rechtbank worden benoemd. Voor de duur van de procedure (in eerste aanleg) dient de bijzondere curator de belangen van de minderjarige te behartigen.
5.13
De bijzondere curator dient te onderzoeken
- of het belang van de minderjarige gediend is met een wijziging van de contactregeling met zijn vader;
- wat de mogelijkheden voor contact tussen de minderjarige en zijn vader zijn voor de toekomst;
- hoe de communicatie tussen de ouders verloopt en indien deze voor verbetering vatbaar is, op welke wijze dit kan worden bewerkstelligd;
- indien sprake is van een slechte communicatie, welk effect dit heeft op de minderjarige;
- wat de werkelijke wensen en behoeften zijn van de minderjarige ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en of het verzoek van de vader op dit onderdeel in het belang is te achten van de minderjarige;
-waarin de weerstand, die de minderjarige heeft ten opzichte van (het contact met) zijn vader, is gelegen. Ook dient de bijzondere curator te onderzoeken of er nu of in de toekomst mogelijkheden zijn voor contacten tussen de minderjarige en de vader. Indien dit mogelijk is, zou de bijzondere curator de minderjarige kunnen ondersteunen bij het hervatten van dit contact.
5.14
Verder kan de bijzondere curator in kaart brengen wat de minderjarige nodig heeft om uit het loyaliteitsconflict, waarin hij kennelijk verkeert, te komen en niet langer last te hebben van de onderlinge strijd, waarin de ouders verkeren.
5.15
Indien de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, dan staat het deze eveneens vrij om een advies uit te brengen over de benodigde hulpverlening ten behoeve van de minderjarige.
5.16
Ook dient de bijzondere curator te onderzoeken of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort.
5.17
Indien de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, kan deze de minderjarige in rechte vertegenwoordigen en met betrekking tot het verzoek een advies aan de rechtbank uitbrengen in de vorm van een verslag van bevindingen. Desgewenst kan de bijzondere curator als vertegenwoordiger van de minderjarige een zelfstandig verzoek indienen.
5.18
De bijzondere curator wordt verzocht gesprekken te voeren met
de minderjarige, de moeder en de vader individueel en bij voorkeur ook met de ouders gezamenlijk ofwel de ouders en de minderjarige gezamenlijk.
Daarnaast verzoekt de rechtbank de bijzondere curator een gesprek te voeren met de zus van de minderjarige.
De bijzondere curator wordt tevens in overweging gegeven gesprekken te voeren met de mentor van de school.
5.19
Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen, die informatie over de minderjarige kunnen verschaffen.
5.2
De rechtbank wijst de ouders er op dat deze de verplichting hebben om aan de door de bijzondere curator te geven instructies gevolg te geven.
5.21
Tot slot verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek in acht te nemen.
5.22
Dit brengt mee dat als volgt wordt beslist. Daarbij behoudt de rechtbank zich iedere verdere beslissing voor.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
benoemt – met inachtneming van het hiervoor overwogene – over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016 tot bijzondere curator:
Mr. D. de Vos, advocaat en mediator, kantoorhoudende te Bergen op Zoom,
6.2
verzoekt de bijzondere curator binnen acht weken na heden aan de rechtbank schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen;
6.3
houdt de zaak aan tot
dinsdag, 26 mei 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van voornoemd verslag;
6.4
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026, in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.