Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3579

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
C/02/440767 / FA RK 25-5249
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en kosten studie na echtscheiding met drie minderjarige kinderen

Partijen zijn ex-echtgenoten met drie minderjarige kinderen, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Na hun echtscheiding in 2020 was een zorgregeling overeengekomen, die in 2021 werd aangepast met extra overnachtingen bij de vader. In augustus 2025 wijzigde de moeder de zorgregeling eenzijdig zonder instemming van de vader.

De vader verzocht de rechtbank om de zorgregeling te wijzigen naar een week-om-week regeling met wisseldag op maandag, en om een bijdrage in de studiekosten van de oudste dochter. De moeder verzocht de rechtbank de vader een bijdrage te laten betalen voor de dansopleiding van de oudste dochter en de kosten van de kinderen conform het ouderschapsplan.

De rechtbank constateerde een relevante wijziging van omstandigheden, met name door de dansopleiding van de oudste dochter en het feit dat de moeder de zorgregeling eenzijdig had aangepast. De rechtbank oordeelde dat de regeling voor de twee jongste kinderen grotendeels ongewijzigd moest blijven, omdat deze goed verliep en in het belang van de kinderen was. Voor de oudste dochter werd de zorgregeling aangepast conform haar wens en belangen.

De rechtbank wees het verzoek tot bijdrage in de studiekosten af wegens gebrek aan juridische grondslag, maar benadrukte dat partijen zich aan het ouderschapsplan moeten houden. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De zorgregeling wordt aangepast in het belang van de kinderen, waarbij de oudste dochter één keer per twee weken bij de vader verblijft en de jongste twee kinderen een regeling met zes overnachtingen per twee weken behouden; het verzoek tot bijdrage in studiekosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/440767 / FA RK 25-5249
datum uitspraak: 31 maart 2026
beschikking betreffende wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Bredius te Gorinchem,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw
,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.J.M. van Gent te Zaltbommel.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 13 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van 17 oktober 2025 van mr. Bredius;
- het F9-formulier van 28 oktober 2025 van mr. Van Gent;
- het op 13 februari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van 23 februari 2026 van mr. Bredius.
1.2
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad.
1.3
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover beide een brief gestuurd naar de kinderrechter. Ook [minderjarige 3] heeft een brief gestuurd naar de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben hier vervolgens op kunnen reageren.
2. De feiten
2.1
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van [datum] 2020 is de echtscheiding van partijen uitgesproken, welke op 25 januari 2021 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2
Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014, hierna te noemen [minderjarige 1] ;
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2015, hierna te noemen [minderjarige 2] ;
-
[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2018, hierna te noemen [minderjarige 3] .
2.3
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en
[minderjarige 3] .
2.4
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.5
Partijen zijn een ouderschapsplan overeengekomen op 27 oktober 2020. In de eerder genoemde beschikking van [datum] 2020 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant bepaald dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- éénmaal per twee weken in de even weken van vrijdag uit school (de man haalt de kinderen op) tot maandagochtend (de man brengt de kinderen naar school);
- elke dinsdag vanuit school (de man haalt de kinderen op) tot woensdagochtend (de man brengt de kinderen naar school);
- in de oneven weken op donderdagmiddag van 16.30 uur tot 18.30 uur.
Ook is bepaald dat de onderlinge regelingen van het ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
2.6
Daarna hebben partijen in 2021 onderling afspraken gemaakt, die afwijken van het ouderschapsplan, namelijk dat de kinderen één extra nacht (van één overnachting naar twee overnachtingen per week) bij de man zouden verblijven. De zorgregeling is vervolgens op de voorgenoemde wijze uitgevoerd tot 18 augustus 2025.
2.7
Met ingang van 18 augustus 2025 heeft de vrouw, zonder instemming van de man, de zorgregeling aangepast als volgt:
- [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven eenmaal per twee weken van woensdag 17.00 uur tot maandagochtend voor school bij de man, waarbij de man de kinderen op woensdag bij de vrouw ophaalt en op maandagochtend naar school toe brengt;
- [minderjarige 1] verblijft eenmaal per veertien dagen een weekend bij de man van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur, waarbij de man [minderjarige 1] op vrijdag ophaalt bij het busstation en de man [minderjarige 1] terugbrengt naar de vrouw.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van deze rechtbank van [datum] 2020 en het ouderschapsplan van 27 oktober 2020, en de afspraken voor wat betreft de zorgregeling van 15 september 2022 te wijzigen, en de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen:
Primair:een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij de drie kinderen een week per veertien dagen bij de man zijn, waarbij de wisseldag plaatsvindt op maandag na school.
Subsidiair:een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij de twee jongste kinderen de ene week van woensdag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de man verblijven, alsmede de andere week van woensdag uit school tot en met vrijdag naar school en ten aanzien van [minderjarige 1] een regeling inhoudende dat [minderjarige 1] van vrijdag uit school tot zondagavond 20.00 uur eenmaal per veertien dagen bij de man verblijft, alsmede iedere week een dag na school tot na het avondeten.
3.2
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen. Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de vrouw:
I. een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, waarbij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de man zullen verblijven gedurende:
- eenmaal per twee weken van woensdag 17.00 uur tot maandagochtend voor school, waarbij de man de kinderen op woensdag bij de vrouw zal ophalen en op maandagochtend naar school zal toebrengen, dan wel tot zondagavond, waarbij de man de kinderen op zondag bij de vrouw zal terugbrengen;
II. een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij [minderjarige 1] bij de man zal verblijven gedurende:
- eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur waarbij de man [minderjarige 1] bij het busstation zal ophalen en de man [minderjarige 1] bij de vrouw zal terugbrengen;
III. te bepalen dat de man aan de vrouw zal voldoen het bedrag ter hoogte van € 1.650,- terzake de dansopleiding van [minderjarige 1] alsmede te bepalen dat de man gehouden is bij te dragen in de kosten van de kinderen conform partijen zijn overeengekomen in het ouderschapsplan en wel in het bijzonder in artikel 3.15.

4.De standpunten

4.1
Door en namens de man is het volgende naar voren gebracht. De vrouw heeft vanaf augustus 2025 eenzijdig de zorgregeling gewijzigd en is niet meer bereid om de zorgregeling die partijen al sinds 2021 hebben afgesproken en uitvoerden, nog na te komen. Dit terwijl uit het raadsrapport van 23 juni 2025 volgt dat het goed gaat met de kinderen en dat de kinderen het zowel bij de vader als bij de moeder fijn hebben. Er was dus geen noodzaak voor de vrouw om de regeling eenzijdig aan te passen, aangezien deze naar behoren verliep. De man heeft geprobeerd overeenstemming te bereiken met de vrouw, maar dit is niet mogelijk. Ook heeft de vrouw zonder overleg met de man de kinderen op de dinsdag op sport gedaan, terwijl dit de dag was dat de kinderen bij hem waren. Er is verder overleg geweest met de Raad en Wijkteam gemeente Altena over de spanningen tussen partijen. Hieruit volgde het advies dat er tijdens de overdrachtsmomenten zo min mogelijk contact moet zijn tussen partijen. De man verzoekt daarom de wisselingen plaats te laten vinden via school.
De man geeft daarbij aan dat de regeling voor [minderjarige 1] wel gewijzigd kan worden, omdat haar situatie is veranderd. Zij volgt namelijk een nieuwe opleiding in [plaats] . Als het wisselmoment voor [minderjarige 1] op maandag wordt bepaald, dan zal hiermee de onrust die [minderjarige 1] nu ervaart op zondag over het op tijd terug zijn naar de vrouw, worden weggenomen. [minderjarige 1] kan daarnaast zelf met de bus vanuit de man naar school gaan. Dit betreft dezelfde buslijn die [minderjarige 1] vanaf de vrouw naar de school neemt. De man wil graag voor de kinderen zorgen en zijn vaderrol meer invullen, zoals hij dat altijd heeft gedaan. Wel wil de man de planning van de kinderen op de dagen dat zij bij hem zijn, zelf in de hand hebben.
Nu dit niet het geval is, spreekt [minderjarige 3] niet af met vrienden als zij bij de man is. De man verzoekt nu om de kinderen de ene week bij de man te laten verblijven en de andere week bij de vrouw en een contactmoment in de week dat de kinderen bij de andere ouder zijn. De man verzoekt het zelfstandig verzoek van de vrouw af te wijzen, aangezien er geen wettelijke grondslag is voor dit verzoek. Hij heeft weliswaar ingestemd met het volgen van deze opleiding, maar partijen hebben nooit afspraken gemaakt over de kosten van de opleiding van [minderjarige 1] . De man meent dat er mogelijkheden zijn om deze kosten te dekken via tegemoetkomingen of het kindgebonden budget.
4.2
Door en namens de vrouw is het volgende naar voren gebracht. De afspraken die partijen overeenkwamen in 2021, waren bedoeld als tijdelijke afspraken. De kinderen gaven op enig moment aan de regeling niet langer prettig te vinden, waardoor de vrouw sinds begin 2023 de tijdelijke afspraken probeert terug te draaien. De man wenste hier niet aan mee te werken. In de regeling, die sinds 2021 werd uitgevoerd, waren veel wisselmomenten en dit zorgde voor onrust. De wijkagent heeft met Veilig Thuis aan partijen geadviseerd om de fysieke contactmomenten tussen ouders zoveel mogelijk te beperken. De vrouw heeft geprobeerd om tot een (vier)gesprek te komen, maar het lukt niet om tot een oplossing te komen over de regeling. De vrouw heeft de zorgregeling daarom op 18 augustus 2025, zonder instemming van de man, aangepast naar de regeling die zij nu zelfstandig verzoekt. Deze is volgens de vrouw in het belang van de kinderen. De regeling verloopt momenteel goed. Er is veel meer rust voor iedereen en de kinderen gaan met meer plezier naar de man. De kinderen geven verder aan dat zij liever op de zondagavond terugkeren naar de vrouw. Momenteel wordt [minderjarige 1] onrustig op zondag, omdat de man haar te laat terugbrengt naar de moeder. Ten aanzien van [minderjarige 2] stemt de vrouw ermee in dat hij op woensdag vanuit school naar de man gaat, nu [minderjarige 2] dat zelf graag wil. Verder draagt de vrouw momenteel de taken rondom de hobby’s, het huiswerk en andere afspraken van de kinderen, omdat de man dit weigert uit te voeren. Zo kan [minderjarige 3] tot nu toe niet bij de man spelen met haar vrienden vanuit school. De vrouw wil deze taken echter samen met de man uitvoeren. Nu dit momenteel niet mogelijk blijkt te zijn, heeft de vrouw meer tijd met de kinderen nodig om hierin te kunnen voorzien. Het voorstel van de vrouw zorgt voor een kwalitatieve betere invulling van de omgang tussen de man en de kinderen, zorgt voor meer rust voor de kinderen om activiteiten te doen en zorgt voor minder wisselmomenten en daardoor minder fysiek contact tussen partijen. De vrouw geeft aan dat de regeling die de man verzoekt feitelijk niet uitvoerbaar is ten aanzien van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] kan namelijk niet naar school reizen vanaf de man met het openbaar vervoer en de man kan haar niet brengen naar een bushalte, omdat hij de andere kinderen naar school moet brengen. Ook is de regeling die de man verzoekt niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , omdat het sociale leven van de kinderen zich in de woonplaats van de vrouw bevindt en de vrouw de zorgtaken voor de kinderen draagt. Het is verder niet mogelijk om de wisselmomenten op school plaats te laten vinden, omdat de kinderen veel spullen mee moeten nemen, zoals instrumenten.
Verder draagt de vrouw momenteel de kosten voor de kinderen alleen. De man laat na om de factuur voor de dansopleiding voor [minderjarige 1] te voldoen. Beide ouders hebben echter toestemming gegeven voor het starten van de opleiding. De vrouw wil daarom dat de man een bijdrage voor de factuur voor de dansopleiding voldoet. Ook wil zij dat de man bijdraagt in de bijzondere kosten van de kinderen, zoals ook in het ouderschapsplan onder artikel 3.15 is opgenomen.
4.3
[minderjarige 1] geeft in haar brief aan de kinderrechter aan dat zij één keer per twee weken vanaf vrijdag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij de man wil verblijven. Zij wil graag om 19.00 uur worden teruggebracht naar de vrouw, zodat zij zich klaar kan maken voor school de volgende dag. [minderjarige 1] moet namelijk vroeg opstaan voor school. Verder geeft [minderjarige 1] aan dat zij blij is met de kleding en de kamer die zij bij de man heeft. Bij de vrouw is alles helemaal prima.
[minderjarige 2] geeft in zijn brief aan de kinderrechter aan dat hij graag op woensdagmiddag uit school naar de man wil. Ook wil hij graag dat het beter gaat tussen zijn ouders. Verder geeft [minderjarige 2] aan dat hij een eigen kamer en een konijn wil bij de man.
[minderjarige 3] geeft aan dat zij van vrijdag tot zondag bij de man wil verblijven en de andere dagen bij de vrouw wil zijn.
4.4
De Raad geeft aan dat er in juni 2025 een raadsonderzoek is uitgevoerd, waaruit volgde dat de kinderen de regeling, zoals die op dat moment verliep, prima vonden. Ook vertoonden of kwamen er via de kinderen geen signalen dat de regeling te druk of te ingewikkeld was. Vervolgens heeft de Raad geadviseerd om niets te veranderen aan de zorgregeling of naar de rechtbank te gaan, indien partijen er samen niet uit zouden komen. De vrouw heeft de zorgregeling echter eenzijdig aangepast, De Raad heeft daar moeite mee. Nu geven [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan dat de regeling, zoals deze momenteel wordt uitgevoerd, goed verloopt. De Raad acht het belangrijk dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] veel tijd bij beide ouders zijn. Daarbij is het ook van belang dat partijen de taken rondom de kinderen onderling verdelen. De Raad vindt het lastig om te adviseren over een zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en onthoudt zich daarom van advies. Mogelijk kan de Raad onderzoek doen en een advies geven over een passende regeling. De situatie van [minderjarige 1] moet hiervan worden losgekoppeld, omdat haar situatie is veranderd vanwege haar opleiding. Tijdens het onderzoek van de Raad gaf [minderjarige 1] al aan dat zij liever enkel in het weekend bij de man wilde zijn. [minderjarige 1] heeft het namelijk druk met haar opleiding en woont ver van school. De Raad adviseert daarom de wens van [minderjarige 1] hierin te volgen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op basis van het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 1:377e BW kan de rechtbank een bestaande zorgregeling wijzigen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens.
Wijziging van omstandigheden
5.2
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Al langere tijd wordt er geen uitvoering gegeven aan de zorgregeling, zoals deze is bepaald bij beschikking van deze rechtbank van [datum] 2020. Daarnaast volgt [minderjarige 1] inmiddels een dansopleiding in [plaats] .
Wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
5.3
Op grond van artikel 1:253a lid 5 BW beproeft de rechtbank, voordat zij een beslissing neemt over het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, een vergelijk tussen de ouders. Gebleken is dat het partijen niet lukt om overeenstemming te bereiken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
5.4
De rechtbank constateert dat in het rapport van de Raad van juni 2025 is geadviseerd aan partijen om de zorgregeling, zoals deze destijds werd uitgevoerd door partijen, niet te wijzigen, indien partijen daar geen overeenstemming over bereiken. Indien partijen toch de zorgregeling zouden willen wijzigen, heeft de Raad geadviseerd om een verzoek te doen bij de rechtbank. In augustus 2025, twee maanden na het advies van de Raad, heeft de vrouw toch het heft in eigen handen genomen en heeft zij de zorgregeling eenzijdig, zonder de toestemming van de man, gewijzigd. De vrouw heeft naar voren gebracht waarom zij de regeling ten aanzien van [minderjarige 1] heeft gewijzigd, namelijk dat [minderjarige 1] op dat moment zou beginnen aan een intensieve dansopleiding, waarbij [minderjarige 1] elke dag met het openbaar vervoer naar [plaats] moet gaan. Ten aanzien van de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] was er echter naar het oordeel van de rechtbank geen enkele noodzaak voor de vrouw om deze eenzijdig te wijzigen. Indien de vrouw daar wel een noodzaak toe zag, had de vrouw daar een procedure voor moeten starten bij de rechtbank, indien het partijen niet zou lukken om overeenstemming te bereiken over de regeling. Dit volgt ook uit het advies dat de Raad twee maanden daarvoor heeft gegeven.
5.5
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld waaruit blijkt dat er nu van het wekelijks contact tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zou moeten worden afgeweken. De rechtbank zal dan ook bij het wijzigen van de zorgregeling zoveel mogelijk aansluiten bij de regeling, zoals deze tussen partijen werd uitgevoerd van 2021 tot augustus 2025, ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Raad heeft in juni 2025 geconstateerd dat de regeling goed verliep, dat er geen directe zorgen zijn rondom het functioneren van de kinderen en dat zij deze regeling als prettig ervaarden. Ook zijn er vanuit andere informanten, waaronder school, geen signalen gekomen van spanningen bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] als gevolg van de regeling. De regeling hield in dat er in totaal over een cyclus van twee weken zes overnachtingen waren bij de man, namelijk vrijdag tot en met maandagochtend één keer in de twee weken en elke week op dinsdag en woensdag een overnachting. Doordat het primaire verzoek van de man meer overnachtingen betreft in een cyclus van twee weken, namelijk zeven overnachtingen, zal de rechtbank dit verzoek van de man afwijzen. Tevens acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dat er zo min mogelijk contact is tussen partijen tijdens overdrachtsmomenten. Uit de stukken en op de zitting blijkt namelijk dat er tijdens de overdracht spanningen ontstaan en dat het partijen niet lukt om de omgangsmomenten buiten school om zo neutraal mogelijk te laten plaatsvinden.
5.6
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] als volgt wijzigen. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zullen in de ene week op woensdag vanuit school, zoals [minderjarige 2] dat heeft gevraagd, tot en met maandagochtend naar school bij de man verblijven. In de andere week zullen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van woensdag uit school tot donderdag naar school bij de man verblijven. Met deze regeling zijn er in totaal zes overnachtingen bij de man in een cyclus van twee weken, zoals bij de eerdere regeling ook het geval was. Indien het nodig is dat er spullen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] mee moeten naar de man, dan kan de man deze spullen bij de vrouw ophalen nadat hij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op school heeft opgehaald. Van de vrouw wordt dan verwacht dat deze spullen klaar staan. Op deze manier is er zo min mogelijk fysiek contact tussen partijen. Verder wil de rechtbank benadrukken dat als [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de man verblijven, het van groot belang is dat de man ruimte maakt voor (sociale) activiteiten van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , zoals het afspreken met vrienden of sport. De rechtbank verwacht van de man dat hij zich hierin flexibel opstelt en de kinderen in staat stelt om deze activiteiten ook bij hem te blijven uitoefenen.
5.7
Aangezien er bij [minderjarige 1] sprake is van een andere situatie dan bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , zal de rechtbank de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] als volgt wijzigen. Gelet op het drukke programma van [minderjarige 1] vanwege haar dansopleiding en de uitdrukkelijke wens van [minderjarige 1] vanuit haar brief, acht de rechtbank het in haar belang om de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat zij een keer per twee weken van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij de man zal verblijven. [minderjarige 1] heeft daarbij aangegeven dat zij op zondag tot uiterlijk 19.00 uur weer terug bij de vrouw wil zijn, gelet op het vroege tijdstip waarop zij de volgende dag naar school moet en zodat zij zich goed kan voorbereiden op haar schoolweek. De rechtbank kan zich vinden in deze wens van [minderjarige 1] . De rechtbank verwacht daarbij dat de man ervoor zorgt dat [minderjarige 1] bij de man komt vanuit school, namelijk dat ze zelf met het openbaar vervoer naar de man gaat of dat de man haar ophaalt. Daarnaast brengt de man [minderjarige 1] met haar spullen op zondag weer naar de vrouw.
Kosten opleiding [minderjarige 1] en kosten conform artikel 3.15 van het ouderschapsplan
5.8
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw onder III oordeelt de rechtbank dat er geen juridische grondslag is voor dit verzoek, wat maakt dat het verzoek op dit punt zal worden afgewezen. Dit laat echter onverlet dat partijen zich nog steeds dienen te houden aan hetgeen zij zijn overeengekomen over de kosten in het ouderschapsplan, waaronder hetgeen is vastgelegd in artikel 3.15 van het ouderschapsplan.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Proceskosten
5.1
Nu partijen ex-echtgenoten zijn en het geschil betrekking heeft op hun beider kinderen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
wijzigt de in de beschikking van [datum] 2020 opgenomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt dat de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voortaan gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt:
- in de ene week op woensdag uit school tot en met maandagochtend naar school;
- in de andere week van woensdag uit school tot donderdag naar school.
6.2
wijzigt de in de beschikking van [datum] 2020 opgenomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt dat de man en [minderjarige 1] voortaan gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt:
- een keer per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur.
6.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.