Art. 7:671 lid 1 BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 lid 8 BWArt. 7:677 lid 1 BWArt. 7:678 lid 1 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontslag op staande voet wegens contact met collega niet rechtsgeldig verklaard
Werknemer trad op 6 mei 2025 in dienst bij Timing Bemiddeling op basis van een uitzendovereenkomst en werd uitgeleend aan DHL. Na meldingen van ongewenst contact met een collega-manager, verbood Timing werknemer contact te zoeken met deze collega. Op 30 oktober 2025 werd werknemer non-actief gesteld en ontslagen op staande voet wegens het negeren van dit verbod.
Werknemer betwistte de dringende reden voor ontslag en stelde dat het contact uit emotie was ontstaan na de non-actiefstelling. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet een uiterst middel is en dat alle omstandigheden, ook die vóór 30 oktober 2025, moeten worden meegewogen. De stelling van wederzijdse avances werd niet bewezen, en hoewel het sturen van hartjes door de manager ongepast was, vormde dit geen dringende reden.
De kantonrechter vond dat de misstap van werknemer onvoldoende zwaarwegend was voor ontslag op staande voet en dat een minder ingrijpende maatregel passend was geweest. Omdat het ontslag niet rechtsgeldig was, werd het vernietigd en werd Timing veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging, transitievergoeding, vakantiegeld, incassokosten en proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven en werkgever is veroordeeld tot betaling van diverse vergoedingen en proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 12022854 \ AZ VERZ 25-78
Beschikking van 30 april 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. S. Bocu,
tegen
TIMING BEMIDDELINGSDIENSTEN B.V.,
te Apeldoorn,
verwerende partij,
hierna te noemen: Timing,
vertegenwoordigd door de bij haar werkzame jurist mr. R. Shawket.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 18 december 2025 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties 1 tot en met 12;
- het verweerschrift met producties 1 en 2;
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2.De feiten
2.1.
[werknemer] is op 6 mei 2025 in dienst getreden van Timing op basis van een uitzendovereenkomst. Op 7 juli 2025 is het dienstverband verlengd tot en met 31 december 2025. [werknemer] is door Timing uitgeleend aan DHL Supply Chain [plaats 2] , hierna: DHL.
2.2.
Op 27 juni 2025 heeft [werknemer] de heer [manager] , manager operations bij DHL, gemeld dat zij hem leuk vond en hem gevraagd wat hij van haar vond.
2.3.
Vervolgens heeft [werknemer] een aantal gesprekken gehad met Timing en DHL. Aan [werknemer] is gemeld dat zij geen contact meer mocht zoeken met [manager] .
2.4.
Op 30 oktober 2025 is [werknemer] op non actief gesteld.
2.5.
Bij brief van 31 oktober 2025 heeft Timing [werknemer] op staande voet ontslagen. In de brief staat:
“Beste [werknemer] ,
Naar aanleiding van contact met onze opdrachtgever DHL Supply Chain [plaats 2] berichten wij jou als volgt.
Situatie
Jij bent sinds 07 juli 2025 via Timing werkzaam bij DHL Supply Chain [plaats 2] .
Op 30 oktober 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen jou, DHL en Timing. Tijdens dit gesprek is aangegeven dat jouw opdracht bij DHL wordt beëindigd. Tevens is nogmaals benadrukt dat het niet is toegestaan contact op te nemen met de collega die jij meermaals ongepast en ongevraagd berichten stuurt, zoals eerder ook besproken tijdens het gesprek met DHL op 8 september 2025.
Ten aanzien van het bovenstaande heb jij op 30 oktober 2025 om 16:17 uur per mail een officiële waarschuwing ontvangen, waarin is aangegeven dat wanneer jij nogmaals contact zou zoeken met de betreffende collega, jij op staande voet wordt ontslagen. Voorafgaand aan deze waarschuwing per mail is er ook een telefonisch contact geweest, waarin de situatie en de waarschuwing mondeling is toegelicht.
Gebleken is dat jij op 30 oktober 2025 om 16:28 uur de collega direct weer hebt benaderd via “Linkedin Messages” en op 31 oktober om 00.33 nogmaals.
Je krijgt hiervoor ontslag op staande voet
(…)”
3.Het verzoek en het verweer
3.1.
[werknemer] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
- een verklaring voor recht dat is opgezegd in strijd met artikel 7:671 lid 1 BWPro,
- Timing te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een billijke vergoeding van
€ 8.500,00 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de beschikking, onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie, zulks op straffe van een dwangsom van € 350,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Timing hiermee in gebreke blijft,
- aan [werknemer] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen van
€ 2.781,68 bruto, vermeerderd met wettelijke rente, onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie, zulks op straffe van een dwangsom van € 350,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Timing hiermee in gebreke blijft,
- Timing te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een transitievergoeding van € 524,40 bruto, vermeerderd met wettelijke rente, onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie, zulks op straffe van een dwangsom van € 350,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Timing hiermee in gebreke blijft,
subsidiair, voor het geval wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven:
- Timing te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een transitievergoeding van € 524,40 bruto, vermeerderd met wettelijke rente, onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie, zulks op straffe van een dwangsom van € 350,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Timing hiermee in gebreke blijft,
meer subsidiair, voor het geval wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven en tevens sprake is van ernstige verwijtbaarheid van [werknemer] :
- Timing te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een transitievergoeding van € 524,40 bruto op grond van artikel 7:673 lid 8 BWPro, vermeerderd met wettelijke rente, onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie, zulks op straffe van een dwangsom van € 350,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Timing hiermee in gebreke blijft,
in alle gevallen:
- Timing te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een bedrag van € 23,22 bruto aan vakantiegeld over niet-genoten vakantie-uren, vermeerderd met wettelijke verhoging van 50% over dat bedrag en vermeerderd met wettelijke rente over die bedragen vanaf 31 oktober 2025, onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie, zulks op straffe van een dwangsom van € 350,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Timing hiermee in gebreke blijft,
- Timing te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.080,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift,
- Timing te veroordelen in de proceskosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, vermeerderd met de kosten van betekening als Timing niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
- Timing te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
3.2.
[werknemer] legt aan haar verzoeken ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven omdat de dringende reden daarvoor ontbreekt. Zij maakt aanspraak op vergoedingen die verband houden met het niet-rechtsgeldige ontslag.
3.3.
Timing voert verweer.
3.4.
Op de standpunten van partijen zal – voor zover van belang – onder de beoordeling worden ingegaan.
4.De beoordeling
Ontslag op staande voet
4.1.
Een ontslag op staande voet is een uiterst middel om een arbeidsovereenkomst te beëindigen gelet op de grote (financiële) gevolgen daarvan voor de werknemer. Een ontslag op staande voet is daarom alleen geldig als daarvoor een dringende reden aanwezig is en het ontslag onverwijld is gegeven onder onverwijlde mededeling van de dringende reden aan de wederpartij (artikel 7:677 lid 1 BWPro). Voor de werkgever wordt als dringende reden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BWPro).
4.2.
Timing heeft de dringende reden gegrond op de omstandigheden dat zij [werknemer] in een gesprek op 30 oktober 2025 had verboden contact te zoeken met [manager] , maar dat [werknemer] hem diezelfde dag opnieuw berichten stuurde, zelfs na waarschuwingen per e-mail en per telefoon om daarmee te stoppen (zie punt 2.2).
4.3.
[werknemer] betwist die omstandigheden niet, maar zij voert aan dat die geen ontslag op staande voet rechtvaardigen. Zij wijst daarvoor op de voorgeschiedenis. Zo stelt zij dat er aanvankelijk sprake was van wederkerigheid, in die zin dat [manager] ook het persoonlijke contact opzocht en avances maakte (het maken van suggestieve opmerkingen en voetje vrijen). Ook voert [werknemer] aan dat in gesprekken met DHL op 1 juli en 8 september 2025 is gemeld dat zij geen persoonlijk contact met [manager] mocht zoeken, maar dat [manager] daarna niet meer ter sprake is gekomen. Na terugkomst van vakantie op 5 oktober 2025 heeft zij geen contact meer heeft gehad met [manager] . Zij werd daarom verrast door de non-actiefstelling en heeft toen uit emotie opnieuw het contact gezocht met [manager] om uitleg te krijgen, aldus [werknemer] .
4.4.
De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat voor de beoordeling van een ontslag op staande voet rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het is daarom ook van belang wat er is gebeurd vóór 30 oktober 2025.
Geen wederkerigheid
4.5.
[werknemer] wordt niet gevolgd waar zij stelt dat [manager] aanvankelijk ook het persoonlijke contact opzocht en avances maakte (het maken van suggestieve opmerkingen en voetje vrijen). Timing betwist de stelling van [werknemer] aan de hand van een verklaring van [manager] (productie 2 van Timing). De stelling van [werknemer] en hetgeen [manager] verklaart, lopen uiteen. Er was niemand anders bij het gestelde persoonlijke contact of de gestelde avances door [manager] en daarvan zijn ook geen stukken. Dat [manager] het persoonlijke contact heeft opgezocht of avances heeft gemaakt zoals [werknemer] stelt, is niet komen vast te staan.
4.6.
Wel is komen vast te staan dat [manager] in berichten aan [werknemer] gebruikmaakte van emoji’s en hartjes. Dat erkent Timing. Volgens haar paste dat in de bedrijfscultuur van DHL. De kantonrechter oordeelt het sturen van hartjes door een manager aan een ondergeschikte niet gepast in een werkomgeving. Hoewel het niet gepast is, blijkt uit het versturen van hartjes op zichzelf genomen nog niet van het maken avances. Dat moet in de context worden gezien. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden relevant. Bijkomende omstandigheden die maken dat de hartjes in de berichten moeten worden gezien in het licht van avances, zijn echter niet gebleken.
Verloop
4.7.
[werknemer] heeft in het verzoekschrift en op de mondelinge behandeling een toelichting gegeven op de gesprekken die zij met Timing en DHL heeft gevoerd. Zo heeft zij toegelicht dat zij op 1 juli en 8 september 2025 gesprekken heeft gehad met DHL, op 1 juli 2025 met haar manager bij DHL de heer [persoon 1] en op 8 september 2025 met [persoon 1] en zijn manager de heer [persoon 2] . Zij verklaart dat haar tijdens die gesprekken is gemeld dat zij geen contact meer mocht opnemen met [manager] . Daarna is [manager] volgens haar niet meer ter sprake gekomen in de gesprekken. [werknemer] heeft op 11 september 2025, een dag vóór haar vakantie, een gesprek gehad met haar manager. Zij verklaart dat toen slechts werd gemeld dat er te veel is gebeurd en dat haar dienstverband bij DHL niet zou worden verlengd, zonder verdere uitleg. Daarnaast heeft [werknemer] toegelicht dat zij, na terugkomst van haar vakantie op 5 oktober 2025, een gesprek had met haar manager bij Timing, de heer [persoon 3] . In dat gesprek werd herhaald dat DHL het dienstverband niet wilde verlengen, maar een uitleg werd niet gegeven, aldus [werknemer] . Timing heeft de toelichting van [werknemer] op de gesprekken niet weersproken. Op de mondelinge behandeling was er niemand van Timing of DHL aanwezig die bij de gesprekken was en daarover kon verklaren uit eigen waarneming. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de gesprekken zijn verlopen zoals [werknemer] heeft toegelicht.
4.8.
Na 8 september 2025 is [manager] dus niet meer ter sprake gekomen in de gesprekken van [werknemer] met DHL of Timing, zoals [werknemer] heeft aangevoerd. Ook heeft [werknemer] – onweersproken – aangevoerd dat zij na 5 oktober 2025 geen (persoonlijk) contact heeft gezocht met [manager] tot na de non-actiefstelling op 30 oktober 2025. Invoelbaar is dat [werknemer] werd verrast door de non-actiefstelling op 30 oktober 2025 en dat zij meteen hierna uit emotie weer het contact heeft gezocht met [manager] om uitleg te krijgen. Daarmee handelde [werknemer] weliswaar verkeerd, des te meer gelet op de laatste waarschuwing per telefoon en per e-mail, maar deze misstap uit emotie is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende zwaarwegend om dat aan te merken als een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Een minder ingrijpende maatregel, zoals een schorsing, was op zijn plaats geweest. Zeker nu Timing ter zitting heeft bevestigd geen enkel onderzoek te hebben verricht naar de ontstane situatie in het contact tussen [werknemer] en [manager] en de (mogelijke) rol van de laatste daarin. Dit had gezien het feit dat Timing op de hoogte was van psychische problemen bij [werknemer] en daarbij kennis had van het versturen van hartjes door [manager] wel in de rede gelegen.
4.9.
Omdat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbreekt, is het ontslag niet rechtsgeldig gegeven. Het is in strijd met artikel 7:671 lid 1 BWPro. De verzochte verklaring die daarop ziet, zal worden toegewezen.
Gefixeerde schadevergoeding
4.10.
Omdat de opzegging per 31 oktober 2025 niet rechtsgeldig is gegeven, is het een onregelmatige opzegging. Timing is daarvoor aan [werknemer] een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd, gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren (artikel 7:672 lid 11 BWPro). Bij regelmatige opzegging – met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van een maand, tegen de eerstvolgende werkdag (artikel 15 lid 4 ABUPro-cao, dat algemeen verbindend is verklaard) – had de arbeidsovereenkomst voortgeduurd tot 1 december 2025. [werknemer] heeft de gefixeerde schadevergoeding – onweersproken – berekend op € 2.781,68 bruto. Dat bedrag zal worden toegewezen.
Transitievergoeding
4.11.
Vanwege de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is Timing een transitievergoeding verschuldigd, aan de hand van het – onweersproken –
loon van € 2.781,68 bruto per maand en een dienstverband dat bij een regelmatige opzegging op 1 december 2025 zou eindigen. De door [werknemer] verzochte transitievergoeding van € 524,40 bruto komt de kantonrechter juist voor. Dat bedrag zal worden toegewezen.
Billijke vergoeding
4.12.
Omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, is Timing in beginsel een billijke vergoeding verschuldigd (artikel 7:681 lid 1 sub a BWPro). Het geven van een niet-rechtsgeldig ontslag is als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever aan te merken. Voor de billijke vergoeding gaat het erom dat [werknemer] wordt gecompenseerd voor het verlies van de waarde van de arbeidsovereenkomst.
4.13.
[werknemer] maakt aanspraak op drie maandsalarissen, ongeveer € 8.500,00 bruto. Daarvoor stelt [werknemer] dat het dienstverband zonder het ontslag zou hebben voortgeduurd tot en met 31 december 2025. De kantonrechter overweegt dat [werknemer] door het ontslag het loon heeft gemist van 1 november tot en met 31 december 2025. Omdat zij ook al een gefixeerde schadevergoeding krijgt vanwege de onregelmatige opzegging, gelijk aan het loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging op 1 december 2025 (zie punt 4.10), wordt het inkomensverlies al voor een deel gedekt door die schadevergoeding. De gemiste inkomsten zien op de periode van 1 tot en met 31 december 2025. Daarvoor komt [werknemer] een vergoeding toe van € 2.781,68 bruto.
4.14.
[werknemer] stelt ook dat het ontslag op staande voet diffamerend was en het haar psychisch leed heeft toegebracht. Invoelbaar is dat [werknemer] door het ontslag op staande voet is geraakt. Voor een schadevergoeding vanwege psychisch leed is echter meer vereist, namelijk een zodanige psychische storing zo ernstig dat het een aantasting in de persoon oplevert. [werknemer] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat daarvan sprake is.
4.15.
Daarnaast stelt [werknemer] dat de billijke vergoeding preventief moet werken voor Timing om haar gedrag voor de toekomst aan te passen. Een billijke vergoeding is niet bedoeld als straf voor het handelen van Timing. Zij is bedoeld om de schade te vergoeden die [werknemer] lijdt.
4.16.
Omdat het bij de billijke vergoeding gaat om een schatting en het naar haar aard in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, rondt de kantonrechter met inachtneming van het bovenstaande de billijke vergoeding af op een bedrag van € 2.800,00 bruto.
Vakantiegeld over verlofuren
4.17.
[werknemer] heeft recht op vakantiegeld over de uit te betalen verlofuren. Het verzoek tot betaling van € 23,22 bruto is niet weersproken. Dat zal worden toegewezen.
4.18.
Omdat het vakantiegeld te laat is betaald, is Timing daarover de wettelijke verhoging verschuldigd. De wettelijke verhoging van 50% is niet weersproken. Die zal worden toegewezen.
Wettelijke rente
4.19.
De verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na aanschrijving tot betaling van de toegewezen bedragen, bij gebreke van een onderbouwing dat de rente op een eerder moment verschuldigd is geworden.
Bruto/netto specificaties
4.20.
[werknemer] heeft recht op bruto/netto specificaties van de toegewezen bedragen. De verzoeken daartoe zullen worden toegewezen.
4.21.
De daaraan verbonden dwangsommen zullen worden afgewezen. Een onderbouwing dat [werknemer] belang heeft bij dwangsommen ontbreekt. Zij stelt onvoldoende op dit onderdeel.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.22.
De verzochte buitengerechtelijke incassokosten zijn niet weersproken. Die worden toegewezen, met dien verstande dat de incassokosten worden toegewezen tot het wettelijke tarief over de toegewezen hoofdsom ad € 6.129,30, derhalve € 824,57 aan incassokosten.
Proceskosten
4.23.
De proceskosten komen voor rekening van Timing, omdat Timing overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.266,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5.De beslissing
De kantonrechter
5.1.
verklaart dat is opgezegd in strijd met artikel 7:671 lid 1 BWPro,
5.2.
veroordeelt Timing tot betaling aan [werknemer] van een billijke vergoeding van
€ 2.800,00 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe, onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
5.3.
veroordeelt Timing tot betaling aan [werknemer] van een vergoeding wegens
onregelmatige opzegging van € 2.781,68 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe, onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
5.4.
Timing te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een transitievergoeding van
€ 524,40 bruto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe, onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
5.5.
Timing te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een bedrag van € 23,22 bruto aan vakantiegeld over niet-genoten vakantie-uren, vermeerderd met wettelijke verhoging van 50% over dat bedrag en vermeerderd met wettelijke rente over die bedragen vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe, onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
5.6.
Timing te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 824,57, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.7.
veroordeelt Timing in de proceskosten van € 1.266,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, vermeerderd met de wettelijke rente en met de kosten van betekening als Timing niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.