ECLI:NL:RBZWB:2026:3548

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/445162 KG ZA 26-82 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van der Weide
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Wet gemeenschappelijke regelingenArt. 150 RvWet milieubeheerOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot rectificatie onzorgvuldige eindinspectie asbestverwijdering

ShaMi Inspectie B.V. voerde eindinspecties uit na asbestverwijdering op twee locaties en keurde deze visueel goed. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) trof bij controles later alsnog asbesthoudende resten aan en concludeerde in rapporten dat de vrijgave door ShaMi onzorgvuldig was uitgevoerd. ShaMi vorderde in kort geding rectificatie van deze conclusies en kennisgeving daarvan aan derden.

De rechtbank overwoog dat ShaMi een spoedeisend belang had omdat zij onrechtmatige daad aan haar vordering ten grondslag legde. De civielrechtelijke bewijsregels zijn van toepassing, waarbij ShaMi de stelplicht en bewijslast draagt om aan te tonen dat OMWB onrechtmatig handelde. ShaMi stelde dat de asbestresten pas na haar inspectie zichtbaar werden en dat OMWB niet kon bewijzen dat de inspectie onzorgvuldig was.

OMWB betwistte onrechtmatigheid en stelde dat de bevindingen juist waren en dat de toezichthouder ruime beleidsruimte heeft. De rechtbank oordeelde dat ShaMi onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de asbestresten er niet waren tijdens haar inspectie en dat de alternatieve scenario's speculatief waren. De vordering tot rectificatie werd daarom afgewezen en ShaMi werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot rectificatie af en veroordeelt ShaMi in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/445162 / KG ZA 26-82
Vonnis in kort geding van 15 april 2026
in de zaak van
SHAMI INSPECTIE B.V.,
te Doetinchem,
eisende partij,
hierna te noemen: ShaMi,
advocaat: mr. R.B.H. Beune,
tegen
OMGEVINGSDIENST MIDDEN- EN WEST-BRABANT,
te Tilburg,
verwerende partij,
hierna te noemen: OMWB,
advocaten: mr. T.N. Sanders en mr. E.J.M. van der Ploeg .

1.De zaak in het kort

1.1.
ShaMi heeft bij een tweetal locaties waar sloopwerkzaamheden zijn uitgevoerd waarbij asbesthoudende materialen zijn verwijderd een eindinspectie uitgevoerd en zij heeft de locaties visueel goedgekeurd en geconcludeerd dat deze zonder asbestbeschermings-middelen betreden kunnen worden. Daarna zijn bij controles door toezichthouders van OMWB op beide locaties alsnog asbesthoudende materialen aangetroffen. OMWB heeft in de rapporten van bevindingen geconcludeerd dat de vrijgave door ShaMi onzorgvuldig is uitgevoerd. Die rapporten zijn doorgestuurd naar diverse overheidsinstanties, waaronder meerdere gemeenten en het openbaar ministerie. ShaMi is het niet eens met de conclusie van OMWB in de rapporten en wil dat deze gerectificeerd worden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Die beslissing wordt hierna toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de als conclusie van antwoord overgelegde conceptdagvaarding waarop OMWB vrijwillig is verschenen,
- de producties 1 t/m 20 van ShaMi,
- de conclusie van antwoord,
- de producties 1 t/m 11 van OMWB,
- de mondelinge behandeling van 1 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van ShaMi,
- de pleitnota van OMWB.

3.De feiten

3.1.
OMWB is openbaar lichaam in de zin van artikel 8.1. van de Wet gemeenschap-pelijke regelingen, bestaande uit 26 deelnemers (25 gemeenten en de provincie Noord Brabant). Het behoort onder meer tot het basistakenpakket van de OMWB om toezicht te houden op de naleving van de regels die bij sloopactiviteiten zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet en de Wet milieubeheer over het bedrijfsmatig verwijderen van
asbest en asbesthoudende producten uit bouwwerken
3.2.
Uit het asbestverwijderingsbesluit 2005 volgt dat voordat asbest verwijderd wordt eerst een inventarisatie moet plaatsvinden van de aanwezige asbesthoudende materialen. Van zowel de inventarisatie als de verwijdering moet een melding gedaan worden in het LAVS (landelijk asbest volgsysteem). De inventarisatie is bedoeld om inzicht te krijgen in welke risicoklasse 1, 2 of 2a ) het asbesthoudende materiaal valt. De indeling in risicoklasse is van belang voor de sanering na inventarisatie.
3.3.
Risicoklasse 1 houdt in dat de blootstellingsnorm (grenswaarde) niet wordt overschreden en dat het risico hierbij beperkt is. Het asbest hoeft daarom niet te worden verwijderd door een gecertificeerd bedrijf. Na verwijdering van het asbest moet ter plaatse een visuele inspectie worden uitgevoerd conform NEN2990.
Risicoklasse 2 en 2a houdt in dat de grenswaarde wordt overschreden en dat er sprake is van een onacceptabel risico, waarbij de gezondheid van de werknemers ernstige schade kan oplopen. Het asbest mag daarom alleen worden verwijderd door een gecertificeerd bedrijf.
Na verwijdering van het asbest moet de plaats of locatie schoon worden opgeleverd, zodat deze weer voor iedereen veilig te betreden is. De onafhankelijke eindbeoordeling moet conform NEN 2990 worden uitgevoerd door een daarvoor geaccrediteerd laboratorium of inspectiebedrijf.
3.4.
ShaMi is een geaccrediteerd inspectiebedrijf dat bedrijfsmatig eindinspecties verricht op locaties waar asbest is verwijderd.
3.5.
Op 17 oktober 2024 is een melding gedaan voor de sloop van schuren met asbesthoudend materialen op het terrein [adres] te [plaats 1] (gemeente Moerdijk). De sloopwerkzaamheden zijn op 18 november 2024 aangevangen. Het asbest is verwijderd door AVM Asbestsanering. Het betrof een asbestsanering risicoklasse 2. Op 20 november 2024 zijn de sloopwerkzaamheden gereed gemeld in het LAVS.
3.6.
ShaMi heeft op 19 november 2024 de eindcontrole verricht. In haar inspectierapport van 19 november 2024 staat als eindoordeel dat het inspectiegebied visueel is goedgekeurd en dat het geïnspecteerde gebied zonder asbestbeschermingsmiddelen kan worden betreden.
3.7.
OMWB heeft op 20 november 2025 een reguliere controle uitgevoerd op de locatie te [plaats 1] . Haar toezichthouders hebben toen diverse restanten asbestverdacht materiaal aangetroffen op de grond waar een container heeft gestaan die kort daarvoor door AVM is opgehaald en op andere locaties waar containers hebben gestaan. Dit asbestverdacht materiaal bleek na analyse asbesthoudend te zijn.
3.8.
Bij brief van 4 december 2024 heeft OMWB aan ShaMi medegedeeld dat tijdens de controle geconstateerd is dat de inspecteur van ShaMi de asbesthoudende restanten niet heeft waargenomen, terwijl dit feitelijk zijn rol is en dat hij het gebied heeft goedgekeurd als zijnde vrij van asbesthoudende materialen terwijl dit feitelijk niet zo was. Aan ShaMi is een waarschuwing gegeven. In deze waarschuwing wordt ook benoemd dat er inmiddels geconstateerd is dat er door ShaMi vaker onzorgvuldig wordt gewerkt en dat de casus daarom intern voorgelegd zal worden voor een strafrechtelijke behandeling. Daarnaast kondigt de OMWB aan dat zij bij recidive door ShaMi over kan gaan tot bestuursrechtelijke handhaving door een (voornemen tot een) last onder dwangsom op te leggen.
3.9.
Het rapport van bevindingen van OMWB van 17 februari 2025 bevat ten aanzien van ShaMi de volgende constatering:
“Door de inspecteur [inspecteur 1] van ShaMi Inspectie BV zijn de vele asbestrestanten niet waargenomen terwijl dit feitelijk zijn rol is en is het gebied toch goedgekeurd als vrij van asbesthoudende materialen terwijl dit feitelijk niet zo was.
en de navolgende conclusie/aanbeveling:
“Conclusie ShaMi Inspectie B.V.
Op 20 november 2024 is er asbesthoudend materiaal aangetroffen na de vrijgave van ShaMi Inspectie B.V. door mij, [toezichthouder] toezichthouder asbest van de OMWB. De vrijgave van 19 november 2024 is onzorgvuldig uitgevoerd door de inspecteur de heer [inspecteur 1] .
Aanbeveling ShaMi Inspectie B.V.
Melding naar de RVA (raad van accreditatie) met het rapport van bevindingen; Melding naar de NLA (Nederlandse arbeidsinspectie) met het rapport van bevindingen;
Voorleggen aan strafrecht”.
3.10.
Op 22 mei 2025 is een melding gedaan van de sloop van een varkensstal met asbesthoudende materialen te [plaats 2] (gemeente Alphen-Chaam), Het betrof een asbestsanering risicoklasse 2. De sloopwerkzaamheden zijn uitgevoerd door [bedrijf 1] BV, en de asbestverwijderingswerkzaamheden zijn uitgevoerd door [bedrijf 2] BV. De sloop is gestart 13 juli 2025 en de werkzaamheden zijn gereed gemeld op 26 juli 2025. ShaMi heeft vervolgens de inspectie na sanering uitgevoerd. In haar inspectierapport van 28 juli 2025 staat als conformiteitsoordeel dat het inspectiegebied visueel is goedgekeurd en dat het geïnspecteerde gebied zonder asbest-beschermingsmiddelen kan worden betreden.
3.11.
Op 29 juli 2025 heeft OMWB een nacontrole op de locatie uitgevoerd. Daarbij heeft zij op diverse plaatsen, restanten asbestverdacht materiaal aangetroffen in en rondom de veestal en in de directe omgeving daarvan, waaronder een plant bij de varkensstal. Dit asbestverdacht materiaal bleek na analyse asbesthoudend te zijn.
3.12.
Het rapport van bevindingen van OMWB van 11 augustus 2025 bevat de volgende
constatering:
“Door de inspecteur [inspecteur 2] van ShaMi Inspectie BV zijn de vele asbestrestanten niet waargenomen terwijl dit feitelijk zijn rol is en is het gebied toch goedgekeurd als vrij van asbesthoudende materialen terwijl dit feitelijk niet zo was.
en -onder meer- de navolgende conclusie/aanbeveling:
➢ Door inspecteur [inspecteur 2] van Shami Inspectie BV is een onzorgvuldige inspectie NEN2990 uitgevoerd waardoor restanten asbesthoudend materiaal in het voormalige werkgebied zijn achtergelaten.
➢ Op 11 februari 2025 is een gesprek met [persoon] gevoerd van Shami Inspectie BV. Naar aanleiding hiervan is op 1 mei 2025 een waarschuwingsbrief verstuurd inclusief strafrechtelijke component.
➢ Bevindingen delen met HH-partners Cbi, NLA en strafrecht.
3.13.
ShaMi heeft OMWB op 11 september 2025 bericht dat de conclusie in het rapport van bevindingen onjuist is, omdat de OMWB op 29 juli 2025 niet heeft kunnen vaststellen dat de door haar aangetroffen asbestverdachte restanten er op 26 juli 2025 ook (al) lagen, en dus niet gesteld kan worden dat er door ShaMi een onzorgvuldige eindbeoordeling is uitgevoerd. ShaMi heeft OMWB verzocht en voor zoveel nodig gesommeerd het rapport van bevindingen binnen een week na datum van de email volledig in te trekken. OMWB heeft daar niet aan voldaan. Bij e-mail van haar advocaat van 19 september 2025 heeft ShaMi OMWB nogmaals gesommeerd om de conclusie over de zorgvuldigheid van de inspectie uit het rapport van bevindingen te halen. OMWB heeft daar bij email van 7 oktober 2025 afwijzend op beslist.
3.14.
Op 8 oktober 2025 is door OMWB aan ShaMi het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom verzonden. Daarbij is haar te kennen gegeven dat onder meer de bevindingen inzake [plaats 1] en [plaats 2] hebben geleid tot het besluit om het voornemen kenbaar te maken.
3.15.
ShaMi heeft op 10 november 2025 bezwaar gemaakt tegen de rapporten van bevindingen inzake [plaats 2] en [plaats 1] . Bij e-mail van 11 november 2025 heeft zij bezwaren geuit tegen het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom.
3.16.
OMWB heeft de rapporten van bevindingen gestuurd naar diverse bestuursorganen (waaronder de gemeenten die deelnemen aan de Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Midden en West-Brabant) en aan de officier van justitie.
3.17.
Tussen OMWB en de advocaat van ShaMi heeft correspondentie plaatsgevonden. Dat heeft er niet toe geleid dat OMWB de rapporten van bevindingen heeft aangepast. OMWB heeft namens een groot aantal gemeenten aan ShaMi bij brief van 15 december 2025 een last onder dwangsom opgelegd. ShaMi heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend.

4.Het geschil

4.1.
ShaMi vordert als voorlopige maatregel:
vast te stellen dat het rapport van bevindingen inzage [plaats 2] en/of [plaats 1] gerectifi-ceerd moet worden in die zin dat de conclusie dat de eindinspectie van ShaMi onzorgvuldig is geweest uit het rapport moet worden gehaald en dat OMWB kennis moet geven van die rectificatie aan alle partijen waaraan zij het rapport inzage [plaats 2] en/of [plaats 1] heeft doen toekomen, met veroordeling van OMWB in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.De beoordeling

algemeen kader
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat ShaMi daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
(spoedeisend) belang
5.2.
OMWB stelt zich op het standpunt dat ShaMi geen (spoedeisend) belang heeft bij haar vorderingen, omdat zij de inhoud van de rapporten van bevindingen ook kan betwisten in de bestuursrechtelijke procedures die zij momenteel al aan het doorlopen is en in de eventuele strafzaak. De bevindingen van de toezichthouders worden door ShaMi niet betwist. Het enige wat ShaMi betwist is de conclusie dat de door haar uitgevoerde eindinspectie en vrijgave onzorgvuldig zijn geweest. Omdat de rapporten voor wat betreft die conclusie geen bewijskracht toekomt, heeft ShaMi er geen belang bij om louter de conclusie door middel van onderhavige kortgedingprocedure gerectificeerd te krijgen.
5.3.
De voorzieningenrechter passeert dit verweer, nu ShaMi aan haar vordering onrechtmatige daad ten grondslag heeft gelegd. Dit brengt mee dat de vordering naar zijn aard spoedeisend is en dat het geschil aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.
onrechtmatige daad
5.4.
Nu de zaak aan de burgerlijke rechter is voorgelegd betekent dit dat het civielrechtelijke bewijsrecht van toepassing is. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro rusten op de partij die zich op onrechtmatige daad beroept de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat aan de vereisten voor onrechtmatige daad is voldaan. De voorzieningenrechter dient de vordering in kort geding tegen de achtergrond van die bewijsleer in een bodemprocedure te beoordelen.
5.5.
ShaMi heeft gesteld dat OMWB in de beide rapporten van bevindingen niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat de eindinspectie door haar onzorgvuldig is geweest omdat zij geen definitieve uitspraak kon doen over de (on)juistheid van de eindinspectie.
Voor wat betreft het rapport van bevindingen inzake [plaats 1] stelt zij dat bij de eerste inspectie door de toezichthouder van OMWB geen verdachte of opmerkelijke zaken zijn geconstateerd, zodat ShaMi dat dus ook zo heeft kunnen vaststellen. Pas bij de tweede inspectie is door de toezichthouder van OMWB verdacht materiaal aangetroffen op plaatsen waar eerder een container had gestaan. Dit betekent dan dat bij de eerste visuele inspectie door ShaMi, toen de containers nog binnen het voormalig werkgebied stonden, het verdachte materiaal niet zichtbaar is geweest en dat dit pas zichtbaar is geworden na het verwijderen van de containers. Het asbesthoudend materiaal moet uit de verwijderde containers zijn gevallen of daaronder hebben gelegen.
Met betrekking tot het rapport van bevindingen inzake [plaats 2] stelt ShaMi dat de inspectie door OMWB enkele dagen na de eindinspectie door ShaMi heeft plaatsgevonden en dat OMWB niet kan vaststellen dat het door haar geconstateerd verdacht materiaal, tijdens de inspectie door de inspecteur van ShaMi gezien had moeten worden. Het verdacht materiaal kan daar immers terecht zijn gekomen als gevolg van handelingen die zich na de inspectie in het voormalig werkgebied hebben voorgedaan. Voor wat betreft de plant waarin asbest is aangetroffen stelt ShaMi dat bij een visuele bezichtiging van de locatie binnen één meter afstand van de op te nemen plek het verdacht materiaal niet te zien was. Zij betwijfelt of de foto’s van plant die in het rapport van OMWB zijn opgenomen dezelfde struik betreffen.
5.6.
OMWB betwist dat zij onrechtmatig jegens ShaMi heeft gehandeld. Zij heeft geen ondeugdelijk onderzoek laten uitvoeren en/of een onvolledig, onzorgvuldig en onjuist rapport laten opstellen. OMWB heeft terecht kunnen concluderen dat de eindinspecties door ShaMi onzorgvuldig zijn uitgevoerd. OMWB komt bij het uitoefenen van toezicht ruime beleidsruimte toe bij het bepalen of en op welke wijze de toezichthouder gebruik maakt van zijn of haar toezichtsbevoegdheden. In de rapporten van bevindingen hebben de toezichthouders opgeschreven wat zij tijdens de controles ter plaatse hebben waargenomen. Het gaat om wat zij in hun eigen beleving hebben gezien en daarvan kan niet (bij voorbaat) worden gezegd dat dat onwaar is of feitelijk onjuist is.
Met betrekking tot de bevindingen inzake [plaats 1] stelt OMWB dat de containers met afval van de locatie verwijderd hadden moeten worden voordat ShaMi het inspectiegebied vrij gaf. Met betrekking tot de bevindingen inzake [plaats 2] stelt OMWB dat er dermate veel asbestrestanten zijn aangetroffen op zeer veel verschillende plekken op de locatie dat het zeer onaannemelijk is dat deze in minder dan drie dagen door aanvullende werkzaamheden verspreid zijn. Bovendien impliceert het vrijkomen van asbestrestanten bij nadere werkzaamheden dat de bronnen van de asbestrestanten nog op de locatie aanwezig waren, zodat ShaMi de locatie niet had mogen vrijgeven zolang deze niet waren opgeruimd.
5.7.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Vast staat dat door ShaMi niet betwist wordt dat door OMWB bij de inspectie asbesthoudend materiaal is aangetroffen op de beide locaties, nadat deze waren vrijgegeven.
Het verwijt dat er sprake is van een onzorgvuldige conclusie door OMWB treft slechts doel als OMWB wist dat de door haar op de locatie aangetroffen asbestdelen er niet waren ten tijde van de eindinspectie door ShaMi. Het is aan ShaMi om dit aannemelijk te maken. In ieder geval rust op haar een verzwaarde stelplicht in dit verband.
5.8.
ShaMi heeft haar standpunt onderbouwd met een beroep op regels die gelden in het bestuursrecht. In feite wil zij bereiken dat de last onder dwangsom die haar is opgelegd, in de bezwaarprocedures door de gemeenten als onvoldoende onderbouwd worden aangemerkt.
ShaMi gaat er kennelijk van uit dat de bewijslast volledig rust bij OMWB en dat zij zich, mede gelet op eventuele strafrechtelijke gevolgen, kan beperken tot het schetsen van in algemene termen geformuleerde alternatieve scenario’s. Daarmee miskent ShaMi dat zij een civielrechtelijk kort geding aanhangig heeft gemaakt en onrechtmatige daad aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. De conclusies van de rapporten van bevindingen kunnen in kort geding echter enkel als onrechtmatig worden bestempeld als evident blijkt van de onjuistheid van de bevindingen in de rapportages. Daarvan is niet gebleken. De door ShaMi genoemde alternatieve mogelijkheden zijn speculatief, niet voldoende feitelijk onderbouwd en niet gedocumenteerd, terwijl zij in de keten tussen eigenaar en inspecteur geacht mag worden exact op de hoogte te zijn van de feitelijke omstandigheden en de opeenvolgende activiteiten ter plaatse. Hooguit bestaat twijfel of ShaMi de asbestdelen die door OMWB bij de plant heeft aangetroffen had moeten zien bij de visuele inspectie van de locatie te [plaats 2] , maar daaraan kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend nu ook overigens is gebleken van vervuiling op de locatie.
conclusie
5.9.
Dit alles leidt tot de conclusie dat het onrechtmatig handelen van OMWB niet aannemelijk is gemaakt door ShaMi, zodat de vorderingen worden afgewezen.
Proceskosten
5.10.
ShaMi is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van OMWB worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.101,00

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt ShaMi in de proceskosten van € 2.101,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.