Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3539

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/446158 / JE RK 26-461
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige bedreiging ontwikkeling en hulpverleningsweigering vader

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 maart 2026 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2023, voor de duur van twaalf maanden. De minderjarige woont bij zijn moeder, en de ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige, mede door spanningen en agressief gedrag van de vader jegens de moeder.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling omdat vrijwillige hulpverlening onvoldoende resultaat heeft opgeleverd en de vader zijn medewerking aan hulpverlening weigert. De moeder stemde in met het verzoek, terwijl de vader dit afwees en pleitte voor voortzetting van vrijwillige hulpverlening. De GI sloot zich aan bij de Raad en gaf aan dat begeleiding van contact tussen vader en minderjarige mogelijk is via andere instanties.

De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, omdat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de vrijwillige hulpverlening niet effectief is gebleken. De vader vertoont wantrouwen en weigert bemoeienis van buitenaf, terwijl er geen zicht is op zijn opvoedsituatie. De ondertoezichtstelling wordt daarom toegewezen voor de periode van 30 maart 2026 tot 30 maart 2027, met als doel een veilige opvoedingsomgeving en herstel van contact tussen vader en minderjarige.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De vader verscheen zonder advocaat, maar werd voldoende in de gelegenheid gesteld zijn standpunt te uiten, waardoor geen schending van hoor en wederhoor is vastgesteld.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor twaalf maanden onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling en het ontbreken van vrijwillige medewerking van de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaak-/rekestnummer: C/02/446158 / JE RK 26-461
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
De Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Middelburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. F.J.I. van den Branden;
  • de vader;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad;
  • een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3.
De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met zaaknummers C/02/419241 / FA RK 24-756 (
bodemprocedure) en C/02/445895 / KG ZA 26-121 (
vervangende toestemming vakantie). Op deze zaaknummers is per separate beschikking beslist.
1.4.
In een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank is procesvertegenwoordiging door een advocaat verplicht; enkel een advocaat mag formele proceshandelingen verrichten. Echter geldt in verzoekschriftprocedures maar een beperkt procesvertegenwoordigingsplicht, die meebrengt dat, afgezien van onder andere het ondertekenen en het indienen van een verzoekschrift of verweerschrift, geen procesvertegenwoordiging door een advocaat vereist is voor handelingen zoals het overleggen van producties en/ of bijlagen. Daarnaast mag een verweerder zelf ter zitting mondeling verweer voeren.
1.5.
Gebleken is dat mr. Tiggelaar zich op 17 maart 2026 van de zaak heeft onttrokken. De kinderrechter is van oordeel dat de vader gedurende een ruime periode in de gelegenheid is gesteld om een procesvertegenwoordiger te regelen. Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij inmiddels contact heeft gelegd met een advocaat uit ’s-Gravenhage die bekend is met het familie- en jeugdrecht, maar momenteel op vakantie is. Gelet hierop acht de kinderrechter het aannemelijk dat deze advocaat, gelet op het feit dat de vader contact met hem heeft gehad in zijn vakantie, indien gewenst, tijdig had kunnen optreden, zich had kunnen stellen en zo nodig om aanhouding had kunnen verzoeken. Dat dit niet is gebeurd, komt voor rekening en risico van de vader. De vader heeft er voor gekozen om zonder procesvertegenwoordiger in persoon te verschijnen, ondanks dat hij wist dat zijn advocaat op vakantie was en daarnaast geen andere/ vervangende advocaat te hebben gezocht. Daarnaast is de vader tijdens de zitting voldoende in de gelegenheid gesteld zijn standpunt naar voren te brengen. Van schending van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake. Gelet op het vorenstaande, is de kinderrechter van oordeel niet in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde te hebben gehandeld door de zitting buiten aanwezigheid van een advocaat van de vader doorgang te laten vinden.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking d.d. [datum 1] 2025 van deze rechtbank is in het huwelijk van de ouders de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op [datum 2] 2025 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.3.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.5.
Bij voorlopige voorzieningenbeschikking van 5 maart 2024 (gegeven onder zaaknummer C/02/418520 / FA RK 24-416) heeft de rechtbank [minderjarige] toevertrouwd aan de vrouw en bepaald dat de vader en [minderjarige] in het kader van een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende twee losse dagen per week, te weten op de dinsdag en donderdag en vanaf 1 april 2024 op de dinsdag en vrijdag. Tevens zijn partijen in die beschikking verwezen in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA).
2.6.
Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de minderjarige voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland gesteld, zulks met ingang van 20 januari 2026 tot 3 februari 2026. Het overige deel van het verzoek is aangehouden.
2.7.
Bij beschikking van 30 januari 2026 is het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige toegewezen, te weten voor de periode van 3 februari 2026 en tot 20 april 2026.
2.8.
Bij beschikking van 9 februari 2026, bekend onder kenmerk C/02/443404 / FA RK 25-6680, heeft de rechtbank voornoemde voorlopige voorzieningenbeschikking van 5 maart 2024 gewijzigd ten aanzien van de daarin vastgestelde voorlopige zorgregeling en heeft bepaald dat er voorlopig geen omgang zal plaatsvinden tussen de vader en de minderjarige [minderjarige] , dit met inachtneming van hetgeen hierover in r.o. 4.15. is overwogen. Verder heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de onder r.o. 4.17. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing hiervan naar het raadsrapport. Er zijn nog steeds ernstige zorgen over [minderjarige] . Voor nu lijkt hij zich leeftijdsadequaat te ontwikkelen, maar er zijn veel zorgen over hetgeen hij al in zijn jonge leven heeft meegemaakt en wat voor impact dat zal gaan hebben op zijn ontwikkeling. [minderjarige] laat dan ook al zorgelijk gedrag zien. Ondanks de ingezette (vrijwillige) hulpverlening is er in de afgelopen twee jaar weinig tot geen positieve vooruitgang in de situatie geboekt. Het is van belang dat er zicht komt op [minderjarige] en zijn opvoedomgeving, met name bij de vader. De Raad is dan ook van mening dat hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk is, waarbij er tevens dient te worden ingezet op het verbeteren van de onderlinge verhouding tussen partijen, maar ook op het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader.
4.2.
Door de moeder wordt ingestemd met het verzoek van de Raad. De ingezette hulpverlening in het vrijwillige kader is inmiddels gestagneerd, doordat de vader zijn medewerking aan deze hulpverlening weigert. De vader heeft meerdere kansen gehad om mee te werken aan de hulpverlening, hetgeen maakt dat op dit moment een gedwongen kader noodzakelijk is. De moeder acht het van belang dat er zicht komt op de opvoedvaardigheden en -omgeving van de vader. Nu die er niet is, kan niet worden ingeschat in hoeverre er sprake is van (fysieke) veiligheid voor [minderjarige] en de moeder. De moeder is niet tegen contact tussen de vader en [minderjarige] , maar dit dient op een veilige wijze voor zowel [minderjarige] als de vrouw te gebeuren.
4.3.
De vader stemt niet in met het verzoek van de Raad. Er wordt nu een beeld geschetst dat door het toedoen van de vader de hulpverlening niet van de grond is gekomen. Dat is volgens de vader niet het geval. Daarnaast kan de vader niet begrijpen waarom hij slechts onder begeleiding (fysiek) contact met [minderjarige] mag hebben. Het onbegeleide contact met [minderjarige] is altijd goed gegaan. De vader ziet in dat bepaalde afspraken nog niet duidelijk zijn en dat hij er samen met de moeder niet uit gaat komen. Hulpverlening is dan ook nog altijd noodzakelijk, maar dit is mogelijk in het vrijwillige kader.
4.4.
De GI sluit zich aan bij hetgeen door de Raad naar voren is gebracht. Omgangsbegeleiding door Sterk Huis is niet haalbaar, nu Sterk Huis niet werkzaam is in Zeeland. Desalniettemin heeft de GI andere instanties die de contacten tussen de vader en [minderjarige] kunnen begeleiden benaderd. Op korte termijn kunnen al een intakegesprekken plaatsvinden.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke beoordeling
5.2.
Op grond van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 lid 1 BW Pro. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad daarom toewijzen voor de verzochte duur. Dat betekent dat [minderjarige] onder toezicht wordt gesteld van de GI, zulks met ingang van 30 maart 2026 en tot 30 maart 2027.
5.3.
De kinderrechter overweegt hiertoe dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is meermaals getuige geweest van spanningen en escalaties tussen de ouders. De vader heeft onder andere de deur van moeder ingetrapt, bedreigd om de moeder in elkaar te slaan en haar huis en auto in de brand te steken, doodsbedreigingen over de moeder geuit bij de hulpverlener en tegen de afspraken in bij de kinderopvang gestaan om [minderjarige] mee te nemen. De moeder heeft daardoor veel angst voor de vader en ervaart spanningen. De ouders zijn dan ook na hun relatie in een negatieve spiraal beland, waarbij de vader zich vast lijkt te houden aan het inzetten van (verbale) agressie om zijn zin te krijgen en de moeder zich, op basis van angst, onderdanig opstelt. Er is sprake van wederzijdse wantrouwen en beide ouders hebben zorgen over elkaar opvoedsituatie en opvoedvaardigheden. Daarnaast is er geen zicht op de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vader thuis en is er tevens geen zicht op de opvoedvaardigheden van de vader. Zoals door de ingezette hulpverlening aangegeven wenst de vader geen bemoeienis van buitenaf en heeft hij wantrouwen ten aanzien van de hulpverlening. Ondanks dat de vader tijdens de zitting heeft verklaard dat de hulpverlening niet door zijn toedoen van de grond is gekomen, zijn er wel degelijk zorgen over de opvoedsituatie van de vader, nu er meerdere recente meldingen over de vader bij de politie bekend zijn. Het is dan ook in het belang van [minderjarige] dat er zicht komt op de vader. Voorts is het zorgelijk dat er geen stabiel en structureel contact is tussen de vader en [minderjarige] .
5.4.
De kinderrechter overweegt dat bovengenoemde zorgen de mogelijkheden van de hulpverlening binnen het vrijwillig kader doen overstijgen. De afgelopen twee jaren is verschillende hulpverlening in het vrijwillige kader ingezet om de situatie voor [minderjarige] te verbeteren. Wat ook de reden is geweest dat het de vader niet is gelukt, gebleken is dat deze (vrijwillige) hulpverlening niet van de grond is gekomen ondanks meerdere pogingen daartoe. Daarnaast is het de kinderrechter duidelijk geworden dat de ouders niet in staat zijn om samen te werken en samen afspraken over [minderjarige] te maken. Hulpverlening in het vrijwillig kader is dan ook een gepasseerd station. De kinderrechter acht de ouders wel in staat om met inzet van de gedwongen hulpverlening binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de gronden voor een ondertoezichtstelling zoals hiervoor is weergegeven.
5.5.
De kinderrechter acht het belangrijk dat voor bovengenoemde zorgen aandacht komt om [minderjarige] van een goede ontwikkeling te verzekeren. Tijdens de ondertoezichtstelling moet in ieder geval aan de volgende doelen worden gewerkt:
  • [minderjarige] verblijft bij zowel moeder als vader in een fysiek en emotioneel veilige opvoedingsomgeving, waarbij hij wordt gestimuleerd in zijn ontwikkeling en er duidelijkheid, voorspelbaarheid, stabiliteit, rust en regelmaat wordt geboden, maar ook steun, troost en affectie aanwezig is;
  • [minderjarige] wordt op geen enkele manier blootgesteld aan verbaal en/of fysiek geweld tussen en door ouders of anderszins spanningen tussen ouders en andere volwassenen;
  • [minderjarige] heeft een positief, voorspelbaar, veilig en onbelast contact met zijn beide ouders;
  • Er zijn duidelijke afspraken, als het gaat om het nemen van belangrijke beslissingen ten aanzien van [minderjarige] ;
  • Ouders hebben inzicht en grip op hun emoties en deze emoties hebben zo min mogelijk een negatieve invloed op het contact met de andere ouder dan wel het beeld van de andere ouder.
5.6.
Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor de volledige duur zoals verzocht. De kinderrechter vindt het gelet op het voorgaande noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer bij [minderjarige] betrokken blijft. De jeugdbeschermer houdt toezicht op de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige en zorgt ervoor dat de juiste hulpverlening wordt ingezet voor zowel de moeder, de vader, als [minderjarige] en dat deze ook wordt doorgezet. De kinderrechter geeft dan ook de opdracht aan de GI om strak de regie te voeren en de belangen van [minderjarige] te monitoren. Daartoe overweegt de kinderrechter dat bij voornoemde beschikking van 9 februari 2026 de rechtbank heeft overwogen dat het aan de GI is om te bezien of er ruimte bestaat om op een passende en veilige wijze tot (begeleid) contactherstel te komen tussen de man en [minderjarige] . Zie dienen daartoe strak het regie te voeren, zodat dit op korte termijn van de grond komt.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter acht dit voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk.
5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 30 maart 2026 tot 30 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 door mr. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haard als griffier, en op schrift gesteld op 17 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.