Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3535

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/445490 / JE RK 26-340
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming Brabant tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2025. De minderjarige verblijft sinds haar geboorte in een pleeggezin vanwege ernstige bedreigingen in haar ontwikkeling, veroorzaakt door problematiek bij de ouders, waaronder huiselijk geweld en verslaving.

Tijdens de zitting waren de advocaat van de moeder en de jeugdbeschermer aanwezig; de ouders waren niet persoonlijk aanwezig. De moeder heeft moeite met het nakomen van bezoekafspraken en de vader heeft geen contact met de minderjarige. De GI verwacht dat de problematiek van de ouders, waaronder verslaving en persoonlijke problemen, niet op korte termijn zal verbeteren, ondanks geplande hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De ontwikkeling van de minderjarige wordt nog steeds ernstig bedreigd en de ouders kunnen niet zorgen voor een veilige en stabiele thuissituatie. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt direct, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van een jaar wegens ernstige bedreiging van haar ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445490 / JE RK 26-340
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant,locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
laatst bekende woonplaats in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026;
  • het op 16 maart 2026 van de GI ontvangen perspectiefbesluit.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- de betrokken jeugdbeschermer namens de GI.
De vader en de moeder zijn niet in persoon verschenen. De jeugdbeschermer heeft daartoe tijdens de zitting verklaard dat de moeder bij haar heeft aangegeven dat zij niet bij de zitting aanwezig wil zijn. De vader wil geen contact met de GI. Hij is via zijn begeleider op de hoogte gesteld van de zitting. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
Aan de moeder is ambtshalve als advocaat toegevoegd mr. Yeral te Roosendaal. Deze toevoeging berust op de pilot kosteloze rechtsbijstand UHP, op grond waarvan in zaken over (spoed)uithuisplaatsing van minderjarigen de ouder(s) bij wie het kind op dat moment feitelijk verblijft recht heeft/hebben op kosteloze rechtsbijstand van een (voorkeurs)advocaat.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 4 april 2025 is (de toen nog ongeboren) [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 4 april 2025 tot 4 april 2026. Ook is een machtiging verleend om (de toen nog ongeboren) [minderjarige] uit huis te plaatsen in een ziekenhuis dan wel een voorziening voor pleegzorg vanaf de geboorte tot 4 oktober 2026.
2.3.
Bij beschikking van 25 september 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 4 oktober 2025 tot 4 april 2026.
2.4.
Op basis van voornoemde machtigingen verblijft [minderjarige] sinds haar geboorte in het huidige perspectief biedende pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
In het verzoekschrift is het verzoek en het standpunt van de GI toegelicht. Tijdens de zitting is namens de GI (in aanvulling daarop), samengevat, verklaard dat gebleken is dat de moeder moeite heeft om de bezoekafspraken aan [minderjarige] eenmaal per twee weken na te komen. In overleg met de moeder zullen de bezoeken in frequentie gelijk worden getrokken met de bezoeken aan [persoon] , de andere dochter van de moeder die in een ander pleeggezin woont. De contacten zullen gecombineerd gaan worden. Begin dit jaar is gebleken dat [minderjarige] en [persoon] dezelfde vader hebben. Recent is een opvoedbesluit genomen. Dit is besproken met de moeder. Hoewel de moeder dit liever anders zou willen, ziet zij nu geen mogelijkheden om de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Ook de vader ziet deze van zijn zijde niet. In de komende periode wil de GI onderzoeken welke gevolgen het opvoedbesluit zal hebben, onder andere voor de gezagspositie van de ouders. Daarnaast zal de hulpverlening voor de moeder worden voortgezet. Zij heeft in april 2026 een intake bij Novadic Kentron voor behandeling. Verder is er een interventieteam gestart en zal worden bekeken hoe de woning van de moeder behouden kan worden. De GI verwacht dat dit alles in ieder geval een jaar in beslag zal nemen. De problematiek van de ouders is complex en hardnekkig. Als de moeder in behandeling bij Novadic Kentron komt zal haar problematiek niet op korte termijn veranderen. De GI ziet voor de moeder geen mogelijkheden (ontstaan) ten aanzien van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
4.2.
Door de advocaat van de moeder is aangevoerd dat hij de moeder slechts eenmaal heeft kunnen spreken. De advocaat moet zich daarom op de stukken baseren. De moeder vindt het jammer dat zij zelf nu niet voor [minderjarige] kan zorgen. Zij hoopt dit in de toekomst wel te kunnen. De advocaat vraagt zich af of een verlenging voor de termijn van één jaar daadwerkelijk nodig is, ook omdat er een intake bij Novadic Kentron gepland is. Namens de moeder refereert de advocaat zich aan het oordeel van de kinderrechter in deze.

5.De beoordeling

5.1.
Op het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling is artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Hierin staat kort gezegd dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen als hij/zij ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd en die ontwikkelingsbedreiging niet (voldoende) kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.
5.2.
Op het verzoek van de Raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing is artikel 1:265b BW van toepassing. Hierin staat kort gezegd dat de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige kan verlenen als dat in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is.
Ondertoezichtstelling
5.3.
De kinderrechter is gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting besproken is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De ouders kunnen [minderjarige] niet bieden wat zij nodig heeft. In de thuissituatie was regelmatig sprake van fors huiselijk geweld, drugsgebruik en verkeerde keuzes. Sinds de geboorte van [minderjarige] zijn de ouders regelmatig langere tijd niet in beeld geweest. De ouders zijn inmiddels uit elkaar. Beide ouders geven aan voor nu geen mogelijkheden te zien om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. De vader ziet ook geen mogelijkheden voor contact met [minderjarige] . De contacten tussen de moeder en [minderjarige] zijn in frequentie aangepast nu het de moeder niet goed lukt om de bezoekafspraken na te komen. Bij beide ouders is sprake van persoonlijke problematiek, waarvoor zij behandeling nodig hebben. De vader leeft sinds enkele maanden op straat. De moeder moet mogelijk op korte termijn haar woning verlaten.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Gelet op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de moeder zijn verschillende vormen van hulpverlening aan haar aangeboden. Dit is echter niet (voldoende) van de grond gekomen. De moeder ziet hiervan de noodzaak niet in of zij vindt het niet passend. In april 2026 kan de moeder terecht bij Novadic-Kentron voor een intakegesprek. De vraag is of de moeder deze hulp/behandeling wel gaat accepteren. De GI heeft de ouders in november 2025 een brief gestuurd waarin staat wat er van hen verwacht wordt om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te kunnen dragen. De ouders kunnen hieraan gelet op hun huidige situatie niet voldoen. De inschatting is dat dit op korte termijn niet (structureel) zal veranderen.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
Machtiging uithuisplaatsing
5.7.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
In voormelde beschikking van 4 april 2025 heeft de kinderrechter onder meer het volgende overwogen:
“Het is van belang dat de ouders aan de slag gaan met hun verslaving en hun
persoonlijke problematiek. Het is van belang dat zij de behandeling aangaan en meewerken
aan de hulpverlening. Daarna kan er pas gekeken worden naar de opvoedvaardigheden van
de ouders en de kwaliteit van de hechtingsrelatie met de baby.”
In voormelde beschikking van 25 september 2025 heeft de kinderrechter voorts het volgende overwogen:
“De kinderrechter constateert dat een zichtbare of wezenlijke verbetering in het
gedrag en omstandigheden van de ouders ontbreekt. De ouders zijn nog niet zichtbaar aan
de slag gegaan met hun problematiek, waardoor de zorgelijke patronen voortduren. De
ouders kunnen [minderjarige] (voorlopig) niet een veilige en stabiele thuissituatie bieden. Een
thuisplaatsing van [minderjarige] is daarom op dit moment niet aan de orde.”
De kinderrechter stelt thans vast dat de situatie van de ouders niet wezenlijk is veranderd. Hoewel met name de moeder het beeld heeft dat zij graag voor [minderjarige] wil zorgen lukt het haar niet om dusdanig aan zichzelf te werken dat zij hiertoe in staat is. Wanneer de moeder bij Novadic Kentron behandeling kan aangaan moet blijken of zij in staat is deze vol te houden en een positieve ontwikkeling door te maken. De behandeling zal de nodige tijd in beslag nemen. De vader is nu niet in beeld in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] ontwikkelt zich bij de pleegouders onverminderd positief. Zij hecht zich aan haar pleegouders. De kinderrechter hoopt dat het de moeder lukt om de (aangepaste) bezoekmomenten structureel na te komen, zodat weer kan worden toegewerkt naar het uitbouwen hiervan.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 4 april 2026 tot 4 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 april 2026 tot 4 april 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 13 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.