Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3533

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/446181 / JE RK 26-469
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens onvoldoende samenwerking ouders

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen. De kinderrechter heeft op 30 maart 2026 de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 10 oktober 2026 bevolen, met onmiddellijke ingang.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar wonen ongeveer evenveel bij beide ouders. Ondanks eerdere verlenging en pogingen tot afronding van het ouderschapsplan, is er onvoldoende overeenstemming bereikt. De ouders blijven in conflict, wat negatieve gevolgen heeft voor het welzijn van de minderjarige.

De gecertificeerde instelling benadrukt dat individuele hulpverlening voor de ouders noodzakelijk is om het verleden te verwerken en het belang van de minderjarige te waarborgen. De moeder verzet zich primair tegen verlenging, terwijl de vader instemt. De Raad voor de Kinderbescherming ondersteunt de verlenging en benadrukt de noodzaak van regievoering.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld, met name vanwege het blijvende conflict en het risico op loyaliteitsconflicten bij de minderjarige. De ondertoezichtstelling wordt verlengd met de verplichting voor de ouders om individuele hulpverlening te accepteren. De beschikking is direct uitvoerbaar en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met zes maanden en de ouders worden verplicht individuele hulpverlening te accepteren.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446181 / JE RK 26-469
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.J.C. Odekerken uit Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend mevrouw [persoon] van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2026;
  • de op 25 maart 2026 ontvangen brief van mr. Odekerken met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder;
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • mevrouw [persoon] van de Raad voor de Kinderbescherming.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont ongeveer evenveel bij de moeder als bij de vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de GI is naar voren gebracht dat, na het gereedkomen van het ouderschapsplan, het idee was om de ondertoezichtstelling niet te verlengen. Omdat het op enkele punten niet lukt om tot overeenstemming te komen, is helaas opnieuw een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. Het is belangrijk dat de ouders individuele hulpverlening zullen aangaan om hun verleden een plek te geven. Dit verleden zorgt er namelijk voor dat het nog altijd niet lukt om te handelen in het belang van [minderjarige] . Het verleden moet geparkeerd worden en er moet inzicht komen in ieders handelen. De GI handhaaft het verzoek.
4.2.
De moeder heeft verklaard dat het belang van [minderjarige] is gediend bij beëindiging van de ondertoezichtstelling. De inmenging van de GI is in deze niet helpend. [minderjarige] is gebaat bij ouders die positieve energie hebben en haar aandacht kunnen geven, in plaats van dat die aandacht nu uitgaat naar punten en komma’s in het ouderschapsplan. De kern is dat beide ouders elkaar dingen moeten gunnen. Er is sprake van parallel ouderschap en het lukt de vader niet om zich niet te bemoeien met de opvoeding zoals de moeder deze voorstaat. In het ouderschapsplan komen ook steeds meer zaken terug die afwijken van parallel ouderschap. Een voorbeeld hiervan is dat het netwerk niet welkom is bij schoolactiviteiten. Dat is absoluut niet in het belang van [minderjarige] , die dus bij dergelijke activiteiten geen opa’s en oma’s mee zou mogen nemen. Een ouderschapsplan dient wat de moeder betreft basisafspraken te bevatten en geen uitgewerkte details tot op de punten en komma’s. Op die manier kun je blijven discussiëren en dat moet stoppen. De moeder betreurt het dat er steeds naar de ouders gezamenlijk wordt gekeken, terwijl het juist de vader is die stukken indient, een waslijst aan opmerkingen heeft, mails stuurt en klachten indient. Het zou goed zijn als er ook gekeken wordt naar het verschil tussen beide ouders en ieders opstelling in deze. De moeder heeft al individuele hulpverlening gehad maar is bereid om deze opnieuw te accepteren indien dit door de GI noodzakelijk wordt geacht. De moeder verzoekt primair de ondertoezichtstelling niet te verlengen. Subsidiair kan zij instemmen met een verlenging, ook als dat inhoudt dat het doel om ouders individuele hulpverlening te laten accepteren wordt toegevoegd.
4.3.
Door en namens de vader is aangevoerd dat er gaandeweg steeds meer gesleuteld is aan het ouderschapsplan. De vader constateert dat in de afgelopen jaren meer onrust en strijd is ontstaan. De ervaring van de vader is dat het ouderschapsplan iedere keer wordt aangepast in het voordeel van de moeder, waarbij er van hem verlangd wordt om maar mee te bewegen. Er worden ook zaken besproken waar de rechtbank reeds al een beslissing op heeft genomen. Op deze manier blijft er strijd. De vader verwacht van de GI dat de ouders een dwingende oproep krijgen om met individuele hulpverlening aan de slag te gaan. Het is nu allemaal veel te vrijblijvend. De vader is op dit moment aan de slag met professionele hulpverlening en hij heeft hier baat bij. Aangezien de ouders er op dit moment samen niet uitkomen, is de inmenging van de GI nog altijd noodzakelijk. De vader stemt in met het verzoek van de GI.
4.4.
Namens de Raad is naar voren gebracht dat een ondertoezichtstelling onder de huidige omstandigheden haast een gegeven is. Er moet een plan komen zodat [minderjarige] garanties heeft op een betere samenwerking tussen haar ouders. Als een ondertoezichtstelling in de komende periode ontoereikend is, dan zal de Raad zich beraden op verdere stappen die gevolgen kunnen hebben voor het gezag van beide ouders. Er vindt over alles discussie plaats. Zelfs over toegang tot de app van zwemles moet de GI een knoop doorhakken. [minderjarige] heeft hier veel last van en durft op school al niet meer te praten over de andere ouder. Dit baart de Raad veel zorgen voor de toekomst. Regievoering vanuit de GI is nodig anders komt er helemaal niets van de grond. De Raad stelt voor om partijen allebei op 1 pagina alle punten aan te laten geven die wat hen betreft uit het ouderschapsplan geschrapt mogen worden. Mevrouw [persoon] is bereid om nog een laatste poging te doen om samen met de ouders een ouderschapsplan op te stellen waarbij de basis overeind blijft. Dit is echter wel de allerlaatste kans.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Gebleken is dat de GI na een heroverweging eind februari 2026 heeft besloten om een verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken. Aanleiding hiervoor was dat de door de ouders gemaakte afspraken onvoldoende bestendigd zijn, het ouderschapsplan nog niet is afgerond en dat er nog altijd sprake blijft van spanningen waar [minderjarige] last van heeft.
Bij beide ouders is sprake van voldoende en veilig ouderschap, echter zij zijn nog altijd niet in staat om samen te werken en het belang van [minderjarige] voorop te stellen. Dit kan op termijn bij [minderjarige] zorgen voor een loyaliteitsconflict. Ouders moeten stoppen om hun dochter op deze manier te beschadigen. Daarom is het belangrijk dat, naast de reeds gestelde doelen, de ouders ook zullen werken aan individuele hulpverlening, gericht op het verwerken van het verleden. Tussen en bij de ouders is er sprake van onverwerkt leed uit het verleden en dit houdt hen tegen om nu in het belang van [minderjarige] te kunnen handelen. Het is daarbij belangrijk dat professionele en onafhankelijke hulpverlening wordt gekozen zodat de ouders ervoor kunnen zorgen dat de schepen uit het verleden kunnen worden verbrand.
Naast deze hulpverlening is het noodzakelijk dat ouders, voor een allerlaatste keer, met mevrouw [persoon] om de tafel gaan in een ultieme poging om een (definitief) ouderschapsplan op te stellen een en ander indachtig hetgeen de Raad ter zitting naar voren heeft gebracht. Daarnaast zal er ook begeleiding nodig zijn bij het verder inrichten van het solo parallel ouderschap. De ouders zijn verdeeld over de vraag of [minderjarige] hulpverlening zou moeten krijgen. Het is aan de deskundigheid van de GI om dat te bepalen. Er zijn zorgen over haar ontwikkeling, zover is duidelijk. Het is echter aan de GI om te beoordelen of hier ook, al dan niet door toedoen van de ouders, sprake is van kindeigen problematiek. Regievoering is absoluut nodig om deze problemen voor [minderjarige] tot een goed einde te brengen. Het lukt de ouders helaas niet om de hulpverlening zelfstandig te organiseren en daarom blijft betrokkenheid van de GI nog onverminderd noodzakelijk. Voortzetting van de ondertoezichtstelling is nodig om ouders los te weken van de oude negatieve patronen en hen weer in het belang van [minderjarige] te laten handelen.
De kinderrechter merkt tot slot het volgende op. De GI heeft aangegeven dat als het de ouders niet lukt om voornoemde punten te bespreken binnen de nog lopende ondertoezichtstelling, deze niet langer uitvoerbaar is. Het is dan aan de Raad om te onderzoeken of andere maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] verder wordt beschadigd door de strijd van haar ouders. De kinderrechter hoopt dat het niet zover zal komen en het de ouders lukt om een streep te zetten onder het verleden en zich te richten op de toekomst en de belangen van hun beider dochter.
5.3.
De ondertoezichtstelling is nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden. Naast de reeds gestelde doelen dient in het kader van de ondertoezichtstelling ook gewerkt te worden aan het volgende doel:
- De ouders accepteren individuele hulpverlening.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 10 april 2026 tot 10 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, en op schrift gesteld op 13 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.