De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 30 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene, die verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene ontkent de noodzaak van opname en medicatie en wijst een diagnose af, terwijl de behandelaar een bipolaire stoornis type I met psychotische kenmerken vaststelt en het risico op stoppen met medicatie hoog acht.
Tijdens de zitting werden betrokkene, haar advocaat, behandelaars en haar vader gehoord. Betrokkene gaf aan zich rustiger te voelen maar wilde niet langer opgenomen blijven en wilde geen medicatie meer gebruiken. De behandelaar en co-assistente benadrukten de noodzaak van voortzetting van verplichte zorg om de positieve ontwikkeling te bestendigen.
De rechtbank concludeerde dat betrokkene lijdt aan een ernstige psychische stoornis die ernstig nadeel veroorzaakt, waaronder levensgevaar, zelfverwaarlozing, agressie en maatschappelijke teloorgang. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven en betrokkene toont onvoldoende ziekte-inzicht en medewerking.
Daarom verleende de rechtbank de zorgmachtiging voor zes maanden, inclusief medicatietoediening, medische controles, bewegingsbeperkingen en opname in een accommodatie. Het verzoek tot andere vormen van verplichte zorg werd afgewezen wegens onvoldoende noodzaak. Tegen deze beschikking staat cassatie open.