Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3530

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/445325 / JE RK 26-302
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens complexe vechtscheiding en bedreigde ontwikkeling minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2010 en 2012, die bij hun moeder wonen. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar er is sprake van een langdurige en complexe vechtscheiding waarbij de minderjarigen lijden onder loyaliteitsconflicten en spanningen.

Tijdens de zitting met gesloten deuren op 30 maart 2026 zijn de ouders, hun advocaten en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig geweest. De minderjarigen zijn gehoord en hun mening is besproken. De GI benadrukt de noodzaak van verlenging vanwege de ernstige bedreigde ontwikkeling, de inzet van het intensieve MST CAN-traject en het waarborgen van contact met de vader.

De moeder staat open voor hulpverlening maar wenst een kortere verlenging dan de GI vraagt. De vader stemt in met verlenging uit vrees het contact met de kinderen te verliezen. De kinderrechter constateert dat ondanks hulpverlening de zorgen toenemen, met name door de voortdurende strijd tussen ouders en de impact daarvan op de kinderen.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld en verlengt de ondertoezichtstelling van 4 april 2026 tot 4 april 2027. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445325 / JE RK 26-302
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A. Koop-Van Vliet uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. G.H.M. van Laarhoven uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 februari 2026;
  • de op 26 maart 2026 overgelegde stukken van MST-CAN door mr. Koop-Van Vliet.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 4 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de GI is naar voren gebracht dat er sprake is van een langlopende, complexe vechtscheiding. De ouders gunnen elkaar het licht in de ogen niet. Inmiddels is de Gezinsadvocaat betrokken. Zij heeft geconstateerd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kleur bekennen aan de moeder. Als zij niet zeggen wat de moeder wil dan dreigt zij hen op te laten halen door de GI of hun spullen buiten te zetten. De moeder koestert nog altijd veel woede richting de jeugdzorgwerker. De moeder en haar familie hebben de GI de vorige keer opgewacht bij de rechtbank na afloop van de vorige mondelinge behandeling, waarna de GI onder begeleiding van de politie het gebouw heeft moeten verlaten. De moeder wil nu weer een andere jeugdzorgwerker, dat zou dan nummer 7 worden. De bedreigingen zijn fors en deze worden ook gedaan in het bijzijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ondanks deze situatie verdient de moeder wel een compliment. Waar zij eerder alle hulpverlening afhield, heeft zij wel ingestemd met de inzet van MST CAN. Dit is de meest intensieve vorm van hulpverlening die er bestaat. De moeder erkent een deel van de doelen en wil daar ook zelf hulp voor. De MST-therapeut heeft samen met de moeder doelen opgesteld. Deze doelen zijn nog in concept Er is ongeveer 7 tot 9 maanden nodig om deze doelen te behalen. MST zal, na de behandeling van de moeder, ook het ingroeitraject van de minderjarigen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] begeleiden. Alle gezinsleden worden meegenomen in deze vorm van hulpverlening. Bij de vader wordt MST CAN vooralsnog niet ingezet nu er bij hem sprake is van een begeleide omgangsregeling met de minderjarigen. Een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is nodig om alles wat nu is opgestart en opgestart gaat worden doorgang te laten vinden. Daarnaast is een ondertoezichtstelling ook noodzakelijk om het contact tussen de vader en de minderjarigen te waarborgen. Als er geen ondertoezichtstelling is, dan ziet de vader de minderjarigen helemaal niet meer. Op dit moment heeft de Gezinsadvocaat geadviseerd aan de vader om de minderjarigen tijdelijk rust te gunnen.
4.2.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat er veel minder triggers zijn nu de vader het advies heeft gekregen om tijdelijk geen contact met de minderjarigen te hebben. In dat kader merkt de moeder op dat zij dit contact nooit heeft tegengewerkt. Zij staat niet onwelwillend tegenover contact, als het maar op een normale manier kan. De moeder staat open voor MST CAN. Zij heeft een klik met haar behandelaar en kan daar goed mee samenwerken. De moeder vindt het vreemd dat MST CAN bij haar wel wordt ingezet, maar dat dit bij de vader niet wordt opgestart. De moeder stemt in met het voortduren van de ondertoezichtstelling. Gelet op de duur van het traject MST CAN verzoekt de moeder deze termijn te bekorten tot 9 maanden. De moeder is niet bereid om met de vader om de tafel te gaan. De laatste keer dat dat is geprobeerd liep het helemaal uit de hand door het gedrag van de vader. De jeugdzorgwerker moet uit het gezin. Zij kan niet meer positief zijn en ook de minderjarigen hebben geen vertrouwen meer in haar.
4.3.
Door en namens de vader wordt aangegeven dat hij instemt met de ondertoezichtstelling. De vader vreest dat hij, bij het wegvallen van de ondertoezichtstelling, de minderjarigen helemaal niet meer ziet. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , op advies van de Gezinsadvocaat rust gegund vanwege de uithuisplaatsing van hun broer en zus. Tegen hen is echter verteld dat het de schuld is van de vader dat zij uit huis geplaatst zijn. Ook heeft de vader geld wat hij heeft gestort op de rekening van de minderjarigen teruggekregen met een boodschap die niet van de minderjarigen afkomstig kan zijn. De moeder moet stoppen met het zwart maken van de vader bij de minderjarigen. De vader zou graag zien dat er een gesprek kan plaatsvinden tussen beide ouders waarbij er ook naar elkaar geluisterd wordt. De advocaat van de vader voert aan dat hij de WhatsApp-communicatie van de minderjarigen richting de jeugdzorgwerker in het dossier mist. Die liegt er niet om en is doorspekt van forse bedreigingen vanuit de minderjarigen naar de jeugdzorgwerker. Het is echt schokkend wat zij sturen naar de jeugdzorgwerker. Naast MST CAN zal er de komende periode ook ingezet moeten worden op het correct vormgeven van solo parallel ouderschap.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Er is nog steeds sprake van een ernstige bedreigde ontwikkeling bij beide minderjarigen. [minderjarige 2] is veel afwezig op school en als ze wel op school is, klaagt ze veelvuldig over buikpijn. [minderjarige 2] heeft de angst om ook uit huis geplaatst te worden. [minderjarige 1] is, na uitval op [school 1] gestart op [school 2] . Hij zit goed in zijn vel en lijkt daar op zijn plek te zitten maar vindt het nog steeds lastig om emoties te uiten. De strijd tussen de ouders blijft voortduren en de minderjarigen blijven last houden van een loyaliteitsconflict. Deze zorgen maken dat hulpverlening in een gedwongen kader nodig blijft.
5.3.
In de afgelopen periode is namelijk gebleken dat ondanks de inzet van hulpverlening en de partijen die rondom het gezin betrokken zijn, de zorgen alleen maar toenemen. De moeder ervaart veel boosheid en lijkt vooral bezig te zijn met strijden. De minderjarigen lijken deze boosheid van de moeder ook over te nemen, hetgeen een zorgelijke ontwikkeling is. De minderjarigen hebben, op advies van de Gezinsadvocaat, op dit moment tijdelijk geen contact met hun vader zodat zij op dat punt rust ervaren.
5.4.
Voorts is gebleken dat de grootste zorg vanuit de hulpverlening het gebrek aan “goed genoeg ouderschap” is en dat om die reden is besloten om het intensieve traject MST CAN in te zetten. Dit traject zal, naast hulpverlening die zich richt op beide ouders, zich ook richten op de minderjarigen en het ingroeitraject van de minderjarigen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De hulpverlening is nodig om te zorgen dat het veilig genoeg is voor de minderjarigen. Zij hebben momenteel veel last van de boosheid van de moeder en de ruzies en spanningen tussen de ouders. Hoewel de moeder open staat voor deze intensieve hulpverleningsvorm en zij, in samenspraak met de MST-therapeut, doelen heeft opgesteld, zal dit traject veel vragen van de moeder. Ook de Gezinsadvocaat is nog betrokken en richt zich op onderzoeken bij de minderjarigen ten aanzien van hechting, trauma, sociaal emotionele ontwikkeling en gezinsbeleving, de zorgregeling met de vader en het vormgeven van parallel ouderschap. Dit alles is een uitermate complex geheel wat goede afstemming en stevige regie vraagt. De regievoering van de GI acht de kinderrechter onmisbaar en gelet daarop zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen voor de door haar gevraagde duur. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de ondertoezichtstelling te verlengen voor een kortere duur, zoals is verzocht namens de moeder.
5.5.
De ondertoezichtstelling is gelet op het voorgaande nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 4 april 2026 tot 4 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, en op schrift gesteld op 13 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.