De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, geboren in 2009, die bij hun moeder wonen. De gecertificeerde instelling (GI) had de ondertoezichtstelling reeds meerdere malen verlengd, maar achtte verdere verlenging niet noodzakelijk vanwege verbeterd contact met de vader. De minderjarigen en hun moeder verzetten zich tegen verlenging, stellende dat het goed gaat en zij zelf het contact met de vader willen regelen.
De vader en de Raad uiten echter zorgen over de duurzaamheid van het contact en de ontwikkeling van de minderjarigen, mede vanwege het ontbreken van hulpverlening en de gesloten geloofsgemeenschap waar de kinderen deel van uitmaken. De kinderrechter heeft de minderjarigen gehoord en concludeert dat ondanks het verbeterde contact er nog onzekerheid bestaat en dat een gesprek tussen vader en kinderen onder begeleiding van een hulpverlener wenselijk is.
De kinderrechter weegt de belangen en constateert dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld, met name de ernstige bedreiging van de ontwikkeling en het ontbreken van voldoende hulpverlening. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 19 augustus 2026 en wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.