Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3524

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/444203 / FA RK 26/334
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Vriends
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253t BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek gezamenlijk gezag stiefouder over minderjarigen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 maart 2026 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende het gezamenlijk gezag van de stiefouder over drie minderjarige kinderen. De vader oefent sinds 2017 eenhoofdig gezag uit over de kinderen, die bij hem en de stiefmoeder verblijven. De biologische moeder is niet meer in beeld en er is geen contact met de kinderen.

De vader en de stiefmoeder hebben sinds 2015 een affectieve relatie en zorgen al jaren gezamenlijk voor de kinderen. Vanwege de psychische en verslavingsproblematiek van de vader is er een ondertoezichtstelling en tijdelijke uithuisplaatsing geweest. De stiefmoeder heeft tijdens de afwezigheid van de vader de zorg voortgezet. De kinderen en de gecertificeerde instelling steunen het verzoek.

De rechtbank oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden van artikel 1:253t BW is voldaan en dat geen gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen worden verwaarloosd. Het gezamenlijk gezag wordt toegekend en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe en belast de vader en stiefmoeder gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/444203 / FA RK 26-334
Datum uitspraak: 30 maart 2026
beschikking betreffende gezamenlijk gezag stiefouder
in de zaak van
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. P. Doorakkers te Oosterhout,
en
[de (stief)moeder] ,
hierna te noemen: de (stief)moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. P. Doorakkers te Oosterhout,
betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1] ,geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,geboren op [geboortedag 2] 2012 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,geboren op [geboortedag 3] 2008 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
Als informant zijn in de procedure betrokken:
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd te Etten-Leur.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 16 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 13 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vader (via een videoverbinding) en de (stief)moeder, bijgestaan door hun advocaat. Ook waren een vertegenwoordigster namens de Raad en twee vertegenwoordigers van de GI aanwezig.
1.3
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben via een brief laten weten wat zij van het verzoek vinden. Tijdens de zitting is aangegeven wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn geboren uit de eerdere affectieve relatie tussen de vader en de biologische moeder, mevrouw [de biologische moeder] .
2.2
Met de beschikking van deze rechtbank van 13 april 2017, bekrachtigd door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch met de uitspraak van 12 april 2018, heeft de rechtbank de vader belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen.
2.3
De minderjarigen verblijven bij de vader en de (stief)moeder. Zij hebben geen contact met hun biologische moeder.
2.4
Met de beschikking van 21 oktober 2025 zijn de minderjarigen voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is er een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend met ingang van 21 oktober 2025 tot 4 november 2025. Met de beschikking van 28 oktober 2025 is de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd van 28 oktober 2025 tot 21 januari 2026.
2.5
Met de beschikking van 13 januari 2026 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 13 januari 2026 tot 13 juli 2026.

3.Het verzoek

3.1
De vader en de (stief)moeder verzoeken, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om te bepalen dat de (stief)moeder op grond van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mede met het gezag over de minderjarigen wordt belast.
3.2
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253t lid 1 BW kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.
4.2
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, in het geval dat het kind ook in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts wordt toegewezen indien:
( a) de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad, en
( b) de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.
4.3
Het derde lid van artikel 1:253t BW bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
4.4
Door en namens de vader en de (stief)moeder is aan het verzoek ten grondslag gelegd dat aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 1:253t BW is voldaan. De vader oefent sinds de beschikking van deze rechtbank van 13 april 2017, bekrachtigd bij de uitspraak van het gerechtshof van 12 april 2018, alleen het gezag uit over de minderjarigen. De biologische moeder is na de relatiebreuk in 2015 volledig uit beeld geraakt en het contact tussen de minderjarigen en de biologische moeder is nooit meer hersteld vanwege de persoonlijke problematiek van de moeder. De vader en de (stief)moeder hebben sinds december 2015 een affectieve relatie met elkaar en zijn in 2016 gaan samenwonen. De (stief)moeder zorgt sindsdien ononderbroken voor de minderjarigen en heeft een goede band met de minderjarigen. De vader had de afgelopen periode te kampen met psychische problematiek, waaronder verslavingsproblematiek. Ondanks de eerdere inzet van hulpverlening, heeft een escalatie in de thuissituatie geleid tot een (voorlopige) ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing, namelijk bij de (stief)moeder. De vader is op 26 november 2025 opgenomen in een afkickkliniek. Sinds 1 januari 2026 is de vader weer thuis en volgt hij een nazorgtraject. Dit traject is vanwege een recente val met een bekkenbreuk tot gevolg op het moment enkel digitaal. Het gezamenlijk gezag heeft als doel dat de (stief)moeder, bij een onverhoopte terugval van de vader, beslissingen kan nemen in het belang van de minderjarigen.
4.5
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben bij de rechtbank aangegeven dat zij achter het verzoek van de vader en de (stief)moeder staan.
4.6
Ook de GI staat achter het verzoek. Het is goed dat de (stief)moeder mede met het gezag over de minderjarigen wordt belast. De vader is pas net terug van de klinische opname en zijn situatie is nog kwetsbaar. De (stief)moeder is daarbij een stabiele factor voor de minderjarigen. Het contact met de vader en de (stief)moeder verloopt goed en zij werken mee aan de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling.
4.7
De Raad heeft geadviseerd om het verzoek van de vader en de (stief)moeder toe te wijzen. Aan de juridische en emotionele voorwaarden wordt voldaan. De minderjarigen zien de (stief)moeder als hun moeder en de (stief)moeder heeft toen de vader wegviel vanwege zijn klinische behandeling eveneens de zorg voor de minderjarigen voortgezet.
4.8
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:253t BW. Vast staat dat de vader met de beschikking van deze rechtbank van 13 april 2017, bekrachtigd bij de uitspraak van het gerechtshof van 12 april 2018, belast is met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen en sindsdien alleen het gezag uitoefent over de minderjarigen. Ook is het de rechtbank gebleken dat de (stief)moeder in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] staat, omdat de zij de minderjarigen inmiddels al zo’n tien jaar, samen met de vader, in gezinsverband verzorgt en opvoedt.
4.9
Het is de rechtbank verder niet gebleken dat er, mede in het licht van de belangen van de andere ouder, een gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. De biologische moeder van de minderjarigen is al geruime tijd niet in beeld en de minderjarigen hebben geen contact met haar. De (stief)moeder is al jarenlang betrokken bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen en wordt ook nu al betrokken bij de (belangrijke) beslissingen over de minderjarigen. Toewijzing van het verzoek zou dus de juridische situatie in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie. De afgelopen periode is een moeilijke en onrustige periode geweest voor het gezin. Gebleken is dat de vader kampt met persoonlijke problematiek waarvoor (klinische) behandeling noodzakelijk is geweest. Op dat moment hebben de minderjarigen (middels een machtiging tot uithuisplaatsing vanwege de ondertoezichtstelling) bij de (stief)moeder verbleven. Wanneer de vader onverhoopt een terugval heeft, is het belangrijk dat de (stief)moeder de zorg voor de minderjarigen kan voortzetten en de beslissingen kan nemen die in hun belang worden geacht. Hier zijn alle betrokkenen het over eens.
4.1
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader en de (stief)moeder toewijzen en hen gezamenlijk belasten met het gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
4.11
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat deze beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
4.12
Het voorgaande leidt tot volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
bepaalt dat de vader en de (stief)moeder voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarigen,
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2008 te [geboorteplaats] ;
5.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vriends, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.