De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling voor zijn minderjarige kinderen na een echtscheiding. Eerder was een hulpverleningstraject gestart bij De Gezinsmanager om contactherstel te bevorderen, maar dit is niet geslaagd. De minderjarigen wilden geen contact meer vanwege eerdere escalaties en ervaren sinds het beëindigen van het contact meer rust en veiligheid.
De Raad voor de Kinderbescherming voerde een onderzoek uit en adviseerde geen zorgregeling op te leggen, omdat dit niet in het belang van de kinderen zou zijn en zelfs contraproductief kon werken. Zowel de vrouw als de man onderschreven dit advies, waarbij de man zijn eigen aandeel erkende en hoopte op een toekomstige, op initiatief van de kinderen gebaseerde, contactherstel.
De rechtbank nam het advies van de Raad over en oordeelde dat het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling moest worden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking werd schriftelijk afgedaan en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.