Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3522

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/415790 FA RK 23-5248
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Keijzerwaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling zorgregeling wegens gebrek aan belang minderjarigen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling voor zijn minderjarige kinderen na een echtscheiding. Eerder was een hulpverleningstraject gestart bij De Gezinsmanager om contactherstel te bevorderen, maar dit is niet geslaagd. De minderjarigen wilden geen contact meer vanwege eerdere escalaties en ervaren sinds het beëindigen van het contact meer rust en veiligheid.

De Raad voor de Kinderbescherming voerde een onderzoek uit en adviseerde geen zorgregeling op te leggen, omdat dit niet in het belang van de kinderen zou zijn en zelfs contraproductief kon werken. Zowel de vrouw als de man onderschreven dit advies, waarbij de man zijn eigen aandeel erkende en hoopte op een toekomstige, op initiatief van de kinderen gebaseerde, contactherstel.

De rechtbank nam het advies van de Raad over en oordeelde dat het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling moest worden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking werd schriftelijk afgedaan en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling wordt afgewezen omdat dit niet in het belang is van de minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/415790 FA RK 23-5248
datum uitspraak: 30 maart 2026
nadere beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. D.C.M. Smeulders-Martens,
en
[de man],
wonende in [woonplaats]
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.J. Broekhuizen-Termaat.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 27 augustus 2024 en alle daarin vermelde stukken;
- het op 24 juni 2025 ontvangen rapport van De Gezinsmanager van 26 mei 2025;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, van
12 september 2025;
- het op 17 februari 2026 ontvangen rapport van de Raad van 16 februari 2026;
- de brief van mr. Smeulders-Martens van 26 februari 2026;
- de brief van mr. Broekhuizen-Termaat van 4 maart 2026.

2.De verdere beoordeling

2.1
De rechtbank heeft in de beschikking van 27 augustus 2024 de echtscheiding uitgesproken en een beslissing gegeven over het hoofdverblijf van de kinderen, de kinderalimentatie, het huurrecht van de echtelijke woning en de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Daarnaast zijn partijen verwezen voor een hulpverleningstraject naar De Gezinsmanager. De beslissing op het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling is aangehouden in afwachting van de uitkomst van dit traject. Ter beoordeling ligt nu nog het verzoek van de man voor.
Raadsrapport
2.2.
Uit het rapport van De Gezinsmanager blijkt dat het partijen tijdens het hulpverleningstraject uiteindelijk niet is gelukt om te komen tot contactherstel tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad is daarom een onderzoek gestart. Uit het onderzoek van de Raad is het volgende naar voren gekomen.
De Raad constateert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten tijde van de echtscheiding geconfronteerd zijn met escalaties tussen hun ouders. Dit heeft ertoe geleid dat de jongens angst hebben gekregen voor de man en geen contact meer met hem wilden. Dit was in september 2023. Tijdens het traject bij De Gezinsmanager hebben ouders stappen gezet en was er groei te zien in de contacten tussen de man en de jongens. In februari 2025 zijn de geplande begeleide omgangsmomenten tijdelijk stopgezet vanwege de suïcidale uitlatingen door de man. Hij zat in een moeilijke situatie. Na drie weken is het begeleide contact weer hervat, maar de contacten liepen niet meer goed. De jongens gingen met veel weerstand er naartoe. De man ervaarde veel terughoudendheid vanuit de jongens en de klik leek er niet meer te zijn. Vanaf april 2025 hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de man niet meer gezien.
De Raad heeft met beide jongens gesproken. Zij willen geen contact meer met de man, op welke wijze dan ook. Zij geven aan dat hiervoor teveel is gebeurd. Nu er geen contact is, ervaren de jongens allebei dat het beter met ze gaat. [minderjarige 2] zit naar eigen zeggen beter in zijn vel en heeft meer energie. [minderjarige 1] heeft verteld dat hij zich veilig en gelukkiger voelt en meer rust ervaart. Uit de informatie van de scholen van de jongens zijn geen zorgelijke signalen over hun ontwikkeling naar voren gekomen. Ook de vrouw merkt dat het goed gaat met de jongens.
De Raad vindt het belangrijk voor de jongens dat zij duidelijkheid krijgen over het contact met de man en dat het juridische traject wordt beëindigd. De Raad constateert dat er geen draagvlak meer is voor een nieuw traject bij alle betrokkenen (ook niet voor de ouders zelf). De jongens zijn op dit moment het meest gebaat bij een situatie waarin er niet aan ze getrokken wordt, maar waarin ze de ruimte krijgen om zelf de regie te hebben/tot initiatief te komen in contact met de man. De Raad adviseert de rechtbank dan ook om geen concrete zorgregeling vast te leggen tussen de man en de jongens. Gelet op de leeftijd van de jongens en hun eigen agenda’s kan de Raad zich ook voorstellen dat een ‘opgelegde’ zorgregeling niet geheel passend meer is en zelfs contraproductief kan werken. De Raad wil met het advies wel het belang benadrukken van het houden van ruimte voor contactherstel.
Standpunt vrouw
2.3.
De vrouw geeft in haar brief van 26 februari 2026 aan dat zij zich kan vinden in het advies van de Raad. Zij wil het liefst dat er geen zorgregeling wordt opgelegd, zodat de druk wordt weggehaald bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen hebben behoefte aan rust. Aan ze blijven trekken zal een averechts effect hebben.
Standpunt man
2.4.
In zijn brief van 4 maart 2026 geeft de man aan dat hij geen andere mogelijkheid ziet dan zich neer te leggen bij het advies van de Raad. Hij had de uitkomst van het onderzoek graag anders gezien. Hij verwijst naar zijn reactie op het raadsrapport. Het doet hem veel pijn te horen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen contact met hem willen. Door het rapport is hij gaan nadenken over zijn eigen aandeel en begrijpt hij nu ook waarom de jongens zo naar hem kijken en over hem denken. Zijn wens is een nieuwe start met hen te maken, waarbij hij beseft dat dit tijd zal kosten en dat er veel voor nodig zal zijn om het vertrouwen te herstellen. En ook het besef dat dit moet passen binnen de wensen en kaders van de jongens. De man hoopt met het advies van de Raad dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hierdoor inderdaad de ruimte krijgen om op eigen initiatief in contact met hem te komen.
Beoordeling rechtbank
2.5.
De rechtbank neemt het advies van de Raad over en is van oordeel dat het opleggen van een zorgregeling niet in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De jongens geven zelf ook duidelijk aan dat zij geen contact willen hebben de man. Ook geven zij allebei aan dat sinds het beëindigen van het traject het beter met hun gaat. In de huidige situatie waarin zij geen contact hebben met de man voelen zij zich fijner en ervaren rust. De vrouw ziet dit ook aan de jongens. De rechtbank begrijpt dat deze huidige situatie voor de man heel moeilijk en verdrietig is. De rechtbank vindt het goed om te lezen in het raadsrapport dat de man tot inzichten is gekomen en dat hij is gaan begrijpen waarom de jongens zo naar hem kijken. Mogelijk kan aan de jongens worden meegegeven dat de man de verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn gedragingen in het verleden. Zowel de vrouw als de man kunnen zich vinden in het advies van de Raad. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de man tot het vastleggen van een zorgregeling tussen hem en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal afwijzen. Partijen hebben allebei aangegeven dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan.
Proceskosten
2.6.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
wijst het verzoek van de man tot vaststelling van een zorgregeling af;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Keijzerwaard, en, in tegenwoordigheid van mr. Schröder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.