De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 30 maart 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw die sinds 2021 gehuwd waren in beperkte gemeenschap van goederen. De vrouw verzocht om echtscheiding, toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan haar en vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man verzocht primair om het huurrecht aan hem toe te kennen en subsidiair om het recht te behouden de woning te bewonen indien het huurrecht aan de vrouw zou worden toegekend.
Partijen bereikten overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder toewijzing van auto's, bankrekeningen en inboedel, en afspraken over de zorg voor hun hond. De rechtbank kon de verdeling niet vaststellen omdat partijen het eens waren, maar verklaarde de afspraken bindend.
De kern van het geschil betrof het huurrecht van de woning. De vrouw stelde dat haar COPD en de gelijkvloerse woning haar een zwaarwegend belang gaven, terwijl de man wees op zijn moeizaam herstel na een openhartoperatie, zijn geestelijke kwetsbaarheid en het ontbreken van een sociaal netwerk. Na belangenafweging oordeelde de rechtbank dat het belang van de man zwaarder woog en kende het huurrecht aan hem toe. De vrouw kon elders tijdelijk verblijven bij familie of vrienden. De man gaf aan de vrouw een termijn van zes maanden te gunnen om vervangende woonruimte te vinden.