ECLI:NL:RBZWB:2026:3499
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde bedrijfsruimte wegens onvoldoende onderbouwing heffingsambtenaar
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn bedrijfsruimte, vastgesteld op €175.000 per 1 januari 2024, en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2025. De heffingsambtenaar had de waarde bepaald met een taxatiematrix en referentieobjecten, maar belanghebbende betwistte de vergelijkbaarheid en onderbouwing hiervan.
De rechtbank overwoog dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De gebruikte referentieobjecten waren niet voldoende vergelijkbaar en er was onvoldoende rekening gehouden met verschillen in kwaliteit en gebruiksruimtes. Ook de door belanghebbende voorgestelde lagere waarde werd niet aannemelijk gemaakt.
Omdat geen van beide partijen het bewijs kon leveren, stelde de rechtbank de waarde in goede justitie vast op €170.000. De aanslag OZB werd dienovereenkomstig verminderd. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De WOZ-waarde en aanslag OZB worden verminderd tot €170.000 wegens onvoldoende onderbouwing door de heffingsambtenaar.