Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister.
Samenvatting
.Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
In de documenten 5, 8, 13, 14, 17 tot en met 19, 22, 57, 78, 85, 131 en 147 heeft de minister alsnog informatie deels openbaar gemaakt door de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo minder ruim toe te passen. Voor de documenten 30, 56 en 96 heeft de minister de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo onveranderd toegepast.
Ten tweede is alle informatie waar het Woo-verzoek op ziet milieu-informatie in de zin van artikel 19.1a van de Wet milieubeheer. Dat betekent dat op grond van artikel 4, vierde lid, onder a, van het Verdrag van Aarhus de minister terughoudend moet zijn met deze weigeringsgrond. Deze weigeringsgrond moet bovendien verdragsconform worden toegepast. Ten slotte en in het verlengde hiervan stelt eiser dat artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo een onjuiste implementatie is van artikel 4, vierde lid, onder a, van het Verdrag van Aarhus en dus dat deze weigeringsgrond onverbindend is vanwege strijd met hoger recht.