ECLI:NL:RBZWB:2026:3477

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
25/3526
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 8:29 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over onvolledige herbeoordeling en onjuiste toepassing weigeringsgronden Wet open overheid

Eiser heeft op grond van de Wet open overheid (Woo) informatie opgevraagd over TGG, TAG en staalslakken in de provincie Zeeland. De minister heeft na bezwaar een gedeeltelijke openbaarmaking gegeven, maar eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.

De rechtbank constateert dat de minister de herbeoordeling onvolledig heeft uitgevoerd door zich te beperken tot zestien documenten, terwijl de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo op meer documenten is toegepast. Tevens is vastgesteld dat de minister de weigeringsgronden onder e en i onjuist heeft toegepast, onder meer door namen van gerechtelijke deskundigen onterecht weg te lakken en onvoldoende te motiveren waarom bepaalde informatie niet openbaar mag worden gemaakt.

De rechtbank heeft steekproefsgewijs de ongelakte documenten beoordeeld en concludeert dat de minister onvoldoende onderscheid heeft gemaakt tussen informatie die betrekking heeft op lopende juridische procedures en andere informatie. Ook is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat het verzoek milieu-informatie betreft, waardoor een zwaardere motiveringsplicht geldt.

De rechtbank beveelt de minister aan binnen zes weken de gebreken te herstellen door een volledige heroverweging uit te voeren, waarbij alle documenten betrokken worden en per passage wordt gemotiveerd waarom een weigeringsgrond wordt toegepast. De minister moet binnen twee weken aangeven of hij van deze herstelmogelijkheid gebruik maakt. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens onvolledige herbeoordeling en onjuiste toepassing van weigeringsgronden en draagt de minister op de gebreken binnen zes weken te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3526

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 24 juni 2025 (bestreden besluit) waarin de minister het bezwaar van eiser deels gegrond heeft verklaard en op grond van de Wet open overheid (Woo) een aantal documenten ruimer (maar nog steeds gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt. Eiser is het hier nog niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de stukken.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de minister onvolledig is geweest bij de herbeoordeling en dat de minister de weigeringsgronden onjuist heeft toegepast
.Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 21 februari 2024 heeft eiser een verzoek ingediend op grond van de Woo bij de Inspectie Leefomgeving Transport (ILT). De minister heeft bij besluit van 3 oktober 2024 een deel van de gevraagde informatie openbaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 24 juni 2025 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard en een aantal documenten ruimer (maar nog steeds gedeeltelijk) openbaar gemaakt.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de minister mr. O.K.N. Kumar en [persoon] (inspecteur).

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Op 21 februari 2024 heeft eiser een Woo-verzoek ingediend bij de ILT. Dit informatieverzoek is na overleg tussen eiser en een medewerker van de afdeling Juridische zaken van de ILT nader gespecificeerd. Het verzoek ziet op informatie die betrekking heeft op het gebied van de gemeente Hulst/Perkpolder en andere gebieden nabij Provincie Zeeland inzake TGG/TAG/Staalslakken in de periode 17 juli 2020 tot en met 21 februari 2024. [1]
3.1.
Hierna heeft de minister de besluiten genomen zoals beschreven in het procesverloop.
Het bestreden besluit
4. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar deels gegrond verklaard. De minister heeft besloten om op document 3a geen weigeringsgrond meer toe te passen omdat dit een artikel is uit een tijdschrift en daarom reeds openbare informatie betreft. De documenten met nummers 5, 8, 13, 14, 17 tot en met 19, 22, 30, 56, 57, 78, 85, 96, 131 en 147 betreffen e-mails. Van deze documenten zijn de extensies, het onderwerp en de tijd en datum alsnog openbaar gemaakt.
In de documenten 5, 8, 13, 14, 17 tot en met 19, 22, 57, 78, 85, 131 en 147 heeft de minister alsnog informatie deels openbaar gemaakt door de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo minder ruim toe te passen. Voor de documenten 30, 56 en 96 heeft de minister de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo onveranderd toegepast.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Woo kan eenieder een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. Het vierde lid bepaalt dat de verzoeker bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document vermeldt, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
5.2.
Artikel 5.1, tweede lid, van de Woo bevat relatieve weigeringsgronden. Het bestuursorgaan moet het in de uitzonderingsgrond genoemde belang afwegen tegen het algemene belang bij openbaarheid van de betrokken informatie. Het uitgangspunt dat informatie openbaar is, weegt daarbij zwaar. [2] Het specifieke belang van de verzoeker speelt in die belangenafweging geen rol, evenmin diens persoon of oogmerk. [3]
5.3.
Artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo bepaalt dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
5.4.
Artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo bepaalt dat het openbaar maken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
5.5.
Artikel 4, vierde lid, onder a, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus) bepaalt dat een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd indien de bekendmaking een nadelige invloed zou hebben op de vertrouwelijkheid van het handelen van overheidsinstanties, wanneer in dergelijke vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal recht. Deze grond voor weigering wordt restrictief uitgelegd, met inachtneming van het met bekendmaking gediende openbare belang en in aanmerking nemend of de verzochte informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.
Is de beoordeling in het bestreden besluit onvolledig?
6. Eiser vindt de beoordeling van de minister in het bestreden besluit onvolledig. De minister heeft alleen de documenten met nummers 5, 8, 13, 14, 17 tot en met 19, 22, 30, 56, 57, 78, 85, 96, 131 en 147 meegenomen in de herbeoordeling. De bezwaargronden zagen echter niet alleen op de in het bestreden besluit genoemde documenten, maar op alle documenten waarop de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo is toegepast. Alle documenten waarop de minister deze weigeringsgrond heeft toegepast, had de minister dus moeten meenemen in de herbeoordeling.
7. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank oordeelt dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door de heroverweging slechts te beperken tot een deel van de documenten. Tijdens de zitting heeft de minister erkend dat voor de behandeling van het bezwaar alleen de openbaarmaking opnieuw is beoordeeld van de zestien documenten die in het bestreden besluit zijn genoemd. Artikel 7:11, van de Awb vergt echter een volledige heroverweging van in dit geval de beslissing op het Woo-verzoek. Hierbij komt dat eiser expliciet in zijn bezwaarschrift heeft gesteld dat hij vindt dat voor alle documenten waarbij in het primaire besluit de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo is toegepast, dit ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft plaatsgevonden. Dit was dus, anders dan de minister kennelijk dacht, niet beperkt tot de tekstblokken waarop een dubbele weigeringsgrond was toegepast (artikel 5.1, tweede lid, onder e en artikel 5.1, tweede lid, onder i van de Woo).
7.1.
Eiser heeft ook aangevoerd dat in documenten 17, 131 en 147 de weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid, onder e en i, van de Woo nog steeds door elkaar lopen. Met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb, heeft de rechtbank kennisgenomen van de ongelakte versies van deze documenten. Voor de documenten 17 en 147 volgt de rechtbank de minister dat de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo correct op namen en persoonsgegevens is toegepast. In document 131 ziet de rechtbank wel een weggelakt blok waar de weigeringsgronden nog steeds door elkaar lopen na de heroverweging. Dat bevestigt dat geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. De rechtbank merkt over document 131 verder op dat het ongelakte stuk uit drie pagina’s bestaat, maar dat voor de deels openbare stukken de derde pagina niet is meegestuurd. Deze derde pagina is een e-mail aan eiser zelf. De omstandigheid dat die mail al is gericht aan de Woo-verzoeker, maakt niet dat het buiten beschouwing kan worden gelaten bij de beoordeling van het Woo-verzoek. Bij wijze van steekproef is de rechtbank ook op een ander document gestuit waar het aantal pagina’s van de ongelakte en gelakte versies niet overeenkomt. Voor de deels openbaar gemaakte versie van document 21 mist namelijk de tweede pagina. Dus de verstrekking van de gelakte stukken is in ieder geval voor deze twee documenten onvolledig. Ook daaruit blijkt dat de heroverweging onvolledig is.
7.2.
Eiser heeft ten slotte tijdens de zitting een lijst met documentnummers overhandigd waarvan hij geheel geen kopie heeft gekregen. Voor zover dit terecht integraal geweigerde stukken zijn (wat verderop in deze uitspraak wordt beoordeeld), hoefde de minister niet geheel zwart gelakte stukken aan te leveren en kon de minister volstaan door deze stukken niet te verstrekken.
Mocht de minister de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e toepassen?
8. Eiser is het niet eens met de wijze waarop de minister artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo heeft toegepast. Tijdens de zitting heeft hij verduidelijkt dat hij niet vindt dat namen van ambtenaren, contactpersonen en hun contactgegevens openbaar moeten zijn. Hij vindt echter wel dat namen van gerechtelijke deskundigen niet mogen worden weggelakt. Hij verwijst specifiek naar document 159b.
8.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo heeft toegepast door de naam van de gerechtelijk deskundige consequent weg te lakken. Het gaat in dit geval namelijk om een persoon die is benoemd als gerechtelijk deskundige in de lopende civiele zaak. Dat betekent dat de gerechtelijk deskundige zichtbaar moet zijn op de plekken waar hij optreedt als gerechtelijk deskundige. Ook deze beroepsgrond slaagt dus.
Mocht de minister de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i toepassen?
9. Eiser betoogt dat de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo onjuist en ten onrechte is toegepast. In de eerste plaats stelt hij dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat publicatie van de informatie daadwerkelijk nadelige gevolgen zal hebben voor de vertrouwelijkheid van het handelen van overheidsinstanties. Eiser betwijfelt specifiek dat de documenten 30, 56 en 96 zien op een lopende juridische procedure zoals de minister stelt en verzoekt de rechtbank om deze stukken te beoordelen.
Ten tweede is alle informatie waar het Woo-verzoek op ziet milieu-informatie in de zin van artikel 19.1a van de Wet milieubeheer. Dat betekent dat op grond van artikel 4, vierde lid, onder a, van het Verdrag van Aarhus de minister terughoudend moet zijn met deze weigeringsgrond. Deze weigeringsgrond moet bovendien verdragsconform worden toegepast. Ten slotte en in het verlengde hiervan stelt eiser dat artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo een onjuiste implementatie is van artikel 4, vierde lid, onder a, van het Verdrag van Aarhus en dus dat deze weigeringsgrond onverbindend is vanwege strijd met hoger recht.
9.1.
De minister heeft toegelicht dat alle documenten onderdeel uitmaken van het proces van standpuntbepaling in een nog niet afgeronde civiele zaak van de Staat der Nederlanden. Deze civielrechtelijke procedure is aangehouden totdat de bestuursrechter een uitspraak heeft gedaan in een andere zaak die loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). De reden om de betreffende informatie niet openbaar te maken, is volgens de minister dus actueel. De toegang tot milieu-informatie kan geweigerd worden, wanneer de bekendmaking een nadelige invloed heeft. In de belangenafweging heeft de minister meer gewicht gegeven aan de omstandigheid dat sprake is van een lopende procedure.
9.2.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, van de Awb kennis genomen van de ongelakte versies van de documenten. Vanwege de omvang van het aantal stukken waarop de i-grond is toegepast, heeft de rechtbank de documenten met steekproeven gecontroleerd. Bij deze beoordeling heeft de rechtbank in ieder geval alle documenten gecontroleerd die specifiek waren genoemd in het bestreden besluit.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo onjuist heeft toegepast door deze op documenten toe te passen enkel omdat zij onderdeel uitmaken van het proces van standpuntbepaling in de lopende civiele zaak van de Staat der Nederlanden. Deze bepaling maakt het mogelijk dat openbaarmaking van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS moet een bestuursorgaan per zelfstandig onderdeel van een document motiveren welke uitzonderingsgrond van toepassing is en of het daardoor beschermde belang zwaarder weegt dan het algemene belang van openbaarheid. Onder bijzondere omstandigheden kan van deze verplichting echter worden afgezien. In tijden van crisis kan een bestuursorgaan bijvoorbeeld volstaan met een afweging in abstracto voor een of meer documenten in zijn geheel. [4] Indien de complexiteit en gevoeligheid van een aangelegenheid dat vergt, kan het bestuursorgaan bij de in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo bedoelde afweging volstaan met de motivering van deze complexiteit en gevoeligheid, zonder in te gaan op de op de aangelegenheid betrekking hebbende documenten, wat immers zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen.
10.1.
De minister heeft toegelicht dat het gaat om documenten en e-mails waarin informatie wordt gedeeld over lopende juridische procedures van de Staat. Openbaarmaking van de documenten zou de Staat in zijn belang raken, omdat dit zou leiden tot het prijsgeven van vertrouwelijke informatie over de procespositie van de Staat. De rechtbank is het met de minister eens dat zulke informatie in beginsel onder deze weigeringsgrond kan vallen. [5] Tijdens de steekproefsgewijze beoordeling van de ongelakte stukken, heeft de rechtbank echter meerdere gevallen geconstateerd waar deze weigeringsgrond is toegepast op informatie die naar oordeel van de rechtbank niet ziet op lopende juridische procedures. In de documenten 30, 56, 96 acht de rechtbank bijvoorbeeld denkbaar dat daar passages in staan die zien op vertrouwelijke informatie over de rechtspositie van de Staat. De rechtbank begrijpt dat voor een gedeelte van deze documenten, maar niet zonder meer voor de gehele documenten. De minister heeft bovendien nog te weinig gemotiveerd hoe zich deze weigeringsgrond verhoudt tot de omstandigheid dat sprake is van milieu informatie. Ook over document 89 heeft de rechtbank grote twijfels omdat dit gaat over een conceptartikel van Trouw. Hierin leest de rechtbank geen bepaling van een procespositie, maar meer bepaling van een mediastrategie. De minister heeft voor deze documenten onvoldoende gemotiveerd waarom alle gelakte passages vallen onder de weigeringsgrond.
10.2.
Samengevat is de minister in de eerste plaats niet uitvoerig genoeg geweest in zijn beoordeling door na te laten om per document, in de documenten, een duidelijk onderscheid te maken tussen informatie die echt over de lopende juridische procedure gaat en informatie die daar niet over gaat. Als een stuk inderdaad onderdeel uit heeft gemaakt van het proces van standpuntbepaling, dan betekent dat namelijk nog niet dat alle passages in dat document kunnen worden geweigerd op basis van deze weigeringsgrond. De minister had alle 163 documenten waarop deze weigeringsgrond is toegepast dus kritischer moeten doornemen en had per passage moeten beoordelen of de weigeringsgrond kon worden toegepast. Bij de verplichte belangenafweging heeft de minister ten tweede onvoldoende rekening gehouden dat sprake is van milieu informatie. [6] Daarbij geldt namelijk dat de minister op grond van het Verdrag van Aarhus, een zwaardere motiveringsplicht heeft als hij wil weigeren om milieu informatie openbaar te maken.
10.3.
Omdat is gebleken dat de minister de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo onjuist heeft toegepast en deze beroepsgrond dus al slaagt, laat de rechtbank zich nu niet uit over het beroep van eiser op het verdrag van Aarhus en de volgens hem beweerde strijdigheid van dit artikel met dit verdrag.
Herstelmogelijkheid
11. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met het artikel 7:11, eerste lid, van de Awb (overweging 7), met artikel 5.1, tweede lid, en onder e, van de Woo (overweging 8.1) en met artikel 5.1, tweede lid, en onder i, van de Woo (overweging 10 tot en met 10.3). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen zal de minister in de eerste plaats een volledige heroverweging moeten uitvoeren waarbij hij zich niet beperkt tot zestien documenten. De minister moet bij de heroverweging alle documenten betrekken waarop de weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid, onder e en i, van de Woo zijn toegepast. Ten tweede zal de minister kritischer moeten kijken wanneer hij een weigeringsgrond toepast. Per document en per gelakte passage zal de minister moeten motiveren waarom artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo aan de orde is voor die informatie. Als de minister opnieuw al dan niet gelakte stukken openbaar maakt, dan is vanzelfsprekend dat hij dezelfde documentnummering blijft aanhouden als tot nu toe is toegepast. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
12. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
13. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).
14. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 28 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:11, eerste lidIndien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
Wet open overheid
Artikel 2.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
document:een door een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan, die persoon of dat college;
Artikel 4.1
Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
Een verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend en kan elektronisch worden verzonden op de door het bestuursorgaan aangegeven wijze.
De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.
De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 5.

Artikel 4.5

Het bestuursorgaan verstrekt de informatie in de door verzoeker verzochte vorm of, indien dit redelijkerwijs niet gevergd kan worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.4, derde lid.
Indien de informatie reeds in een voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is, wijst het bestuursorgaan de verzoeker daarop.

Artikel 5.1, tweede en derde lid

2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
3. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;
4. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;
5. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
6. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
7. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
8. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;
9. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
10. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;
11. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
12. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering.

Verdrag van Aarhus

Artikel 4, vierde lid
Een verzoek om milieu-informatie kan worden geweigerd indien de bekendmaking een nadelige invloed zou hebben op:
a. de vertrouwelijkheid van het handelen van overheidsinstanties, wanneer in dergelijke vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal recht;
[…]
De bovengenoemde gronden voor weigering worden restrictief uitgelegd, met inachtneming van het met bekendmaking gediende openbare belang en in aanmerking nemend of de verzochte informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.

Voetnoten

1.TGG staat voor thermisch gereinigde grond. TAG staat voor teerhoudend asfaltgranulaat. Een staalslak is een steenachtig materiaal dat overblijft bij de productie van staal.
2.ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:488.
3.ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:143.
4.ABRvS 30 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2699, r.o. 8.2.
5.ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870, r.o. 4.2.
6.Op grond van artikel 5.1, derde lid, van de Woo.