Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3458

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
C/02/446779 /HO RK 26-119
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Prenger
  • Leppens
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 376 FwArt. 370 lid 3 FwArt. 370 lid 1 FwArt. 369 lid 6 FwArt. 369 lid 7 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afkondiging afkoelingsperiode in besloten WHOA-akkoordprocedure ter voorkoming faillissement

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 20 april 2026 het verzoek van een besloten B.V. tot afkondiging van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Faillissementswet Pro (Fw) in het kader van een WHOA-akkoordprocedure. De B.V. verkeert in financiële moeilijkheden door omzetverlies en investeringen die niet konden worden terugverdiend, en heeft gekozen voor een liquidatieakkoord gefinancierd door een (indirecte) aandeelhouder.

De rechtbank stelde vast dat de B.V. aan de vereisten voldoet: het akkoord wordt binnen twee maanden aangeboden, de afkoelingsperiode is noodzakelijk om de onderneming gecontroleerd af te wikkelen, de belangen van gezamenlijke schuldeisers zijn gediend en derden worden niet wezenlijk benadeeld. De belanghebbende schuldeiser had een executoriale titel en wilde executeren, wat het akkoord zou frustreren.

De rechtbank concludeerde dat het akkoord een hogere uitkering aan schuldeisers biedt dan faillissement, waarbij de aandeelhouder extra middelen beschikbaar stelt. De onderneming kan haar lopende verplichtingen nakomen, er worden geen nieuwe schulden aangegaan en de reorganisatie is vergevorderd. De afkoelingsperiode wordt daarom gelast voor vier maanden vanaf 24 april 2026.

De subsidiaire aanvraag van de belanghebbende voor machtiging tot executie werd afgewezen omdat zij niet wezenlijk in haar belangen wordt geschaad. De beschikking bevatte ook een verbod op verhaal door derden zonder machtiging en schorsing van faillissementsverzoeken.

Uitkomst: De rechtbank heeft een afkoelingsperiode van vier maanden afgekondigd om een WHOA-akkoord mogelijk te maken en faillissement te voorkomen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken – meervoudige kamer
Zittingsplaats Breda
afkondigen afkoelingsperiode
rekestnummer: C/02/446779 /HO RK 26-119
uitspraakdatum: 20 april 2026 (bij vervroeging)
beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 Faillissementswet Pro (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:
[B.V.]
statutair gevestigd te [plaats 1] , kantoorhoudende te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [B.V.] ,
advocaat: mr. C.R.G. Gäbler.

1.De procedure

1.1.
[B.V.] heeft op 13 maart 2026 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw Pro ter griffie gedeponeerd.
1.2.
[B.V.] heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
1.3.
[B.V.] heeft op 3 april 2026 ter griffie een verzoekschrift met zes bijlagen ingediend, strekkende tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw Pro voor een periode van vier maanden.
1.4.
De advocaat van [B.V.] heeft op verzoek van de rechtbank bij bericht van 15 april 2026 de liquiditeitsprognose per week voor de periode waarvoor een afkoeling wordt verzocht, in het geding gebracht.
1.5.
[belanghebbende] B.V. (hierna: [belanghebbende] ) is in het verzoekschrift als belanghebbende aangeduid. De advocaat van [belanghebbende] heeft op 15 april 2026 een zienswijze ingediend. [belanghebbende] is daarnaast opgeroepen voor de zitting.
1.6.
Het verzoek is op 16 april 2026 in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn, door middel van een online video-verbinding, verschenen en gehoord:
Aan de zijde van [B.V.]
- de heer [adviseur] , werkzaam bij [bedrijf] , adviseur van [B.V.] ;
- mr. C.R.G. Gäbler, advocaat;
- mr. M.L.A. Brick, advocaat;
Aan de zijde van [belanghebbende]
  • Mr. M.P.G.M. Gorgels, advocaat;
  • Mr. P. Bilsel.

2.Het verzoek

2.1.
[B.V.] doet een verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw Pro voor de duur van vier maanden. [B.V.] zegt toe dat zij binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw Pro zal aanbieden.
2.2.
[B.V.] is een [bedrijfsomschrijving] . [B.V.] verkeert in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden niet zal kunnen voortgaan. Als gevolg van de coronapandemie heeft zij een aantal jaren een omzetverlies van zo’n 17% geleden. Daarnaast heeft [B.V.] veel moeten investeren in aanpassingen voor [bedrijfsactiviteiten] . De bank was voor deze investeringen niet bereid om een krediet te verstrekken. [B.V.] heeft de investeringen vanuit haar eigen werkkapitaal gefinancierd. Omdat de marges onder druk staan, is het niet mogelijk gebleken om de investeringen terug te verdienen. De cashflowforecast is negatief in die zin dat er in het eerste halfjaar van 2026 al voorzien wordt in een verlies van € 513.907,00. Prognoses laten zien dat de kostprijs voor de omzet te hoog is en er dus geen levensvatbare businesscase is.
2.3.
Een herfinanciering (extern of intern) is niet mogelijk gebleken en een doorstart evenmin. [B.V.] heeft daarom gekozen voor een liquidatieakkoord in combinatie met een (volledige) reorganisatie van het personeelsbestand. Het akkoord wordt grotendeels gefinancierd door een extra kapitaalstorting door [(indirect) aandeelhouder] B.V. (de (indirect) aandeelhouder van [B.V.] ). De voorbereidingen voor het akkoord zijn in een vergevorderd stadium. [B.V.] heeft al een conceptakkoord gedeeld met haar schuldeisers. De consultatieperiode is inmiddels verstreken en [B.V.] heeft de vragen beantwoord die daaruit voortvloeiden. Op dit moment pleegt zij overleg met de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft laten weten dat hij ernaar streeft om uiterlijk 1 mei 2026 uitsluitsel zal geven of hij akkoord zal gaan met het aangeboden (dubbele) percentage. Zodra [B.V.] daarover uitsluitsel heeft, kan het definitieve akkoord aan de gezamenlijke schuldeisers worden aangeboden.
2.4.
[B.V.] is bij verstekvonnis veroordeeld om te betalen aan [belanghebbende] . Bij [B.V.] bestaat de vrees dat deze schuldeiser het vonnis gaat executeren. [belanghebbende] heeft bovendien bij e-mail van haar advocaat van 26 februari 2026 gedreigd met het aanvragen van het faillissement van [B.V.] . Dit zou het WHOA-traject frustreren.
2.5.
Een liquidatieakkoord is in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. De liquidatiewaarde die in een faillissement kan worden gerealiseerd is € 300.361,00 (
going concern), respectievelijk € 220.361,00 (
piecemeal). Bij die waardering is nog geen rekening gehouden met kosten die gepaard gaan met het ontruimen van het (gehuurde) bedrijfsterrein en eventuele [extra werkzaamheden] (die daarop in mindering moeten worden gebracht). De reorganisatiewaarde gebaseerd op toekomstige kasstromen na [extra werkzaamheden] bedraagt € 2.756.791,00 negatief. De waarde die aan de schuldeisers onder het voorgenomen akkoord wordt aangeboden, bedraagt € 381.164,00 plus het bedrag dat betaald dient te worden ter voldoening van de artikel 29 lid 2 OB Pro claim van de Belastingdienst. Daarbij wordt aangesloten bij de
going concernwaardering van de activa, waarbij de kosten van reorganisatie van het personeel worden gedragen door [B.V.] (daarvoor is eerder al circa € 340.000,00 extra geld ter beschikking gesteld door [(indirect) aandeelhouder] B.V.) en de kosten van het akkoord worden voldaan daar [(indirect) aandeelhouder] B.V.. In totaal wordt voor de liquidatie een bedrag van ruim € 600,000,00 beschikbaar gemaakt, terwijl het te vereffenen vermogen in faillissement in het gunstigste geval € 300.361,00 zal zijn. In een faillissement zal er bovendien (door boedelschulden, zoals salaris curator, huur en de kosten van ontruiming van het terrein) geen uitkering aan de concurrente schuldeisers plaatsvinden. In het beoogde akkoord kunnen de concurrente crediteuren (anders dan de groepsvennootschappen) wel een uitkering op hun vorderingen tegemoetzien van 27,50%.
2.6.
[B.V.] is in staat om haar lopende verplichtingen te blijven voldoen tot aan de liquidatie. Er worden geen nieuwe verplichtingen aangegaan. [B.V.] heeft met al haar personeel vaststellingsovereenkomsten gesloten. Het grootste deel is al uit dienst. De resterende vier werknemers treden per 1 mei 2026 uit dienst. Met de verhuurder zijn afspraken gemaakt, waardoor er per 1 maart 2026 geen huur meer wordt betaald. Ook heeft [B.V.] met de verhuurder afgesproken dat zij geen [extra werkzaamheden] heeft. Er worden geen schuldeisers in hun belangen benadeeld door een afkoelingsperiode. Veel schuldeisers hebben al laten weten dat zij akkoord zijn met het conceptakkoord of hebben niet gereageerd. Ook [belanghebbende] wordt niet wezenlijk in haar belangen geschaad. Zij is beter af bij een geslaagd akkoord dan in een faillissement.

3.Het standpunt van [belanghebbende]

3.1.
kan zich niet verenigen met een afkoelingsperiode. Zij heeft een titel voor haar vordering van € 13.715,51 en wil die graag ten uitvoer leggen. Het is [belanghebbende] niet duidelijk wat de achtergrond en doelstelling is van het gevolgde WHOA-traject. Zij heeft enige weken geleden vernomen dat nog activa verkocht zijn tegen een marktconforme prijs. Ook roept de door [B.V.] overgelegde liquiditeitsprognose vragen op. [belanghebbende] vindt het opmerkelijk dat in week 22 van 2026 een bedrag van € 127.472,00 aan loonkosten is opgenomen, terwijl per 1 mei 2026 de arbeidsovereenkomsten van de nog resterende vier werknemers zouden zijn beëindigd.
3.2.
Ter zitting heeft [belanghebbende] aangegeven dat haar vragen zijn beantwoord. Het steekt [belanghebbende] dat haar in het verleden betaling is beloofd van haar openstaande facturen. Het voelt alsof zij wordt afgescheept met dit akkoord. Primair verzoekt zij nog steeds om de afkoeling niet te gelasten. Subsidiair verzoekt [belanghebbende] om haar een machtiging te verlenen zodat zij de executie van het vonnis kan continueren.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid
4.1.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek een afkoelingsperiode af te kondigen het eerste verzoek is in deze procedure. Dit betekent dat de rechtbank dient vast te stellen voor welk soort procedure, zoals bedoeld in artikel 369 lid 6 Fw Pro, is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of aan haar rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
[B.V.] heeft blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. [B.V.] is statutair gevestigd in [plaats 1] en houdt kantoor in [plaats 2] . Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef Pro en onder b Fw juncto artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv Pro volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.
Afkoelingsperiode
4.3.
Op grond van artikel 376 Fw Pro kan, nadat een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw Pro is gedeponeerd, door de schuldenaar of (zo die is aangewezen) door de herstructureringsdeskundige aan de rechtbank het verzoek worden gedaan om een afkoelingsperiode af te kondigen. Indien (nog) geen herstructureringsdeskundige is aangewezen en het verzoek door de schuldenaar is gedaan, dient het akkoord reeds te zijn aangeboden of dient de schuldenaar toe te zeggen dat binnen ten hoogste twee maanden een akkoord zal worden aangeboden.
4.4.
[B.V.] heeft in haar verzoekschrift toegezegd dat zij binnen twee maanden een akkoord zal aanbieden zodat [B.V.] kan worden ontvangen in haar verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode.
4.5.
Op grond van artikel 376 lid 4 Fw Pro wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien summierlijk blijkt dat aan drie vereisten wordt voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de door schuldenaar gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen, (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.
4.6.
Bij de behandeling van het verzoek is summierlijk gebleken dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door de [B.V.] gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen. [belanghebbende] heeft immers een executoriale titel en heeft – ook ter zitting – aangegeven dat zij over wil gaan tot executie. Summierlijk gebleken is, dat als [belanghebbende] gaat executeren een akkoord niet meer haalbaar zal zijn. Als [belanghebbende] (volledig) wordt voldaan terwijl de overige schuldeisers van gelijke rang slechts een gedeeltelijke betaling aangeboden zullen krijgen, leidt dit tot een ongelijke behandeling van de gezamenlijke schuldeisers. Bovendien zijn er dan minder middelen beschikbaar om een akkoord te kunnen aanbieden. Summierlijk is gebleken dat een faillissement onafwendbaar is als de huidige akkoordpoging wordt doorkruist door individuele verhaalsacties.
4.7.
Ook is summierlijk gebleken dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van [B.V.] bij een afkoelingsperiode zijn gediend. Uit de stellingen van [B.V.] volgt dat bij het voorgestelde liquidatieakkoord een hogere uitkering aan schuldeisers zal volgen dan ingeval van een faillissement, onder meer omdat de aandeelhouder daarvoor geld beschikbaar maakt (een bedrag van circa € 395.000,00), de groepsvorderingen feitelijk worden achtergesteld en bepaalde lasten niet voldaan hoeven te worden doordat daarover afspraken met de verhuurder zijn gemaakt. Ook is summierlijk gebleken dat een faillissement zonder totstandkoming van een akkoord onafwendbaar zal zijn en dat in dat geval waarschijnlijk geen uitdeling aan de concurrente schuldeisers zal kunnen plaatsvinden. [B.V.] heeft verklaard en onderbouwd dat zij haar lopende verplichtingen kan voldoen gedurende de komende vier maanden. Ter voldoening van de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomsten met de werknemers is extra geld ter beschikking gesteld door de aandeelhouder (circa € 340.000,00). Er worden geen nieuwe schulden meer aangegaan. [B.V.] is vergevorderd in de voorbereidingen van haar akkoord. [B.V.] heeft al een conceptakkoord voorgelegd aan haar schuldeisers en zij is op dit moment in overleg met de Belastingdienst. Volgens [B.V.] wordt door de schuldeisers overwegend positief op het akkoord gereageerd. In het voorgelegde conceptakkoord wordt uitgegaan van een uitdeling van 27,50% aan de concurrente handelscrediteuren.
4.8.
Om voornoemde redenen valt ook redelijkerwijs aan te nemen dat [belanghebbende] (als concurrent schuldeiser) niet wezenlijk in haar belangen wordt geschaad. De onderneming is reeds stilgelegd en er worden geen nieuwe verplichtingen aangegaan. Niet aannemelijk is geworden dat de waarde van de activa van de onderneming vermindert gedurende de afkoelingsperiode.
4.9.
De rechtbank ziet in één en ander aanleiding om een afkoelingsperiode van vier maanden te gelasten, ingaande op de datum van deze beschikking.
4.10.
[belanghebbende] heeft subsidiair verzocht om – als een afkoelingsperiode wordt gelast – aan haar een machtiging te verlenen zodat zij de executie van het vonnis kan voortzetten. Uit artikel 367 lid 10 Fw Pro volgt dat de rechtbank een dergelijke machtiging kan verlenen als redelijkerwijs valt aan te nemen dat [belanghebbende] door het niet kunnen uitoefenen van haar bevoegdheid tot verhaal op goederen die tot het vermogen van [B.V.] behoren, wezenlijk in haar belangen wordt geschaad. Hiervoor is in randnummer 4.8 overwogen dat [belanghebbende] niet wezenlijk in haar belangen wordt geschaad. De machtiging wordt daarom niet verleend.

5.De beslissing

De rechtbank:
- kondigt een afkoelingsperiode af zoals bedoeld in artikel 376 Fw Pro voor een periode van vier maanden, ingaande op 24 april 2026, die inhoudt:
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van [B.V.] behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van [B.V.] bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden, en
- dat de behandeling van een verzoek tot verlening van surseance, een eigen aangifte of een door een schuldeiser jegens [B.V.] ingediend verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst dan wel geschorst blijft;
- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Prenger, voorzitter, mr. Leppens en mr. Ebben rechters, en in aanwezigheid van mr. Martens, griffier, bij vervroeging in het openbaar uitgesproken door mr. Leppens op 20 april 2026.