Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3445

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/433298 FA RK 25-1459
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Oijen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 4 BWArt. 34 lid 2 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinder- en partneralimentatie na arbeidsongeschiktheid en inkomensdaling

Partijen zijn gehuwd geweest van 2017 tot 2023 en hebben een minderjarige dochter. De man verzoekt om verlaging van de kinder- en partneralimentatie met terugwerkende kracht vanaf de ingangsdatum, stellende dat de oorspronkelijke vaststellingen op onjuiste of onvolledige gegevens zijn gebaseerd. De vrouw verzoekt om verhoging van de alimentatie en stelt dat de man de zorgregeling niet nakomt.

De rechtbank oordeelt dat de man zijn verzoek tot herbeoordeling over de reeds behandelde periode niet kan inroepen vanwege rechtszekerheid. Wel is er een relevante wijziging van omstandigheden vanaf 1 januari 2025, omdat de man arbeidsongeschikt is verklaard en zijn inkomen is gedaald. De zorgregeling wordt als nageleefd beschouwd.

De rechtbank berekent de draagkracht en behoefte van partijen en stelt de kinderbijdrage van de man vast op €65 per maand in 2025 en €113 per maand in 2026. De partnerbijdrage van de man wordt nihil verklaard, terwijl de vrouw aan de man een bijdrage van €852 per maand in 2025 en €855 per maand in 2026 moet betalen. Verzoeken omtrent schuld aan financiële instelling en aanvullende alimentatie worden afgewezen. De behandeling van aanvullende verzoeken over gezag en zorgregeling wordt aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinder- en partneralimentatie per 19 maart 2025 en wijst overige verzoeken af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/433298 FA RK 25-1459
2 april 2026
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. B. Ruijs,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.A.M. van Weely.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 19 maart 2025 ontvangen verzoekschrift van de man met bijlagen (producties 1-10);
- het op 30 april 2025 ontvangen verweerschrift van de vrouw tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen (producties 1-8);
- het op 8 juli 2025 ontvangen verweer van de man op zelfstandig verzoek met bijlagen (producties 17-40);
- het op 1 februari 2026 ontvangen aanvullend verzoek van de vrouw met bijlagen (producties 9-17);
- de brief van mr. Van Weely van 1 februari 2026 met bijlagen (producties 18-32);
- de brieven van mr. Ruijs van 2 februari 2026 met bijlagen (producties 41-46) en van 10 februari 2026 met bijlagen (producties 47-48);
- de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 maart 2024;
- de beschikking van deze rechtbank betreffende provisionele voorziening van 20 mei 2025.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 12 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2017 tot [datum 2] 2023;
- uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018.
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige;
- de minderjarige heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw;
- bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 maart 2024 is bepaald dat de man € 270,= per maand dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en € 1.791,= per maand voor het levensonderhoud van de vrouw, met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ([datum 2] 2023) en voor het eerst te indexeren per 1 januari 2024. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt de kinderbijdrage in 2024 € 286,74, in 2025 € 305,38 en in 2026 € 319,43 per maand en bedraagt de partnerbijdrage in 2024 € 1.902,04, in 2025 € 2.025,67 en in 2026 € 2.118,85 per maand.

3.De verzoeken

De man verzoekt, samengevat:
  • de door de man te betalen kinderbijdrage nader vast te stellen op nihil in 2023, € 69,= per maand in 2024 en € 26,= per maand in 2025, en de door de man te betalen partnerbijdrage nader vast te stellen op nihil met ingang van [datum 2] 2023;
  • vaststelling van een door de vrouw te betalen partnerbijdrage van € 972,= bruto per maand met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.
De vrouw verzoekt, samengevat:
  • de door de man te betalen kinderbijdrage nader vast te stellen op € 502,97 per maand met ingang van de datum van het verweerschrift;
  • de door de man te betalen partnerbijdrage nader vast te stellen op € 3.758,42 bruto per maand;
  • voor recht te verklaren dat op grond van de beschikking van 24 januari 2023 de huwelijkse schuld aan [financiële instelling] volledig voor rekening van de man komt;
  • de man te veroordelen om binnen een termijn van twee weken na de te dezen te geven beschikking betreffende voorlopige voorzieningen tegen behoorlijk bewijs van kwijting ineens te voldoen de volledige restschuld van [financiële instelling] .
Bij aanvullend verzoek van 1 februari 2026 verzoekt de vrouw, samengevat:
  • bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over de minderjarige toekomt;
  • de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen
  • een verklaring ex artikel 34, lid 2 van de Paspoortwet af te geven en de vrouw daarmee vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een Nederlands paspoort ten behoeve van de minderjarige;
  • de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige in de periode van vrijdag 10 juli 2026 tot en met zondag 23 augustus 2026 met de minderjarige naar India te reizen en daar te verblijven bij familie.

4.De beoordeling

Aanvullende verzoeken ten aanzien van gezag, zorgregeling, paspoort en reizen
4.1
De vrouw heeft op 1 februari 2026 aanvullende verzoeken gedaan tot wijziging van het gezag over de minderjarige, wijziging van de zorgregeling, vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort ten behoeve van de minderjarige en vervangende toestemming voor een reis naar India met de minderjarige.
4.2
Partijen is op voorhand medegedeeld dat de aanvullende verzoeken niet op de zitting van 12 februari 2026 worden behandeld. Dit omdat de verzoeken pas kort voor de zitting zijn ingediend, waardoor daar in de zittingsplanning geen rekening mee kon worden gehouden. Gelet op de aard en omvang van de aanvullende verzoeken, wordt de behandeling daarvan aangehouden tot een nader te bepalen zitting.
Verzoeken ten aanzien van de schuld aan [financiële instelling]
4.3
Voor zover de vrouw heeft bedoeld de hiervoor vermelde verzoeken omtrent de schuld aan [financiële instelling] in de bodemprocedure (nogmaals) aan de rechtbank voor te leggen, worden deze verzoeken afgewezen, onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent is overwogen in de beschikking van deze rechtbank betreffende provisionele voorziening van 20 mei 2025.
Kinder- en partneralimentatie
4.4
Nu de onderhoudsgerechtigden in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie en is op deze verzoeken Nederlands recht van toepassing.
Grondslag verzoeken
4.5
De man voert als grond voor zijn verzoek tot verlaging/nihilstelling van de kinder- en partneralimentatie primair aan dat de bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 maart 2024 vastgestelde onderhoudsbijdragen van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven hebben beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De man voert, kort samengevat, aan dat de bijdragen zowel door de rechtbank (beschikking 23 januari 2023) als door het gerechtshof (beschikking 7 maart 2024) te hoog zijn vastgesteld. De man heeft nimmer het inkomen genoten waarvan bij de vaststelling van de bijdragen is uitgegaan en daardoor heeft hij de bijdragen nooit kunnen voldoen. De man verzoekt de bijdragen te verlagen met ingang van [datum 2] 2023, zijnde de ingangsdatum van de bijdragen, zodat de alimentatie met terugwerkende kracht juist wordt vastgesteld. Subsidiair verzoekt de man de bijdragen te wijzigen omdat de omstandigheden sinds genoemde beschikkingen zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdragen niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoen. In dit verband voert de man, kort samengevat, aan dat zijn inkomen is gedaald. Daarnaast verzoekt de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een door de vrouw aan hem te betalen partnerbijdrage vast te stellen.
4.6
De vrouw betwist dat de onderhoudsbijdragen door het gerechtshof te hoog zijn vastgesteld en dat de man deze bijdragen nooit heeft kunnen voldoen. De rechtbank en het gerechtshof zijn van de juiste, volledige gegevens uitgegaan. De man heeft daarnaast niet of onvoldoende aangetoond dat zijn inkomen is gedaald, zodat er ook geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die moet leiden tot een verlaging van de bijdragen.
De vrouw voert als grond voor haar zelfstandig verzoek tot verhoging van de bijdragen aan dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdragen niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoen. In dit verband voert zij, kort samengevat, aan dat de zorgregeling niet wordt nagekomen en dat haar inkomen is gedaald. Voor wat betreft het verzoek van de man tot vaststelling van een door haar te betalen partnerbijdrage, betwist de vrouw dat de man behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage en dat zij over voldoende draagkracht beschikt.
4.7
De man betwist de door de vrouw gestelde wijzigingen. Er is derhalve geen grond voor verhoging van de bijdragen en bovendien ontbreekt het de man aan draagkracht.
4.8
De rechtbank overweegt als volgt.
4.8.1
De man verzoekt de vastgestelde kinder- en partneralimentatie te wijzigen met terugwerkende kracht tot 23 januari 2023 en voert hiertoe (primair) aan dat de bijdragen van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven hebben voldaan doordat zowel de rechtbank als het gerechtshof van onjuiste of onvolledige gegevens zijn uitgegaan (artikel 1:401 lid 4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). De rechtbank volgt de man hierin niet. De man heeft over deze periode reeds geprocedeerd bij de rechtbank, hetgeen heeft geleid tot de beschikking van 23 januari 2023, en bij het gerechtshof, hetgeen heeft geleid tot de beschikking van 7 maart 2024. In deze instanties is, kort samengevat, overwogen dat de man zijn stellingen ten aanzien van het gebrek aan draagkracht onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank is, gelet op de eigen keuze van de man om een onderneming te starten, het bijbehorende ondernemersrisico en de onduidelijkheid over het op dat moment werkelijk gegenereerde inkomen, uitgegaan van een verdiencapaciteit ter hoogte van het door de man in 2021 genoten inkomen (uit dienstverband en uit eenmanszaak). Het gerechtshof heeft dit gevolgd, omdat de man er niet in is geslaagd aan te tonen dat hij een lagere draagkracht heeft dan door de rechtbank is vastgesteld. Het gerechtshof heeft hiertoe in rechtsoverweging 5.28 uitgebreid stilgestaan bij (de complexe en wisselende samenstelling van) het inkomen van de man in de afgelopen jaren (uit dienstverband, eenmanszaak en BV) en de vele onbeantwoorde vragen daaromtrent. Door de man is geen cassatie ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank brengt in een zaak als deze de rechtszekerheid die volgt uit het wettelijk systeem mee dat de grond van artikel 1:401 lid 4 BW Pro, dat ten doel heeft te toetsen of van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, niet ongelimiteerd door de man kan worden ingeroepen om over een bepaalde periode alsnog zijn gelijk te halen. Zoals partijen reeds op de zitting is medegedeeld, gaat de rechtbank daarom niet over tot een herbeoordeling van het inkomen van de man – en daarmee de hoogte van de bijdragen – over de periode waarover reeds is geoordeeld.
4.8.2
De rechtbank constateert wel dat zich nadien een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. De man is per 13 juni 2024 arbeidsongeschikt bevonden, zo volgt uit de overgelegde stukken. Zijn inkomen heeft in dat jaar nog volledig doorgelopen. Per 1 januari 2025 wordt zijn inkomen met 20% gekort en per 1 september 2025 ontvangt de man een WW-uitkering. De vrouw heeft weliswaar twijfels geuit over de vraag of dit het enige inkomen van de man is en stelt dat hij mogelijk op andere wijze nog aanvullend inkomen genereert, maar bij gebreke van een onderbouwing van deze stelling gaat de rechtbank daaraan voorbij. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank per 1 januari 2025 een relevante wijziging van omstandigheden aanwezig die aanleiding geeft tot een herberekening van de alimentatie.
4.8.3
De vrouw heeft ook gewijzigde omstandigheden aangevoerd. In de eerste plaats voert zij aan dat de man de zorgregeling niet voldoende nakomt en dat [minderjarige] hoogstens één dag per week bij de man is, waardoor een lagere zorgkorting van toepassing is. De man heeft dit betwist. Op de zitting is de vrouw er desgevraagd niet in geslaagd aan te tonen dat de man slechts één dag per week voor de minderjarige zorgt. De vrouw heeft toegelicht dat zij tot één dag per week is gekomen door het gemiddelde te nemen over een langere periode, omdat de man met enige regelmaat voor meerdere weken naar India gaat en dan de zorg voor [minderjarige] aan de vrouw overlaat. Namens de vrouw is aangegeven dat als de man in Nederland is, hij zich wel houdt aan de zorgregeling zoals deze is vastgelegd, welke regeling neerkomt op zes dagen per twee weken. Het standpunt van de vrouw zelf op zitting dat de man deze regeling ook niet altijd nakomt, is niet nader onderbouwd. De man heeft uitgelegd dat hij tweemaal voor langere tijd naar India is geweest in verband met lopende (door de vrouw geïnitieerde) procedures tussen partijen aldaar en de ziekte van zijn vader. Deze langdurige verblijven hebben dus geen structureel karakter. Daarbij is gebleken dat de man ook buiten de zorgregeling om voor [minderjarige] heeft gezorgd toen de vrouw zelf naar India is gereisd. Gelet op het voorgaande is voor de rechtbank in het kader van de alimentatieberekening niet komen vast te staan dat de man de zorgregeling structureel niet nakomt. Dit punt vormt derhalve geen wijzigingsgrond.
4.8.4
In de tweede plaats heeft de vrouw aangevoerd dat aan haar zijde moet worden gerekend met een inkomen van 32 uur per week in plaats van 40 uur per week. Zij stelt noodgedwongen 40 uur per week te werken omdat de man zijn onderhoudsverplichting niet nakomt, maar zij wil 32 uur per week werken, mede in verband met de zorg voor [minderjarige] . De man kan zich hier niet in vinden. De rechtbank verwijst op dit punt naar rechtsoverweging 5.24.1 van het gerechtshof in genoemde beschikking, alwaar het hof heeft overwogen:
‘… dat uitgangspunt is dat eenieder na de echtscheiding, voor zover mogelijk, tracht om in eigen levensonderhoud te voorzien. Van de vrouw kan en mag worden verwacht dat zij fulltime werkt, hetgeen zij overigens ook al geruime tijd doet. Ook van de man - die met de vrouw de zorgtaken voor [minderjarige] deelt - wordt dit verwacht. Niet valt in te zien waarom dit voor de vrouw anders zou zijn, temeer niet nu de zorgregeling wordt uitgebreid en [minderjarige] , meer dan voorheen, bij de man zal verblijven.’De rechtbank sluit zich bij deze overweging aan, zodat ook dit punt geen grond vormt voor wijziging van de bijdragen.
4.8.5
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat per 1 januari 2025 sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die aanleiding geeft voor een herberekening van de onderhoudsbijdragen. In dat kader zal de behoefte van de minderjarige en de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen worden beoordeeld. Daarbij hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Daarna zal blijken of deze wijziging leidt tot wijziging van de onderhoudsbijdragen.
Ingangsdatum
4.9
De rechtbank zal een eventuele wijziging van de onderhoudsbijdragen doen ingaan per 19 maart 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoek, nu de vrouw vanaf dat moment rekening kon houden met wijziging van de bijdragen.
Kinderalimentatie
4.1
Tussen partijen is niet in geschil dat de minderjarige haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw en dat de man aan de vrouw een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige dient te voldoen. Partijen verschillen wel van mening over de hoogte van deze kinderbijdrage.
4.11
Tussen partijen staat conform de beschikking van het gerechtshof vast dat de behoefte van de minderjarige in 2021 € 830,= per maand bedroeg en dat deze behoefte, rekening houdend met de wettelijke indexeringen, in 2025 € 990,= per maand en in 2026 € 1.035,= per maand bedraagt.
4.12
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarige becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
4.13
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank, onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.8.4, uit van haar fulltime inkomen. De vrouw heeft volgens de overgelegde salarisspecificaties een inkomen van € 5.381,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en met een mobiliteitsvergoeding van
€ 435,= bruto per maand. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget van € 2.580,= op jaarbasis in 2025 en € 2.543,= in 2026. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van
€ 4.735,= per maand in 2025 en € 4.765,= in 2026. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 1.404,= per maand in 2025 en € 1.379,= per maand in 2026.
4.14
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende gegevens.
4.14.1
Zoals hiervoor reeds is vermeld, is de man per 13 juni 2024 arbeidsongeschikt verklaard, hetgeen ertoe heeft geleid dat het loon van de man in 2025 met 20% is gekort. Het dienstverband van de man is per 1 september 2025 geëindigd. De man ontvangt sindsdien een WW-uitkering. Voor de becijfering van het NBI van de man in 2025 gaat de rechtbank uit van de jaaropgaven van zijn dienstverband ter hoogte van € 38.283,= en € 4.133,= bruto (totaal: € 42.416), alsmede van de sedert 1 september 2025 ontvangen WW-uitkering. Blijkens de overgelegde specificaties bedraagt deze uitkering € 3.828,= bruto per maand in september en oktober en € 3.573,= bruto per maand in november en december (totaal:
€ 14.802,= bruto), te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag.
4.14.2
Het dienstverband van de man is per 1 september 2025 geëindigd. In de beëindigingsovereenkomst is opgenomen dat het dienstverband is geëindigd vanwege een meningsverschil tussen de man en zijn werkgever en dat de man ‘fit for work’ is. De man ontvangt sindsdien ook een WW-uitkering en geen ZW-uitkering. De vraag komt dan ook op, waarom de man geen nieuw dienstverband heeft.
De man heeft toegelicht dat hij inmiddels geen burn-out klachten meer heeft en dat hij actief solliciteert, waartoe hij ook door het UWV wordt verplicht. Tot op heden is het niet gelukt een baan op niveau te vinden. Volgens de man is het lastig een baan te vinden in verband met zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal. Hij moet daardoor op zoek naar een baan bij een grotere onderneming waar Engels de voertaal is.
De vrouw stelt in dit verband dat van de man met zijn opleiding en ervaring verwacht mag worden dat hij een hoog inkomen verwerft, te weten een inkomen gelijk aan zijn voormalige inkomen uit dienstverband ter hoogte van ruim € 75.000,= bruto per jaar, en dat er voldoende internationale ondernemingen zijn waar hij kan werken.
De rechtbank stelt vast dat de man in 2024 is uitgevallen met burn-out klachten en dat hij is gere-integreerd. Zijn arbeidsovereenkomst is vervolgens beëindigd wegens een meningsverschil. De man heeft niet aangetoond dat hij solliciteert. De enkele verwijzing naar de sollicitatieplicht bij het UWV is daartoe volstrekt onvoldoende. Het had op de weg van de man gelegen om stukken te overleggen ter onderbouwing van zijn sollicitatieactiviteiten, zoals sollicitatiebrieven/-berichten en ontvangen reacties dan wel afwijzingen. Het ontbreken daarvan komt voor zijn rekening en risico. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de man, gelet op zijn opleidingsniveau en ruime werkervaring, in staat moet worden geacht per 1 januari 2026 weer volledig in het arbeidsproces te participeren en een inkomen te verwerven op het niveau van zijn voormalige inkomen uit dienstverband, zijnde blijkens de overgelegde stukken over 2024 een jaaropgaveloon van € 75.480,= bruto (waarop in mindering strekt de fiscale bijtelling ten aanzien van de auto ad € 5.497,=).
4.14.3
De rechtbank houdt aan de zijde van de man rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man in 2025 op een bedrag ter hoogte van € 3.908,= per maand en in 2026 op € 4.339,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 998,= per maand in 2025 en € 1.170,= per maand in 2026.
4.15
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen brengt mee dat in 2025 de man met een deel van 42% (€ 411,= per maand) en de vrouw met een deel van 58% (€ 579,= per maand) moet bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van de minderjarige. In 2026 moet de man met een deel van 46% (€ 475,= per maand) en de vrouw met een deel van 54% (€ 560,= per maand) bijdragen in de behoefte van de minderjarige.
4.16
Tussen partijen is niet in geschil dat bij de door het gerechtshof vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een zorgkorting past van 35%. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.8.3. is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om van een lagere zorgkorting uit te gaan. Nu de behoefte van de minderjarige in 2025 € 990,= per maand en in 2026 € 1.035,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting afgerond een bedrag van € 346,= per maand in 2025 en € 362,= per maand in 2026.
4.17
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 65,= per maand in 2025 en € 113,= per maand in 2026. De rechtbank zal deze bijdragen vaststellen. Dit betekent dat het verzoek van de man tot verlaging van de geldende kinderalimentatie in zoverre wordt toegewezen, onder afwijzing van het verzoek van de vrouw tot verhoging van de kinderalimentatie.
Partneralimentatie
4.18
Beide partijen zijn van mening dat zij aanspraak kunnen maken op een door de andere partij te betalen partnerbijdrage. Uit de hierna weergegeven berekening zal moeten blijken wie aan wie een bijdrage verschuldigd is.
4.19
Tussen partijen staat conform de beschikking van het gerechtshof vast dat de huwelijksgerelateerde behoefte van ieder van partijen € 5.414,= netto per maand bedroeg in 2021, zijnde € 5.704,= netto per maand in 2023. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt deze huwelijksgerelateerde behoefte in 2025 € 6.451,= per maand bedraagt en in 2026 € 6.748,= per maand.
4.2
Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate ieder van partijen behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de andere partij, moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte in mindering worden gebracht het eigen netto inkomen. Hierbij sluit de rechtbank aan bij het in het kader van de kinderalimentatie berekende NBI, waarbij aan de zijde van de vrouw het kindgebonden budget buiten beschouwing wordt gelaten. Dit leidt tot een NBI van de vrouw van € 4.520,= in 2025 en € 4.554,= in 2026.
4.21
Rekening houdend met genoemde inkomens, het aandeel dat ieder van partijen (na aftrek van het eventueel ontvangen kindgebonden budget) heeft in de kosten van de minderjarige en de verschuldigde belasting over ontvangen partneralimentatie, becijfert de rechtbank de aanvullende behoefte van de man op een bedrag van € 5.831,= bruto per maand in 2025 en € 5.666,= bruto per maand in 2026. De aanvullende behoefte van de vrouw wordt becijferd op € 4.537,= bruto per maand in 2025 en € 5.041,= bruto per maand in 2026.
4.22
Nu beide partijen behoefte hebben aan een aanvullende bijdrage om in hun huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien, dient de draagkracht over en weer beoordeeld te worden.
4.23
Voor wat betreft de NBI’s van partijen verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen. Aan de zijde van de man wordt, conform de beschikking van het gerechtshof, rekening gehouden met een bedrag van € 700,= per maand aan rente en aflossing op een lening bij [financiële instelling] , nu de man deze aflossing voor zijn rekening dient te nemen. Verder wordt aan beide zijden rekening gehouden met het aandeel van ieder van partijen in de kosten van de minderjarige. De draagkracht van de man voor de betaling van partneralimentatie aan de vrouw wordt aldus becijferd op € 25,= per maand in 2025, hetgeen neerkomt op € 40,= bruto per maand, en op € 108,= per maand in 2026, hetgeen neerkomt op € 173,= per maand. De draagkracht van de vrouw voor de betaling van partneralimentatie aan de man bedraagt in 2025 € 533,= per maand, zijnde € 852,= bruto per maand, en in 2026 € 534,= per maand, zijnde € 855,= bruto per maand.
4.24
In geval een door de ene aan de andere partij te betalen onderhoudsbijdrage wordt vastgesteld, is het niet de bedoeling dat een van hen in een betere financiële positie wordt gebracht dan de ander, dat wil zeggen meer vrij besteedbaar overhoudt. Om te bepalen bij welke bijdrage partijen een gelijk vrij te besteden inkomen hebben, zullen de financiële omstandigheden van de vrouw en de man worden vergeleken.
4.25
Voor wat betreft de financiële omstandigheden van partijen wordt verwezen naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen. Vergelijking van deze financiële omstandigheden, daarbij rekening houdend met alle fiscale gevolgen, brengt de rechtbank tot het oordeel dat partijen een gelijk bedrag vrij te besteden hebben wanneer de vrouw een onderhoudsbijdrage aan de man voldoet van € 1.268,= bruto per maand in 2025 en € 955,= bruto per maand in 2026. Nu de draagkracht van de vrouw beperkt is tot € 852,= bruto per maand in 2025 en
€ 855,= bruto per maand in 2026, zal de rechtbank deze bijdragen vaststellen. Dit betekent dat het verzoek van de man tot vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen partnerbijdrage en het verzoek van de man tot nihilstelling van de door hem aan de vrouw betalen partnerbijdrage in zoverre worden toegewezen, onder afwijzing van het verzoek van de vrouw tot verhoging van de door de man te betalen partneralimentatie.
4.26
De vrouw heeft zich nog op het standpunt gesteld dat behoedzaam moet worden omgegaan met wijziging van onderhoudsbijdragen met terugwerkende kracht en dat terugbetaling van het teveel betaalde in redelijkheid niet van haar kan worden verlangd. De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval geen sprake is van een terugbetalingsverplichting aan de zijde van de vrouw, gezien de huidige substantiële achterstand aan alimentatie (van ruim € 57.000,=).
4.27
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 maart 2024, dat de door de man ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, aan de vrouw te betalen bijdrage nader wordt vastgesteld op een bedrag van
  • € 65,= (vijfenzestig euro) per maand over de periode van 19 maart 2025 tot 1 januari 2026;
  • € 113,= (honderddertien euro) per maand met ingang van 1 januari 2026, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
5.2
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 maart 2024, dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor levensonderhoud met ingang van 19 maart 2025 nader wordt vastgesteld op nihil;
5.3
bepaalt dat de vrouw aan de man voor levensonderhoud moet voldoen een bedrag van
  • € 852,= (achthonderdtweeënvijftig euro) per maand over de periode van 19 maart 2025 tot 1 januari 2026;
  • € 855,= (achthonderdvijfenvijftig euro) per maand met ingang van 1 januari 2026, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
5.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
wijst het meer of anders verzochte betreffende de kinder- en partneralimentatie af;
5.6
wijst de verzoeken van de vrouw omtrent de schuld aan [financiële instelling] af;
5.7
houdt de behandeling van de aanvullende verzoeken van de vrouw tot wijziging van het gezag over de minderjarige, wijziging van de zorgregeling, vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort ten behoeve van de minderjarige en vervangende toestemming voor een reis naar India met de minderjarige aan tot
een nader te bepalen zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Oijen, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.