Uitspraak
2.De feiten
3.De verzoeken
- de door de man te betalen kinderbijdrage nader vast te stellen op nihil in 2023, € 69,= per maand in 2024 en € 26,= per maand in 2025, en de door de man te betalen partnerbijdrage nader vast te stellen op nihil met ingang van [datum 2] 2023;
- vaststelling van een door de vrouw te betalen partnerbijdrage van € 972,= bruto per maand met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.
- de door de man te betalen kinderbijdrage nader vast te stellen op € 502,97 per maand met ingang van de datum van het verweerschrift;
- de door de man te betalen partnerbijdrage nader vast te stellen op € 3.758,42 bruto per maand;
- voor recht te verklaren dat op grond van de beschikking van 24 januari 2023 de huwelijkse schuld aan [financiële instelling] volledig voor rekening van de man komt;
- de man te veroordelen om binnen een termijn van twee weken na de te dezen te geven beschikking betreffende voorlopige voorzieningen tegen behoorlijk bewijs van kwijting ineens te voldoen de volledige restschuld van [financiële instelling] .
- bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over de minderjarige toekomt;
- de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen
- een verklaring ex artikel 34, lid 2 van de Paspoortwet af te geven en de vrouw daarmee vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een Nederlands paspoort ten behoeve van de minderjarige;
- de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige in de periode van vrijdag 10 juli 2026 tot en met zondag 23 augustus 2026 met de minderjarige naar India te reizen en daar te verblijven bij familie.
4.De beoordeling
‘… dat uitgangspunt is dat eenieder na de echtscheiding, voor zover mogelijk, tracht om in eigen levensonderhoud te voorzien. Van de vrouw kan en mag worden verwacht dat zij fulltime werkt, hetgeen zij overigens ook al geruime tijd doet. Ook van de man - die met de vrouw de zorgtaken voor [minderjarige] deelt - wordt dit verwacht. Niet valt in te zien waarom dit voor de vrouw anders zou zijn, temeer niet nu de zorgregeling wordt uitgebreid en [minderjarige] , meer dan voorheen, bij de man zal verblijven.’De rechtbank sluit zich bij deze overweging aan, zodat ook dit punt geen grond vormt voor wijziging van de bijdragen.
5.De beslissing
- € 65,= (vijfenzestig euro) per maand over de periode van 19 maart 2025 tot 1 januari 2026;
- € 113,= (honderddertien euro) per maand met ingang van 1 januari 2026, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
- € 852,= (achthonderdtweeënvijftig euro) per maand over de periode van 19 maart 2025 tot 1 januari 2026;
- € 855,= (achthonderdvijfenvijftig euro) per maand met ingang van 1 januari 2026, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
een nader te bepalen zitting.
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.