De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige vertoonde grensoverschrijdend gedrag richting de moeder, waardoor de thuissituatie onhoudbaar werd. Na een korte opvang bij de vader is de minderjarige geplaatst in een crisisgroep en vervolgens overgeplaatst naar een gezinshuis.
De moeder heeft eenhoofdig ouderlijk gezag en stemt in met de verlenging, ondanks de moeilijke situatie. Ook de vader ondersteunt het verzoek en erkent dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was. De kinderrechter constateert dat de thuissituatie bij beide ouders onvoldoende veiligheid en stabiliteit biedt voor de ontwikkeling van de minderjarige.
Op grond van de wettelijke bepalingen in artikel 1:265b en 1:265c BW wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor negen maanden. De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, omdat onmiddellijke uitvoering noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de minderjarige. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.