Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3440

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/445770 / JE RK 26-392
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige wegens ernstige opvoedingsproblemen

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 maart 2026 een machtiging verleend voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige geboren in 2009. De machtiging geldt voor de duur van drie maanden, van 6 april 2026 tot 6 juli 2026. Dit besluit volgt op een eerdere voorwaardelijke machtiging die in oktober 2025 werd verleend en later in december 2025 werd omgezet in een reguliere machtiging.

De minderjarige verblijft sinds december 2025 in een gesloten zorginstelling vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen, waaronder impulsief gedrag, middelengebruik en het niet naleven van voorwaarden tijdens verlof. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en stemmen in met het verzoek tot verlenging van de gesloten jeugdhulp. De gedragswetenschapper en zorgorganisatie ondersteunen het verzoek, waarbij het belang van een stabiele behandelrelatie en zinvolle daginvulling wordt benadrukt.

De minderjarige zelf is het niet eens met het verzoek en ervaart het verblijf als straf, maar erkent zijn gedragsproblemen en is bereid tot behandeling. De kinderrechter concludeert dat de wettelijke criteria van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet zijn vervuld en dat gesloten jeugdhulp noodzakelijk is om de veiligheid te waarborgen en de ontwikkeling van de minderjarige te bevorderen. Er zijn geen minder ingrijpende alternatieven en de ouders zijn momenteel overbelast. De machtiging wordt daarom verleend met het oog op een toekomstig perspectief van terugkeer naar huis.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor drie maanden wegens ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445770 / JE RK 26-392
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE GOES,
hierna te noemen: het College,
zetelende te Goes .
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. J.C.W.L. Grootjans uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2026;
  • het e-mailbericht van het College van 23 maart 2026 met als bijlage de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper;
  • het e-mailbericht van het College van 30 maart 2026 met als bijlage het persoonlijkheidsonderzoek van [zorgorganisatie] .
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] , die vooraf ook apart is gehoord, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vader;
  • de moeder;
  • een vertegenwoordigster van het College.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 6 oktober 2025 heeft de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 6 oktober 2025 en tot 6 april 2026.
2.3.
Met ingang van 11 december 2025 is de voorwaardelijke machtiging omgezet naar een reguliere machtiging. Sindsdien verblijft [minderjarige] bij [zorginstelling 1] te [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
Het College verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
3.2.
De [gedragswetenschapper] stemt in met het verzoek machtiging gesloten jeugdhulp voor drie maanden. Dit blijkt uit de verklaring van 18 maart 2026.
3.3.
Ook de moeder en de vader stemmen in met het verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.

4.De standpunten

4.1.
Het College handhaaft het verzoek. Bij [zorginstelling 2] hield [minderjarige] zich niet aan de voorwaarden, waardoor de zorgen bleven toenemen en zijn veiligheid in het geding kwam. Als gevolg daarvan is de voorwaardelijke machtiging met ingang van 11 december 2025 omgezet naar een reguliere machtiging en die machtiging blijft nodig. [minderjarige] kan voor nu nog niet verantwoord terug naar huis. De risico’s van terugkeer naar huis of een andere tussenstap zijn nog te groot. Ook bij [zorginstelling 1] en tijdens de verlofmomenten vervalt [minderjarige] in oud gedrag en dat zorgt voor onveiligheid. Zo is hij tijdens zijn verlof weggegaan zonder dat de ouders wisten waar [minderjarige] was en is hij vervallen in middelengebruik. Steeds als [minderjarige] meer vrijheid krijgt of het verlof wordt uitgebreid, gaat het mis. Daar komt bij dat de ouders door de situatie overbelast zijn. Het doel is dat [minderjarige] op termijn terug naar huis gaat. Hiervoor is het nodig dat de komende maanden wordt gekeken naar de mogelijkheden om het verlof uit te breiden en ook wat de ouders daarin nodig hebben. Verder heeft [zorgorganisatie] recent een persoonlijkheidsonderzoek bij [minderjarige] afgenomen. Het advies van [zorgorganisatie] is om eerst te investeren in de behandelrelatie. Wel dient er alvast afstemming met [zorginstelling 1] plaats te vinden over het traject en wat [zorginstelling 1] kan oppakken. Noodzakelijk is dat [minderjarige] vanuit de veiligheid en geslotenheid met de hulpverlening een behandeling kan gaan starten. Tot slot is van belang dat er bij [zorginstelling 1] wordt gekeken naar een zinvolle daginvulling voor [minderjarige] .
4.2.
[minderjarige] heeft aangegeven dat hij het niet eens is met het verzoek. [zorginstelling 1] voelt voor hem als een straf. De afgelopen maanden zijn uitzichtloos, onveilig, traag en nutteloos geweest. [minderjarige] heeft geen dagbesteding. Hij heeft geen school, sport of baantje. Met het baantje bij de supermarkt is [minderjarige] na twee weken gestopt, omdat het niet passend was en het vanuit [zorginstelling 1] verplicht werd opgelegd. [minderjarige] was daardoor niet gemotiveerd. Hij wil wel graag naar school. Voor de VEVA opleiding is hij afgewezen en hij onderzoekt nu andere opties als het gaat om zijn schoolgang. Sinds drie weken is [minderjarige] gestopt met blowen. Verder begrijpt [minderjarige] dat zijn gedrag niet goed is. Hij ziet in dat hij impulsief handelt en heeft (tijdens en daarna) ook spijt van zijn gedrag en keuzes, zoals dat hij tijdens het verlof bij de vader is weggegaan of dat hij zijn telefoon had meegenomen. [minderjarige] is bereid om hulp en behandeling hiervoor aan te gaan. Tot slot heeft [minderjarige] het idee dat hij nog geen echte kans heeft gekregen om te laten zien dat hij het kan, doordat hij veel voorwaarden voor tijdens het verlof meekrijgt. [minderjarige] wil er alles aan doen om weer thuis te kunnen wonen, eventueel met een voorwaardelijke machtiging als stok achter de deur.
4.3.
De advocaat van [minderjarige] benoemt dat het verzoek aan de wettelijke vereisten voldoet. Zelf wil [minderjarige] graag naar huis en daarom verzoekt de advocaat primair om het verzoek af te wijzen. [minderjarige] volgt geen behandeling en heeft geen dagbesteding. Als het verzoek wordt toegewezen, is het van groot belang dat daarnaar wordt gekeken en dat aan [minderjarige] perspectief wordt geboden. Er moet een behandelvoorstel komen en er moet worden gewerkt aan de terugkeer naar huis. Subsidiair verzoekt de advocaat een voorwaardelijke machtiging te verlenen, zodat [minderjarige] met een stok achter de deur terug naar huis kan.
4.4.
De moeder stemt in met het verzoek. Het is nog niet mogelijk dat [minderjarige] naar huis gaat. Ondanks de kansen om te laten zien dat [minderjarige] het kan, maakt hij verkeerde keuzes waardoor zijn verlof steeds wordt ingeperkt. [minderjarige] doet wat hij wil. Hij is impulsief, onvoorspelbaar en komt afspraken en regels niet na. Er is geen vertrouwen en [minderjarige] kan niet alleen thuis zijn. Thuis worden dingen gestolen, vuur gemaakt en ook dealt [minderjarige] .
4.5.
De vader stemt in met het verzoek. Net als de moeder wil ook de vader niets liever dan dat [minderjarige] naar huis komt, maar hij heeft er nog geen vertrouwen in. [minderjarige] houdt zich niet aan regels en afspraken, is onbetrouwbaar en het opbouwen van verlof lukt nog niet.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Volgens artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet en machtigt het College om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 6 april 2026 en tot 6 juli 2026. Zij legt deze beslissing hierna uit.
5.3.
Het is de kinderrechter gebleken dat de voorwaardelijke machtiging met ingang van 11 december 2025 is omgezet naar een reguliere machtiging en dat [minderjarige] sindsdien bij [zorginstelling 1] verblijft. Dit omdat [minderjarige] zich bij [zorginstelling 2] niet aan de voorwaarden hield. Zo gaf [minderjarige] niet aan waar hij was, kwam hij niet op tijd terug op de groep of midden in de nacht onder invloed van middelen. Verder zijn er serieuze signalen dat [minderjarige] dealt. [minderjarige] heeft meerdere telefoons en bezit geld zonder dat duidelijk is hoe hij daaraan komt. Kort voordat de voorwaardelijke machtiging werd omgezet, is [minderjarige] betrapt met een grote hoeveelheid hasj die hij aan het wegen en het verdelen was. Daarnaast hield [minderjarige] zich niet aan de voorwaarde van het hebben van school en een dagbesteding. De kinderrechter stelt vast dat de zorgen bleven toenemen en de veiligheid van zowel [minderjarige] als zijn omgeving niet kon worden gewaarborgd. De maanden december 2025 en januari 2026 bij [zorginstelling 1] zijn positief verlopen. [minderjarige] hield zich aan afspraken, was meer open in contact en werkte mee aan de schemagerichte behandeling. Sinds begin februari 2026 zijn de incidenten echter toegenomen en is [minderjarige] vervallen in oud gedrag. Tijdens het verlof bij de vader is [minderjarige] in de avond naar buiten gegaan zonder dat de vader wist waar hij was, waarna [minderjarige] pas midden in de nacht thuis kwam en recent heeft [minderjarige] tegen de regels in zijn telefoon tijdens het verlof meegenomen. Dit maakt de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over [minderjarige] nog niet zijn weggenomen. Zij maakt zich zorgen over de impulsiviteit van [minderjarige] , zijn emotieregulatie en het terugkerende patroon van vervallen in oud gedrag. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat er nog steeds ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Die problemen maken dat een voortzetting van het verblijf van [minderjarige] in de gesloten setting van [zorginstelling 1] noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt of door anderen wordt onttrokken aan de hulp die hij nodig heeft. [minderjarige] is immers gebaat bij de geslotenheid en duidelijke grenzen en kaders van [zorginstelling 1] . Ook [minderjarige] zelf ziet in dat hij hulp nodig heeft. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft hij aangegeven dat hij begrijpt dat zijn impulsieve gedrag niet goed is en dat hij bereid is om hulp en behandeling hiervoor aan te gaan. De kinderrechter vindt het knap dat [minderjarige] dit inzicht heeft. Verder overweegt zij dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de problemen van [minderjarige] te behandelen. [minderjarige] kan nu nog niet naar huis. De risico’s bij terugkeer naar huis zijn te groot en de ouders zijn overbelast. Ondanks dat de ouders niets liever willen, hebben zij er nog onvoldoende vertrouwen in als [minderjarige] nu naar huis komt.
5.4.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] in de komende periode vanuit de stabiele en veilige omgeving van [zorginstelling 1] aan zichzelf gaat werken. Van belang is dat hij naar aanleiding van de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek van [zorgorganisatie] kan gaan starten met de behandeling. [minderjarige] ziet in dat behandeling nodig is en hij is bereid om mee te werken. De kinderrechter hoopt dat op die manier een gedragsverandering bij [minderjarige] kan worden bewerkstelligd. Verder vindt zij het - met de aanwezigen en de gekwalificeerde gedragswetenschapper - van groot belang dat [minderjarige] bij [zorginstelling 1] een zinvolle daginvulling heeft, hetgeen kan bestaan uit sporten, school en/of een baantje. Daarnaast moet er worden gewerkt naar een opbouw van de verlofmomenten met als doel dat [minderjarige] op termijn terug naar huis kan gaan. Hiervoor is het nodig dat [minderjarige] tijdens de verlofmomenten laat zien dat hij zich aan de afspraken en de regels kan houden en dat het veilig is. Op die manier kunnen de ouders weer vertrouwen in [minderjarige] krijgen. Van het College verwacht de kinderrechter dat zij ook goed zullen kijken naar wat de ouders hierin nodig hebben.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 6 april 2026 en tot 6 juli 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 10 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.