Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3438

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/445203 / JE RK 26-286
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens aanhoudende ontwikkelingsbedreiging

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 maart 2026 besloten de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen te verlengen voor een periode van negen maanden, tot 3 januari 2027. De maatregel is noodzakelijk omdat de ontwikkeling van de minderjarigen nog steeds ernstig wordt bedreigd door gedragsproblematiek en een verstoorde gezinssituatie.

De minderjarige met gedragsproblemen verblijft momenteel in een 24-uurs jeugdhulpvoorziening en wordt overgeplaatst naar een gezinshuis. De andere minderjarige verblijft voorlopig bij de vader, met wie een aangepaste contactregeling met de moeder is overeengekomen. De verstandhouding tussen de ouders is moeizaam en belastend voor de kinderen.

De gecertificeerde instelling en beide ouders stemmen in met de verlenging. De kinderrechter benadrukt het belang van voortzetting van de hulpverlening binnen een gedwongen kader om verdere escalatie te voorkomen. Tevens wordt gewezen op het belang van een duidelijk borgingsplan voor een warme overdracht naar vrijwillige hulpverlening na afloop van de ondertoezichtstelling.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de hulpverlening te waarborgen, ondanks de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd tot 3 januari 2027 en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445203 / JE RK 26-286
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur uit Oosterhout,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De advocaat van de vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de advocaat van de vader wel juist is opgeroepen en op de hoogte is geweest van het moment van de zitting. De kinderrechter heeft bij aanvang van de zitting nog getracht om de advocaat van de vader telefonisch te bereiken. Dit is echter niet gelukt.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
1.5.
Gelet op de nauwe samenhang tussen het onderhavige verzoek van de GI en het door de GI ingediende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in de zaak met kenmerk C/02/446319 / JE RK 26-494, zijn deze zaken gezamenlijk mondeling behandeld. In die zaak wordt bij separate beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikkingen van 3 april 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 2] en [minderjarige 1] (opnieuw) onder toezicht gesteld. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 15 oktober 2025, met ingang van 24 oktober 2025 en tot 3 april 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs, dan wel een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, tot 5 maart 2026. Deze machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs is bij beschikking van 27 februari 2026 verlengd, tot 3 april 2026.
2.4.
[minderjarige 2] woont middels voormelde machtiging op een groep van Sterk Huis en wordt op de dag van de zitting overgeplaatst naar een gezinshuis in [plaats].
2.5.
Ten aanzien van [minderjarige 1] was tot voor kort sprake van een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige 1] in de even weken bij de moeder verbleef en in de oneven weken bij de vader. Recentelijk is afgesproken dat [minderjarige 1] voorlopig bij de vader zal verblijven en eens per twee weken in het weekend contact heeft met de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. De ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige 2] doorloopt een intensief traject voor de behandeling van haar problematiek bij de Viersprong. [minderjarige 1] krijgt veel mee van de zorgen rondom [minderjarige 2] en laat in toenemende mate soortgelijk gedrag zijn. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zitten klem tussen de ouders De verstandhouding tussen de ouders kenmerkt zich door wantrouwen en moeizame communicatie, hetgeen een emotionele belasting geeft voor de minderjarigen. Vanuit de GI is het de bedoeling dat de ondertoezichtstelling na deze periorde wordt afgerond. De hulpverlening (en de plaatsing van [minderjarige 2] bij het gezinshuis) kan daarna, zolang daar draagvlak voor is, op vrijwillige basis worden voortgezet.
4.2.
De vader stemt in met het verzoek. De vader hoopt dat de ondertoezichtstelling na deze periode kan worden beëindigd. Hij is toe aan rust. De ondertoezichtstelling is nu voor de minderjarigen en ter ondersteuning van de vader in de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog nodig. Sinds het verblijf van [minderjarige 1] bij de vader gaat het goed met [minderjarige 1] . [minderjarige 1] gaat naar school en naar de hockey, zij is vrolijk en houdt zich aan de afspraken. Tegelijkertijd is er ook nog veel onrust. [minderjarige 1] is boos over wat er de afgelopen weken allemaal is gebeurd. [minderjarige 1] ging er vanuit dat de zorgregeling weer zou worden hervat op het moment dat [minderjarige 2] uit huis was geplaatst. Dit wil [minderjarige 1] graag maar is voor de moeder niet mogelijk. Er is nu afgesproken dat, wanneer de financiële en gezondheidssituatie van de moeder dit toelaat, [minderjarige 1] tweemaal per maand een weekend naar de moeder gaat. Het contact gaat niet altijd door en het is lang onzeker of het contact kan plaatsvinden. Dit zorgt voor veel onduidelijkheid bij [minderjarige 1] , maar ook bij de vader. [minderjarige 1] krijgt hulpverlening vanuit de GGZ en er wordt gezocht naar een maatje voor [minderjarige 1] . Met de inzet van hulpverlening zal ook worden gewerkt aan de boosheid en teleurstelling die [minderjarige 1] ervaart.
4.3.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek van de GI. De moeder staat achter de ondertoezichtstelling. Er is nog altijd sprake van een ontwikkelingsbedreiging. Het gedrag van [minderjarige 2] heeft een enorme uitwerking op het gezinssysteem van de vader en de moeder. Ook tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgt dit voor de nodige conflicten en boosheid vanuit [minderjarige 1] . De moeder heeft in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] alles gedaan wat zij kon, maar de situatie was niet langer houdbaar. De gezondheid van de moeder is de afgelopen periode snel achteruitgegaan. De moeder vindt het daarom belangrijk dat de strijd stopt en heeft om die reden besloten dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf bij de vader zal hebben. De moeder is voornemens om zich terughoudender op te stellen in de hoop dat dit kan bijdrage aan het verminderen van de strijd tussen de ouders. Tussen [minderjarige 1] en de moeder is er nu een weekendregeling overeengekomen, waarbij [minderjarige 1] en de moeder eens per twee weken contact hebben. Dit contact met [minderjarige 1] is wel afhankelijk van de financiële situatie en gezondheid van de moeder. De moeder kan zich voorstellen dat de maatregelen van [minderjarige 2] uiteindelijk langer zullen moeten voortduren dan de maatregelen voor [minderjarige 1] .
Namens de moeder zal het Hof worden bericht dat het hoger beroep van de vader gegrond kan worden verklaard en dat de vader met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] kan worden belast. Dit is passend gezien de recente ontwikkelingen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt.
5.4.
De zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nog niet weggenomen, waardoor zij nog altijd ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Bij [minderjarige 2] is er nog altijd sprake van (externaliserende) gedragsproblematiek. Zo vertoont zij onder meer wegloopgedrag, doet zij suïcidale uitspraken en beschadigt zij zichzelf. De problematiek van [minderjarige 2] heeft in de thuissituatie bij de moeder recentelijk tot een escalatie geleid. Ook [minderjarige 1] laat de afgelopen periode in toenemende mate soortgelijk gedrag als [minderjarige 2] zien. [minderjarige 1] krijgt van de problematiek bij [minderjarige 2] veel mee en de huidige problematiek binnen het gezinssysteem zorgt voor boosheid en frustratie bij [minderjarige 1] . Zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] zitten nog steeds klem tussen de ouders. De verstandhouding tussen de ouders is nog immer verstoort, waarbij er sprake is van wantrouwen en een gebrek aan communicatie. Dit leidt tot conflictsituaties waarmee de minderjarigen worden belast. Dit baart de kinderrechter zorgen.
5.5.
Om voornoemde zorgen verder weg te nemen vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat ook de komende periode hulp en regie in een gedwongen kader betrokken blijft. Hier zijn alle betrokkenen het over eens. De gestelde doelen in het kader van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald en voorkomen moet worden dat de ingezette hulpverlening vroegtijdig wordt beëindigd. De zorgen rondom de minderjarigen vragen veel van de ouders en hier is hulpverlening en ondersteuning voor nodig. Dit is (vooralsnog) het beste geborgd binnen het kader van de ondertoezichtstelling.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van negen maanden, met ingang van 3 april 2026 en tot 3 januari 2027. De kinderrechter hoopt dat het de ouders, samen met de GI, de komende periode lukt om gezamenlijk toe te werken naar een afronding van de ondertoezichtstelling. Als de ondertoezichtstelling gaat worden afgerond vindt de kinderrechter het van belang dat er een goed en duidelijk borgingsplan is opgesteld, waar alle partijen zich in kunnen vinden, zodat de ouders het ouderschap voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gezamenlijk kunnen vormgeven. Een warme overdracht van de ingezette hulpverlening naar het vrijwillige kader is daarvoor van belang. In dat kader hoopt de kinderrechter dat de behandeling van [minderjarige 2] , middels de machtiging tot uithuisplaatsing, het reeds jarenlang bestaande patroon binnen het gezinssysteem, kan doorbreken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 3 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.