Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3437

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/446201 / JE RK 26-475
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 7 lid 1 Verordening Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 16 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en onstabiele opvoedsituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in Bulgarije, die met zijn ouders in Nederland woont. Er zijn ernstige zorgen over zijn basale zorg, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling, waaronder slechte mondhygiëne, schoolverzuim en gebrek aan sociale aansluiting. De ouders erkennen de zorgen niet volledig en er is sprake van een taalbarrière.

De kinderrechter constateert dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van artikel 1:255 BW Pro kan ondertoezichtstelling worden opgelegd als de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en vrijwillige hulp onvoldoende is. De kinderrechter onderschrijft de zorgen van de Raad en stelt vast dat de ouders onvoldoende in staat zijn de zorg te bieden die de minderjarige nodig heeft.

De kinderrechter wijst het verzoek toe voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De gecertificeerde instelling krijgt de opdracht om regie te voeren over de hulpverlening en de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige nauwlettend te volgen. De ouders dienen mee te werken om verdere maatregelen te voorkomen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446201 / JE RK 26-475
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] , Bulgarije,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
verblijvende te [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
verblijvend te [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Eindhoven.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door een tolk in de Bulgaarse taal;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen en, blijkens de toelichting van de vader, op de hoogte is geweest van de mondelinge behandeling.

2.De feiten

2.1.
Op basis van de beschikbare informatie stelt de kinderrechter vast dat de vader [minderjarige] heeft erkend. De vader staat immers vermeld op de geboorteakte van [minderjarige] en naar Bulgaars recht staat de man vermeld als vader op de geboorteakte, indien er sprake is geweest van een erkenning.
2.2.
De kinderrechter stelt voorts vast dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Op grond van artikel 16, eerste lid, Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 wordt er voor het bepalen wie er gezag heeft over een minderjarige gekeken naar de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van geboorte. Nu [minderjarige] in Bulgarije is geboren en het centrum van zijn belangen op dat moment aldaar was gelegen, is het Bulgaars recht van toepassing op de totstandkoming van het ouderlijk gezag. Op grond van artikelen 122 en 123 van het Bulgaars Familiewetboek worden de ouders automatisch met het ouderlijk gezag belast, ongeacht of zij gehuwd zijn of niet. Hoewel de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige] nog minderjarig was, is niet gebleken van een uitzondering op de regel dat ouders samen het gezag uitoefenen, dan wel van een beperking van haar rechten via een rechterlijke uitspraak. In Bulgarije kan een ouder die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt een kind erkennen. Nu beide ouders naar Bulgaars recht automatisch met het gezag worden belast, was ook de moeder, ondanks haar minderjarigheid, bevoegd om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen.
2.3.
[minderjarige] woont bij de ouders.
2.4.
De ouders en [minderjarige] hebben de Bulgaarse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de raadsrapportage. De Raad maakt zich ontzettend veel zorgen over het veilig opgroeien van [minderjarige] . Er zijn zorgen over de basale zorg van [minderjarige] , zijn cognitieve ontwikkeling en zijn sociaal- emotionele ontwikkeling. Er zijn zorgen over het melkgebit van [minderjarige] , de toiletgang van [minderjarige] en [minderjarige] heeft eerder zorgelijk gedrag vertoont, waarbij hij met zijn broek naar beneden rijbewegingen maakte. Ook gaat [minderjarige] weinig naar school, spreekt hij de Nederlandse taal niet, eet hij slecht, heeft hij weinig tot geen aansluiting bij medeleerlingen en laat [minderjarige] zich op school niet zien als een blij en gelukkig kind. Daarnaast zijn er zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de ouders. Er is sprake van een gebrek aan stabiliteit in de woonomgeving van [minderjarige] en er zijn zorgen over het wisselende netwerk van de ouders. Daarbij wordt gezien dat er altijd anderen bij de ouders en [minderjarige] aanwezig zijn en dat er veel onbekende mensen in het leven van [minderjarige] betrokken zijn. De informatie die de ouders ten aanzien van de zorgen hebben gegeven, heeft de Raad niet gerustgesteld. De huidige situatie is niet goed genoeg voor [minderjarige] . De ouders (h)erkennen de zorgen niet in dezelfde mate als de Raad en de professionals, er is sprake van een taalbarrière hetgeen een complicerende factor betreft om tot een goede samenwerking te kunnen komen én de ouders lijken onjuiste informatie te verschaffen. Nu er te weinig zicht is verkregen op hoe het echt met [minderjarige] gaat in de thuissituatie, vindt de Raad het belangrijk dat de GI hulpverlening gaat inzetten om intensief mee te kijken in het gezinssysteem. De hulpverlening zal er, samen met de ouders, voor moeten gaan zorgen dat [minderjarige] in de zorg en opvoeding krijgt wat hij nodig heeft. De Raad vindt het ook belangrijk dat er een psychoseksuele screening wordt verricht bij [minderjarige] . Wanneer er binnen de ondertoezichtstelling onvoldoende wordt meegewerkt of het benodigde zicht op [minderjarige] uitblijft, zal de GI moeten bezien of een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is. De Raad heeft hier, omdat de ouders nog niet eerder hulpverlening hebben gehad, nu niet voor gekozen. De beoogde GI is het meest passend. Zij hebben de expertise op het gebied van Roma en werken landelijk. Dit is van belang nu de ouders al op verschillende plekken in het land hebben gewoond en nog geen vaste woonplaats hebben in Nederland.
4.2.
De vader heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De vader is het niet eens met alle zorgen van de Raad, waaronder de zorgen over de toiletgang van [minderjarige] . De vader herkent wel dat [minderjarige] weinig naar school is geweest en dat de mondhygiëne van [minderjarige] niet goed is. Het is voor de ouders af en toe moeilijk om grenzen te stellen aan [minderjarige] . De vader geeft aan dat het voor de ouders lastig is dat zij steeds op zoek moeten naar een andere woning. Zij hebben nu een mogelijke woning gevonden in [plaats] . De vader maakt zich geen zorgen over de ondertoezichtstelling en de beoogde observaties op hun opvoedsituatie. Zij hebben een normaal gezin dat normaal functioneert. De vader zou zich niet kunnen indenken dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. De vader doet alles voor [minderjarige] en [minderjarige] komt niets te kort.
4.3.
De GI staat achter het verzoek van de Raad en kan zich vinden in de door de Raad opgestelde doelen. De GI ziet ook de zorgen over [minderjarige] . Wanneer de ondertoezichtstelling wordt toegewezen, is het belangrijk dat de ouders met de GI gaan samenwerken om de zorgen weg te nemen met de inzet van hulpverlening.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter constateert dat de moeder, de vader en [minderjarige] de Bulgaarse nationaliteit hebben. Dit brengt met zich dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
5.3.
De Nederlandse kinderrechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen aangezien [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Wettelijke kader
5.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
-de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
-de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.6.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. De kinderrechter onderschrijft daarbij de zorgen van de Raad over de ontwikkeling van [minderjarige] . Deze zorgen zijn onder meer gelegen in de basale zorg voor [minderjarige] en zijn cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Als gevolg van een slechte mondhygiëne, zijn er zorgen over de staat van het (melk)gebit van [minderjarige] en vanwege het vele schoolverzuim, is er sprake van een leerachterstand, waardoor [minderjarige] de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Op school spreekt [minderjarige] nauwelijks, vindt hij weinig tot geen aansluiting bij andere kinderen en zijn er zorgen over (het gebrek aan) de toiletgang en zijn eetgedrag. Ook over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de ouders zijn er grote zorgen. [minderjarige] heeft in zijn leven al op veel verschillende plekken gewoond en ook nu is er nog sprake van een gebrek aan stabiliteit en zekerheid in zijn woonomgeving. De ouders hebben (nog) geen eigen woning, het netwerk rondom [minderjarige] wisselt sterk en er is sprake geweest van een vermoeden van mensenhandel. Tot op heden lijkt het de ouders onvoldoende te lukken om de verantwoordelijkheden als ouder adequaat uit te voeren en om keuzes te maken waarmee zij de belangen van [minderjarige] vooropstellen.
5.7.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Naast dat er sprake is van een taalbarrière, lijken de ouders de ernst van de zorgen over [minderjarige] niet als zodanig te (h)erkennen. Dit maakt dat het de ouders nu al geruime tijd niet lukt om de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De ouders staan weliswaar open voor de inzet van hulpverlening, maar dit is binnen een vrijwillig kader niet van de grond gekomen en het lukt de ouders onvoldoende om de adviezen van de betrokken professionals, waaronder de tandarts, op te volgen. Zo komen de ouders, ondanks het advies van de tandarts om structurele controles uit te voeren, enkel bij de tandarts wanneer [minderjarige] ernstige pijnklachten heeft en is de behandeling bij een kindertandarts (onder algehele narcose) niet van de grond gekomen. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat hulp en regie in een gedwongen kader betrokken wordt. Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI de komende periode zicht houdt op het welbevinden van [minderjarige] en regie voert over de in te zetten hulpverlening.
5.8.
Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk. Daarbij sluit de kinderrechter zich aan bij de door de Raad in het raadsrapport geformuleerde doelen en geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
- [minderjarige] groeit op in een veilige opvoedingssituatie waarbinnen de basale zorg geregeld is (een vaste woon- en verblijfplaats, (mond)zorg, voeding);
- [minderjarige] bezoekt structureel passend onderwijs;
- [minderjarige] kan op een leeftijdsadequate manier vriendschappen aangaan en onderhouden;
- Ouders zijn in staat om [minderjarige] de zorg en opvoeding te bieden die hij nodig heeft.
5.9.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter zal het – onweersproken – verzoek toewijzen voor de verzochte duur van een jaar, omdat die termijn passend wordt geacht. De zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] zijn ernstig en hier moet op zeer korte termijn verandering in komen. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij de veiligheid van [minderjarige] nader in kaart brengt, dat er zo spoedig mogelijk zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie van [minderjarige] en dat er hulpverlening wordt ingezet in de thuissituatie. Het is daarbij van groot belang dat de ouders de komende periode laten zien dat zij bereid zijn om de samenwerking met de GI aan te gaan en de geboden hulp met beide handen aangrijpen ten einde de zorgen over [minderjarige] weg te nemen om verderstrekkende maatregelen te voorkomen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.11.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 27 maart 2026 tot 27 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.