Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3434

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/437026 / JE RK 25-1166
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die sinds 7 augustus 2020 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De ondertoezichtstelling is reeds meerdere malen verlengd, laatstelijk tot 7 april 2026.

De GI verzoekt verlenging tot 7 augustus 2026, omdat de minderjarige nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Het negatieve gedrag van de minderjarige neemt toe, en zij krijgt onvoldoende ondersteuning bij het omgaan met emoties. Er is een psychologisch onderzoek ingezet om beter inzicht te krijgen in haar problematiek en de benodigde hulpverlening. De ouders staan niet open voor een MST-traject, maar werken wel mee aan het onderzoek.

De ouders willen de hulpverlening graag vrijwillig voortzetten en erkennen de gedragsproblematiek. Zij werken mee en tonen groei, maar ervaren ook communicatieproblemen met de GI. De kinderrechter oordeelt dat de ernstige bedreiging niet voldoende wordt weggenomen binnen het vrijwillige kader en dat voortzetting van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om regie en zicht op de hulpverlening te houden.

De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling voor vier maanden tot 7 augustus 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De beslissing is genomen in het belang van de minderjarige en met het oog op het waarborgen van de continuïteit van de hulpverlening en diagnostiek.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 7 augustus 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437026 / JE RK 25-1166
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.C.J. Mouwen uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.C.J. Mouwen uit Tilburg.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 26 september 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • de brief van de GI van 20 maart 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 27 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door mr. J. van Roessel, als waarnemend advocaat voor mr. C.C.J. Mouwen;
- een tweetal vertegenwoordig(st)ers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] niet naar haar mening gevraagd, omdat dit vanwege
[minderjarige] ’s kind-eigen problematiek te belastend is.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de ouders.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 7 augustus 2020 is [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld. De ondertoezichtstelling is hierna telkens verlengd, voor het laatst met ingang van 7 oktober 2025 tot 7 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Op dit verzoek is door de kinderrechter reeds deels beslist.
3.2.
Aan de orde is het resterende deel van het (aangepaste) verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot 7 augustus 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. Er is nog steeds sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Het negatieve gedrag van [minderjarige] neemt toe, zij krijgt onvoldoende ondersteuning in het omgaan met haar emoties en de opvoedsituatie sluit nog onvoldoende aan bij wat zij nodig heeft. De afgelopen periode zijn er concrete doelen opgesteld gericht op het vergroten van de rust en veiligheid in huis, het versterken van de opvoedvaardigheden van de ouders en het beter aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. [hulpverlening] is momenteel betrokken bij het gezin om ouders hierin te begeleiden en de GI heeft structurele huisbezoeken afgelegd om de doelen te evalueren. De GI vindt het belangrijk om een beter beeld te vormen over wat [minderjarige] aankan, waar haar gedrag vandaan komt en wat zij nodig heeft. [minderjarige] is daarom aangemeld bij de GezinsManager voor een psychologisch onderzoek. Voortzetting van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de ontwikkeling van [minderjarige] te blijven volgen, de ingezette diagnostiek te waarborgen en ervoor te zorgen dat passende hulpverlening daadwerkelijk wordt ingezet en volgehouden. De ouders staan vooralsnog niet open voor een MST-traject. De GI wenst daarvoor nu eerst het diagnostisch onderzoek af te wachten. De verwachting is daarbij dat dit ouders meer inzicht en houvast geeft, zodat zij beter kunnen begrijpen waarom gerichte hulpverlening thuis nodig is. Er bestaat nog altijd wantrouwen vanuit de ouders richting de hulpverlening, dit maakt dat de GI zich zorgen maakt over een overdracht naar het vrijwillig kader. Om de ouders stap voor stap in het proces te begeleiden en de doelen te behalen, is een duidelijk (gedwongen) kader nodig.
4.2.
Door en namens de ouders is tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij de hulpverlening graag vanuit het vrijwillig kader willen voortzetten. De ouders zien een toename van de gedragsproblematiek en staan achter het psychologisch onderzoek. De ouders vragen hier al jaren om. Voor de ouders is het van belang dat dit onderzoek zo spoedig mogelijk wordt opgestart en dat er afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek, wordt gekeken naar wat [minderjarige] nodig heeft. Er dient daarbij ook rekening te worden gehouden met het feit dat [minderjarige] ouder wordt en in de pubertijd terecht zal komen. De ouders willen vooralsnog niet meewerken aan een MST-traject. Bij het gezin is al veel hulpverlening betrokken (geweest). Ondanks dat het vertrouwen van de ouders nog broos is, zoeken zij de samenwerking met de GI op. Zij werken overal aan mee en laten groei zien in het opvolgen van adviezen van de hulpverlening. De ouders hebben daarbij soms de indruk dat zij vanwege hun eigen problematiek niet goed genoeg worden meegenomen en dat aan hen dingen worden opgelegd. Afspraken worden niet altijd goed nagekomen, de GI is onvoldoende transparant naar de ouders toe en de communicatie verloopt nog niet rechtstreeks met de ouders. Er wordt nog gewerkt aan de opgestelde doelen, de structuur en de taakverdeling die daarbij passend is. De traumabehandeling van de moeder is afgerond en de vader heeft aan zijn doelen gewerkt.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Ingevolge artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat nog aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
Hoewel de afgelopen periode door de ouders en de GI positieve stappen zijn gezet, is de kinderrechter gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen, waardoor zij nog altijd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met kind-eigen problematiek. Het probleemgedrag van [minderjarige] lijkt de afgelopen periode verder te zijn toegenomen, waarbij het [minderjarige] onvoldoende lukt om adequaat om te gaan met haar emoties. Zij kan snel boos worden en uit zich dan ook verbaal en fysiek richting anderen. Om meer zicht te krijgen in de problematiek en in het verlengde daarvan de benodigde behandeling van [minderjarige] en de ondersteuning van de ouders, is diagnostiek noodzakelijk. Hier zijn alle betrokkenen het over eens en de kinderrechter juicht de aanmelding van [minderjarige] bij de Gezinsmanagers dan ook van harte toe.
5.5.
Anders dan door de ouders is gesteld, is de kinderrechter van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging (vooralsnog) niet of onvoldoende worden weggenomen met de inzet van hulpverlening in het vrijwillige kader. De ouders ervaren nog weerstand tegen de (inzet van) hulpverlening. Het lukt de ouders in de thuissituatie, al dan niet vanwege hun eigen persoonlijke problematiek en kwetsbaarheid, onvoldoende om aan te sluiten bij datgene dat [minderjarige] nodig heeft en om de adviezen van de hulpverlening blijvend te benutten. De ouders zijn het weliswaar eens met de inzet van het psychologisch onderzoek voor [minderjarige] , maar het is nog onduidelijk wat daaruit zal volgen en in welke behandeling en ondersteuning als gevolg daarvan zal moeten worden voorzien. Het is thans onvoldoende duidelijk of de ouders daar hun medewerking aan zullen verlenen. De kinderrechter sluit daarbij immers niet uit dat inzet van MST-behandeling, waar de ouders thans niet voor openstaan, in de toekomst alsnog noodzakelijk zal zijn. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de hulp en regievoering binnen het gedwongen kader wordt voortgezet. Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI ook de komende periode zicht houdt op haar welbevinden en regie blijft voeren over de hulpverlening, waaronder de ingezette diagnostiek en de benodigde behandeling van [minderjarige] en de ondersteuning van de ouders.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de resterende duur van het verzoek, te weten voor vier maanden, met ingang van 7 april 2026 en tot 7 augustus 2026. De kinderrechter hoopt daarbij dat het de GI en de ouders lukt om ook de komende periode de samenwerking te behouden en verder te versterken. Daarbij gaat de kinderrechter er vanuit dat de ontevredenheid van de ouders door de GI zal worden meegenomen in de huisbezoeken die de GI aflegt en dat de ouders zich open blijven stellen voor de hulpverlening, meer in het bijzonder nu het psychologisch onderzoek bij [minderjarige] op korte termijn zal worden afgenomen.
5.7.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 7 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.