Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3428

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/443440 / FA RK 25/6710
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige wijziging hoofdverblijfplaats minderjarige in belang van het kind

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kind te wijzigen naar hem toe. De ouders hadden eerder gezamenlijk gezag en een ouderschapsplan waarin de hoofdverblijfplaats bij de moeder was vastgesteld. Sinds oktober 2025 verblijft het kind echter bij de vader, waarbij de moeder geen contact meer had met het kind en de vader.

Tijdens de zitting sprak de minderjarige met de rechter en gaf aan bij haar vader te willen blijven wonen vanwege de ervaren stabiliteit en meer vrijheid. Er zijn zorgen over de thuissituatie bij de moeder, waaronder mogelijke psychische problemen en onvoorspelbaar gedrag. De moeder ontkent een psychose, maar erkent veiligheidsproblemen en heeft tijdelijk elders verbleven.

De rechtbank acht het in het belang van het kind om de hoofdverblijfplaats voorlopig bij de vader vast te stellen en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tevens verwijst zij de ouders en het kind naar een uniform hulpaanbod (UHA) voor een jeugd(hulp)traject gericht op het verbeteren van de communicatie en het welzijn van het kind. De definitieve beslissing wordt aangehouden voor zes maanden, afhankelijk van de uitkomsten van het hulpverleningstraject en eventueel onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt voorlopig de hoofdverblijfplaats van de minderjarige naar de vader en verwijst naar een jeugd(hulp)traject.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/443440 / FA RK 25/6710
datum uitspraak: 27 maart 2026
beschikking betreffende wijziging hoofdverblijfplaats
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. A.Ch. Osté te Oosterhout,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 23 december 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F-formulier met bijlage van mr. Osté van 21 januari 2026;
- de door de vrouw ter zitting van 23 maart 2026 overgelegde bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 23 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad.
1.3
De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft op 12 maart 2026 met de rechter gesproken. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012, hierna te noemen: [minderjarige] .
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over haar.
2.3
De ouders hebben afspraken met elkaar gemaakt in het ouderschapsplan van 22 juli 2017. In dit ouderschapsplan is opgenomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben en op haar adres ingeschreven zal staan, alsmede een zorgregeling tussen [minderjarige] en de man. Bij beschikking van 14 november 2017 van deze rechtbank is dit ouderschapsplan aangehecht. Later hebben partijen een nieuw ouderschapsplan van 20 januari 2023 opgemaakt. Dit ouderschapsplan is gehecht aan de beschikking van 25 mei 2023. Ook in dit ouderschapsplan is opgenomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft en op haar adres ingeschreven zal staan.
2.4
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 22 juli 2025 is de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] , zoals opgenomen in het ouderschapsplan van 20 januari 2023, geschorst tot 15 december 2025.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen, zodat zij haar hoofdverblijf zal hebben bij de man;
II. voor zover vereist de Raad onderzoek te laten uitvoeren om te kunnen vaststellen waar [minderjarige] haar hoofdverblijf dient te hebben.

4.De beoordeling

4.1
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank ook een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten: de beslissing bij welke ouder het kind de hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.2
Uit de overgelegde stukken, de zitting en het gesprek met [minderjarige] is gebleken dat de lezing van de man, de vrouw en [minderjarige] over de omstandigheden en de redenen waarom [minderjarige] inmiddels bij de man verblijft, uiteenlopen. De rechtbank kan in ieder geval vaststellen dat [minderjarige] sinds 27 oktober 2025 bij de man verblijft. Op dat moment was de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] geschorst. Desondanks heeft de vrouw toen bij [minderjarige] aangegeven dat ze bij haar vader moest gaan verblijven. [minderjarige] en de man hebben vervolgens geen contact meer met de vrouw gehad. De man stelt dat hij heeft geprobeerd om contact te krijgen, maar de vrouw was niet bereikbaar en het was onbekend waar zij op dat moment verbleef. Ook de advocaat van de vrouw reageerde niet op berichten. Enkele weken geleden hebben [minderjarige] en de vrouw elkaar alleen kort gezien in het centrum. Er is echter verder geen contact tussen hen geweest. De vrouw geeft aan dat zij wel heeft geprobeerd om [minderjarige] te bellen, maar dat het telefoonnummer van [minderjarige] is veranderd.
4.3
[minderjarige] heeft in het gesprek met de rechter aangegeven bij haar vader te willen blijven wonen. Ze vindt het niet oké hoe haar moeder haar heeft behandeld en is boos op haar. Zij wil daarom op dit moment geen contact met haar. [minderjarige] heeft verder verteld dat zij bij haar moeder veel verantwoordelijkheden had in het huishouden.
In dat kader maakt zij zich zorgen of haar moeder nu wel goed voor zichzelf zorgt. Bij haar vader mag [minderjarige] meer naar buiten en met vrienden afspreken. Ze vindt het daarom fijner bij haar vader.
4.4
De rechtbank constateert veel zorgen in het gezinssysteem rondom [minderjarige] . Zij heeft medio 2025 een periode geen contact gehad met haar vader, omdat zij dat niet wilde. Vervolgens wordt haar opgedragen bij haar vader te gaan wonen en sindsdien wil zij geen contact meer met haar moeder. [minderjarige] heeft verteld dat zij merkt dat haar ouders geen goede relatie met elkaar hebben. Tussen de ouders vindt er geen communicatie plaats. De vrouw is in de periode van oktober tot medio december 2025 niet bereikbaar voor de man en [minderjarige] geweest. Op basis van de nu beschikbare informatie is voor de rechtbank onvoldoende vast te stellen welke problematiek er speelt rondom de vrouw. De man heeft hierover aangegeven dat er sprake is van psychische problemen bij de vrouw en het mogelijk stoppen met voorgeschreven medicatie. [minderjarige] heeft verteld dat haar moeder heeft gezegd dat ze voor iemand naar Italië ging en dat [minderjarige] daarom naar haar vader zou gaan. Ook heeft ze verteld dat haar moeder een psychose heeft gehad en heeft [minderjarige] situaties benoemd waardoor het erop lijkt dat de vrouw voor [minderjarige] onvoorspelbaar was in haar gedrag. De vrouw heeft aangegeven dat zij geen psychose heeft gehad, dat het goed met haar gaat en dat een arts heeft bevestigd dat zij geen medicatie meer nodig heeft. Volgens haar is er echter sprake van onveiligheid, veroorzaakt door haar broer. Daarom heeft zij van oktober tot december 2025 bij Sterk Huis verbleven en contact met Veilig Thuis gehad. Ze heeft [minderjarige] naar de man laten gaan om veiligheidsredenen omdat zij haar niet voldoende kon beschermen, niet omdat zij voor iemand naar Italië ging.
Over de hulpverlening heeft [minderjarige] verteld dat zij op school met een leerlingondersteuner spreekt. De man geeft aan dat er elke week een medewerkster van [hulpverlening] thuis komt om met [minderjarige] te spreken. [minderjarige] staat nog steeds op de wachtlijst voor een traumabehandeling. De rechtbank vindt het zorgelijk dat [minderjarige] klaarblijkelijk al maanden op een wachtlijst staat, maar nog steeds geen psychische hulp en traumabehandeling heeft gehad.
4.5
De vrouw heeft aangegeven [minderjarige] erg te missen. Ze wil dat de hoofdverblijfplaats bij haar blijft en dat er een co-ouderschapsregeling tussen de ouders komt. De rechtbank acht het, met de Raad, echter op dit moment in het belang van [minderjarige] om
voorlopighaar hoofdverblijfplaats te wijzigen en deze bij de man vast te stellen. [minderjarige] lijkt bij de man stabiliteit te ervaren en meer de vrijheid te hebben om ‘kind’ te mogen zijn. [minderjarige] wil op dit moment ook geen contact met haar moeder. [minderjarige] heeft bij de man wekelijks gesprekken met een medewerker van [hulpverlening] . Aangezien [minderjarige] inmiddels al bijna zes maanden daar verblijft, is het in haar belang dat de praktische zaken daarvoor ook geregeld kunnen worden. Met de voorlopige vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij de man kan zij op zijn adres ingeschreven worden en kan de man voor haar kinderbijslag en andere financiële voorzieningen ontvangen. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. De rechtbank kan geen beslissing nemen over een zorgregeling, dus contact tussen de vrouw en [minderjarige] , omdat hierover geen verzoek is ingediend.
4.6
Op aangeven van de Raad hebben partijen ingestemd met een verwijzing naar het uniform hulpaanbod (UHA).
De Raad heeft daarover aangegeven dat [minderjarige] onbelast contact met haar beide ouders moet kunnen hebben en dat er een samenwerking tussen de ouders tot stand moet komen. Daarnaast dient er zicht te komen op het systeem rondom [minderjarige] en de zorgen die er spelen. Beide ouders hebben aangegeven ermee in te stemmen dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant.
De verwijzing heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van de verwijzingsbeschikking naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.7
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.8
Gebleken is dat de ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de gezagdragende ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (keuze: lichte interventie);
- het kind en de gezagdragende ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is meegezonden met de verwijzing.
4.9
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.1
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank de ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaat maakt in de reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor het verzoek met betrekking tot [minderjarige] .
4.11
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.12
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank de ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.13
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de vragen:
- Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
- Zijn er feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die er toe leiden dat het onderzoek dient te worden uitgebreid naar een beschermingsonderzoek?
4.14
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.15
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank de ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.16
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacyaspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.17
Omdat de ouders en [minderjarige] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet definitief op de verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en tot het verrichten van een raadsonderzoek, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
bepaalt, in wijziging op het ouderschapsplan van 20 januari 2023 (aangehecht bij beschikking van 25 mei 2023), dat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012,
voorlopighaar hoofdverblijf heeft bij de man;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
verwijst de ouders en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal de ouders en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.4
verzoekt het loket om uiterlijk op
6 oktober 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.5
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.6
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.7
verzoekt de Raad, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.13 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.8
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.9
houdt aan de (definitieve) beslissing op de verzoeken.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Vos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.