Uitspraak
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
voorlopighaar hoofdverblijfplaats te wijzigen en deze bij de man vast te stellen. [minderjarige] lijkt bij de man stabiliteit te ervaren en meer de vrijheid te hebben om ‘kind’ te mogen zijn. [minderjarige] wil op dit moment ook geen contact met haar moeder. [minderjarige] heeft bij de man wekelijks gesprekken met een medewerker van [hulpverlening] . Aangezien [minderjarige] inmiddels al bijna zes maanden daar verblijft, is het in haar belang dat de praktische zaken daarvoor ook geregeld kunnen worden. Met de voorlopige vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij de man kan zij op zijn adres ingeschreven worden en kan de man voor haar kinderbijslag en andere financiële voorzieningen ontvangen. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. De rechtbank kan geen beslissing nemen over een zorgregeling, dus contact tussen de vrouw en [minderjarige] , omdat hierover geen verzoek is ingediend.
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
- het kind en de gezagdragende ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is meegezonden met de verwijzing.
5.De beslissing
voorlopighaar hoofdverblijf heeft bij de man;
6 oktober 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.