Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3424

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/426186 / FA RK 24-4056
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ouders tot onbegeleide omgangsregeling wegens kwetsbaarheid minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van ouders om een opbouwende onbegeleide omgangsregeling met hun dochter vast te stellen. De minderjarige verblijft bij pleegouders en heeft een grote kwetsbaarheid door verstandelijke en lichamelijke beperkingen. Het gezag is beëindigd en Stichting Nidos is voogd.

De ouders willen de omgang uitbreiden en zonder begeleiding, maar de gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren dit af vanwege de intensieve zorgbehoefte van de dochter en het risico van overprikkeling. De ouders tonen onvoldoende erkenning van de zorgbehoefte en er is wantrouwen tussen hen en de GI.

De rechtbank concludeert dat uitbreiding van de omgang zonder begeleiding niet in het belang van de minderjarige is. De huidige regeling met begeleide bezoeken op woensdagochtend blijft van kracht, met mogelijke verschuiving naar de middag om schoolverzuim van andere kinderen te voorkomen. Het verzoek wordt afgewezen.

Uitkomst: Verzoek ouders tot onbegeleide omgangsregeling wordt afgewezen vanwege kwetsbaarheid en zorgbehoefte van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/426186 / FA RK 24-4056
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Nadere beschikking over wijziging van de omgangsregeling
in de zaak van
[moeder] ,hierna te noemen moeder,
en
[de vader], hierna te noemen de vader,
hierna gezamenlijk te noemen de ouders,
beiden wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. mr. L.T.C.M. Geurts te ‘s-Gravenhage,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
tegen
de gecertificeerde instelling STICHTING NIDOS,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Utrecht.
De kinderrechter merkt in deze procedure als belanghebbenden aan:
de heer [pleegouder 1] en mevrouw [pleegouder 2] ,
hierna te noemen pleegouders,
wonende te [plaats 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 6 maart 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • de brief van de GI van 5 juni 2025 met bijlagen;
  • het F9-formulier met bijlagen van mr. Geurts van 17 juni 2025;
  • het F9-formulier met bijlagen van mr. Geurts van 3 juli 2025;
  • de brief van de GI van 27 november 2025 met bijlagen;
  • het F9-formulier van mr. Geurts van 22 december 2025 met bijlage.
1.2.
De zitting met gesloten deuren is op 16 maart 2026 voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat en een tolk;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
De pleegouders zijn met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen.
1.3.
De rechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Op het retour ontvangen keuzeformulier is vermeld dat [minderjarige] niet in staat is om hier gebruik van te maken.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 1 maart 2022 van deze rechtbank is het gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd en is Stichting Nidos benoemt tot voogdes over [minderjarige] .
2.2.
Het gerechtshof heeft op 8 september 2022 de voornoemde beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
2.3.
[minderjarige] verblijft bij pleegouders.
2.4.
[minderjarige] verblijft iedere week op woensdag van 09:00 uur tot 13:00 uur onder begeleiding van [thuiszorg] bij ouders.
2.5.
[minderjarige] heeft de Syrische nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De ouders verzoeken om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, een zodanige omgangsregeling tussen ouders en [minderjarige] te bepalen dat de ouders en [minderjarige] recht hebben op:
  • primair:een opbouwende onbegeleide omgangsregeling, waarbij wordt opgebouwd naar een onbegeleide omgangsregeling waarbij [minderjarige] op maandag en woensdag van 09:00 uur tot 16:00 uur bij ouders verblijft;
  • subsidiair: een opbouwende onbegeleide omgangsregeling, waarbij wordt opgebouwd naar een onbegeleide omgangsregeling waarbij [minderjarige] wekelijks 1 x (op maandag of woensdag van 09:00 uur tot 16:00 uur) bij ouders verblijft en ouders [minderjarige] wekelijks 1 x (op maandag of woensdag van 09:00 uur tot 16:00 uur) op locatie bezoeken,
  • althans een zodanige regeling die de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht.
3.2.
Bij beschikking van 6 maart 2025 heeft de rechtbank de beslissing op dit verzoek van de ouders aangehouden.

4.De standpunten

4.1
De ouders handhaven hun verzoek. Op dit moment komt [minderjarige] één keer per week op woensdag thuis op bezoek van 09:30 uur tot 13:00 uur. De begeleiding is daarbij aanwezig. Dit gaat goed. De ouders merken aan [minderjarige] dat zij blij is als zij bij ouders verblijft en dat zij verdrietig wordt op het moment dat het bezoek voorbij is. De ouders hebben moeite met de omgangsbegeleiding en voelen zich door de begeleidster bekeken. Zij willen graag zelfstandig voor [minderjarige] kunnen zorgen zonder de aanwezigheid van derden. De ouders erkennen de beperking van [minderjarige] en haar speciale zorgbehoefte. Zij zijn goed in staat om voor haar te zorgen. [minderjarige] is hun dochter en hoort thuis te wonen, desnoods met de inzet van externe hulp. De ouders zouden graag zien dat het contact wordt uitgebreid, bijvoorbeeld in eerste instantie op woensdag van 09:30 uur tot 15:00 uur zodat [minderjarige] de ochtend met de ouders en de middag met de andere kinderen kan doorbrengen, dan wel met een nachtje slapen. De ouders zijn bereid om hierover afspraken te maken met de GI. De ouders willen dat de GI hen meer vertrouwen geeft.
4.2
De GI benoemt dat het contact tussen [minderjarige] en de ouders sinds december 2025 weer is opgestart. Dit loopt in principe goed. De bezoeken die thans plaatsvinden op de woensdagochtend zullen deels worden verplaatst naar de middag, omdat de andere kinderen van het gezin momenteel ongeoorloofd thuis worden gehouden van school zodra [minderjarige] op bezoek komt. Bezien moet worden of dit haalbaar is voor [minderjarige] , want zij is na de bezoeken behoorlijk vermoeid en overprikkeld en heeft dan tijd nodig om weer tot rust te komen. [minderjarige] wordt soms na een bezoek tot wel twaalf keer wakker en zij slaat zichzelf. De bezoeken vragen dus veel van [minderjarige] . De GI vindt uitbreiding hiervan dan ook niet in haar belang. Ook begeleiding blijft noodzakelijk volgens de GI. De GI is als voogd van [minderjarige] verantwoordelijk voor haar welzijn en vindt de risico’s te groot om haar zonder toezicht bij de ouders te laten verblijven. De ouders willen laten zien dat zij het goed doen, maar zijn niet open naar de GI als er iets niet goed gaat. Als voorbeeld benoemt de GI onder meer dat de ouders niet hebben verteld dat [minderjarige] tijdens een bezoek met haar rolstoel is omgevallen. Daarnaast vraagt de sondevoeding van [minderjarige] speciale zorg met voor haar ingrijpende gevolgen als deze zorg niet goed wordt uitgevoerd. Het vertrouwen bij de GI ontbreekt, nu de ouders nog altijd weinig inzicht tonen in de speciale zorgbehoefte van [minderjarige] . In het belang van [minderjarige] dient het verzoek van de ouders te worden afgewezen.
4.3
De Raad stelt vast dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is dat meer zorg nodig heeft dan gemiddelde kinderen. De ouders erkennen deze zorgbehoefte onvoldoende, wat mede aanleiding is geweest voor een gezagsbeëindiging. Dit heeft ook tot gevolg dat een thuisplaatsing niet meer aan de orde is. Desondanks blijven ouders van mening dat [minderjarige] thuis moet wonen. De bezoeken zijn erg intensief voor [minderjarige] . De Raad vindt dan ook dat er erg zorgvuldig moet worden omgegaan met een wijziging van de bezoeken. Een uitbreiding acht de Raad niet in het belang van [minderjarige] , nu zij behoorlijk reageert op de bezoeken. De Raad snapt dat de GI omgangsbegeleiding nodig vindt, gezien de opstelling van de ouders die soms echt grensoverschrijdend is. Volgens de Raad is het niet realistisch om toe te werken naar wat ouders verzoeken.

5.De nadere beoordeling

5.1
Bij beschikking van 6 maart 2025 heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek van de ouders aangehouden in afwachting van nadere informatie van de GI omtrent de mogelijkheden voor omgang op een andere locatie dan bij de ouders thuis. Deze optie bleek eerder nooit concreet door de GI te zijn onderzocht. Daarbij dient de GI tevens te onderzoeken of er opties zijn waarbij de broertjes en het zusje van [minderjarige] ook betrokken kunnen worden.
5.2
Uit de nader verkregen informatie concludeert de rechtbank dat de ouders de problematiek en de zorgbehoefte van [minderjarige] nog steeds niet voldoende erkennen. De ouders hebben de wens dat [minderjarige] (op termijn) thuis komt wonen en willen om hier naar toe te werken uitbreiding van hun omgang met [minderjarige] en beëindiging van de begeleiding. De rechtbank deelt de visie van de Raad en de GI, in die zin dat dit niet realistisch is en voor [minderjarige] geen haalbare wens is. [minderjarige] is verstandelijk en lichamelijk beperkt en is daardoor een kwetsbaar meisje. De wekelijkse bezoekmomenten met de ouders op de woensdagochtend zijn intensief voor haar. Na afloop van de bezoeken wordt gezien dat [minderjarige] erg vermoeid en overprikkeld is en dat zij tijd nodig heeft om hiervan bij te komen. Daarnaast lukt het de ouders niet om open te zijn over het verloop van deze bezoekmomenten en om de samenwerking aan te gaan met de GI. Er heerst een groot wantrouwen vanuit de ouders naar de GI. De rechtbank verwijst hierbij naar het voorval waarbij [minderjarige] bij ouders thuis met haar rolstoel is omgevallen en de ouders dit voor de GI hebben verzwegen. Het lukt de GI niet om tot een samenwerkingsrelatie te komen met de ouders, terwijl de GI wel als voogd eindverantwoordelijk is voor het welzijn van [minderjarige] . De houding van de ouders zorgt ervoor dat er teveel risico’s worden gezien voor onbegeleide contacten. Ook vooral omdat [minderjarige] sondevoeding nodig heeft en onjuiste toedoening ingrijpende gevolgen voor haar kan hebben. De kwetsbaarheid van [minderjarige] maakt dat de rechtbank een uitbreiding van de omgang in duur en zonder begeleiding dan ook niet in haar belang acht. Het verzoek van de ouders zal daarom worden afgewezen. De regeling zoals die bepaald is door de GI is volgens de deskundigen het meest passend, waarbij de mogelijkheid om het bezoek (soms) in de middag te laten plaatsvinden onderzocht dient te worden zodat de andere kinderen van ouders kunnen aansluiten bij het bezoekmoment zonder dat er sprake is van ongeoorloofd schoolverzuim.
5.3
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek van de ouders tot het vaststellen van een opbouwende onbegeleide omgangsregeling af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.