Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3419

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/443948 / FA RK 26/202
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253t BWArt. 1:253v BWArt. 1:253n BWArt. 1:7 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en afwijzing verzoek tot terugwijziging geslachtsnaam minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 27 maart 2026 een verzoek van de vrouw en de man om het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te wijzigen. De vrouw en de man zijn sinds november 2025 gescheiden en vormen geen gezin meer met de minderjarige. De man wenst geen gezag meer uit te oefenen, mede omdat hij niet de biologische vader is en niet voor twee kinderen kan zorgen. De vrouw verzoekt tevens om terugwijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige naar haar eigen achternaam.

De rechtbank stelt vast dat het gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW kan worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden, wat hier het geval is. De rechtbank besluit het gezamenlijk gezag te beëindigen en de vrouw als enige gezagsdrager aan te wijzen. Dit wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard in het belang van het kind.

Het verzoek tot terugwijziging van de geslachtsnaam wordt afgewezen omdat de wet deze wijziging alleen toestaat bij toewijzing van gezamenlijk gezag en niet bij beëindiging daarvan. De rechtbank wijst op de wettelijke leemte en het afkeurenswaardige karakter van heen en weer wijzigen van geslachtsnamen, en adviseert de vrouw een aanvraag te doen bij Dienst Justis op grond van artikel 1:7 BW Pro.

De beschikking is openbaar uitgesproken door rechter Van de Kraats, met griffier Verger-Maas aanwezig. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak door tussenkomst van een advocaat bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de vrouw wordt als enige gezagsdrager aangewezen; het verzoek tot terugwijziging van de geslachtsnaam wordt afgewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/443948 / FA RK 26/202
datum uitspraak: 27 maart 2026
beschikking betreffende gezag
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
en
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. Y.I.B. Grosfeld te Breda,
De rechtbank merkt als informant aan:
[de juridische vader],
hierna te noemen: de juridische vader,
wonende te [plaats 3] (gemeente Rucphen).
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van het navolgende stuk:
- het op 14 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 13 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad.
Alhoewel correct opgeroepen is de juridische vader niet verschenen.

2.De feiten

2.1
De vrouw en de juridische vader hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
2.2
De juridische vader heeft [minderjarige] erkend.
2.3
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 mei 2024 is bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan zal worden uitgeoefend door de vrouw en de man tezamen en is de geslachtsnaam van [minderjarige] gewijzigd van ‘ [geslachtsnaam van de vrouw] ’ in ‘ [geslachtsnaam van de man] ’.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw en de man verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het gezag van de man over [minderjarige] te beëindigen;
II. de geslachtsnaam van [minderjarige] terug te wijzigen naar de geslachtsnaam van de moeder, aldus naar ‘ [geslachtsnaam van de vrouw] ’.

4.De beoordeling

4.1
Op grond van artikel 1:253v lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is op de gezamenlijke gezagsuitoefening door de ouder en een derde (bedoeld in artikel 1:253t BW) artikel 1:253n BW van overeenkomstige toepassing. Het op grond van artikel 1:253t BW ontstane gezamenlijke gezag kan door een verzoek aan de rechtbank worden beëindigd, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.2
Uit het verzoek van de vrouw en de man en tijdens de zitting is de rechtbank gebleken dat zij sinds 6 november 2025 zijn gescheiden van elkaar en zij niet meer met elkaar en [minderjarige] een gezin vormen. Er is daardoor sprake van een wijziging van omstandigheden sinds de beslissing van 17 mei 2024 tot het gezamenlijk gezag van de vrouw en de man over [minderjarige] . De man heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven geen gezag meer te willen dragen over [minderjarige] . Hij heeft daartoe in een bijgevoegde verklaring aangegeven dat zij niet zijn biologische kind is en hij alleen gezag had omdat hij toen nog voor haar zorgde. Hij heeft nog een biologisch kind en kan niet voor twee kinderen zorgen. De vrouw heeft aangegeven dat [minderjarige] geen contact wil met de man. [minderjarige] heeft de man inmiddels al maanden niet gezien. Zij krijgt psychologische jeugdhulpverlening.
4.3
De rechtbank stelt volledigheidshalve vast dat de juridische vader conform artikel 1:253v lid 3 BW in de gelegenheid is gesteld om te verzoeken om gezamenlijk of eenhoofdig ouderlijk gezag. Hij heeft namelijk daarvoor, ondanks dat hij als informant is aangemerkt, een afschrift van het verzoekschrift ontvangen. De juridische vader heeft geen verzoek gedaan. Op dit moment heeft de juridische vader ook al jaren geen rol in het leven van [minderjarige] .
4.4
Gezien voormelde omstandigheden stelt de rechtbank, met de Raad, vast dat het verzoek onder I voor toewijzing gereed is. De rechtbank zal daarom het gezamenlijk gezag tussen de vrouw en de man beëindigen en bepalen dat de vrouw voortaan alleen is belast met het gezag over [minderjarige] . De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
4.5
De rechtbank kan het verzoek onder II niet toewijzen. De geslachtsnaam is op grond van artikel 1:253t lid 5 BW bij beschikking van 17 mei 2024 gewijzigd naar de achternaam van de man: ‘ [geslachtsnaam van de man] ’. De wet biedt deze mogelijkheid nadrukkelijk alleen bij de toewijzing van een verzoek tot gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW en niet bij beëindiging van dat gezag op grond van artikel 1:253v lid 3 BW. Hoewel de rechtbank het zeer ongelukkig vindt dat [minderjarige] door deze leemte in de wet de achternaam van de man behoudt, ziet zij geen grondslag of ruimte voor een analoge toepassing daarvan. Uit andere wetsbepalingen en onder andere het besluit geslachtsnaamswijziging maakt de rechtbank ook op dat de wetgever het heen en terug veranderen van geslachtsnamen ook afkeurt. De rechtbank wijst daarom het verzoek af. De rechtbank heeft de vrouw op de mogelijkheid gewezen van artikel 1:7 BW Pro om bij Dienst Justis een aanvraag in te dienen tot (terug)wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige] .

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
beëindigt het gezamenlijk gezag tussen de vrouw en de man en bepaalt dat de vrouw voortaan alleen is belast met het gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
verzoekt de griffier een aantekening daarvan te maken in het gezagsregister;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. Van de Kraats, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.