Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3418

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/415615 / FA RK 23-5175
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omgangsregeling en kinderalimentatie tussen ouders na relatiebeëindiging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 27 maart 2026 een zaak tussen een vrouw en een man betreffende de vaststelling van kinderalimentatie en een omgangsregeling voor hun minderjarige kind, geboren in 2010. De minderjarige verblijft momenteel op een zorgboerderij. De vrouw heeft het eenhoofdig ouderlijk gezag en de man heeft het kind erkend.

De vrouw verzocht om vaststelling van een maandelijkse bijdrage van €26,63 door de man voor de verzorging en opvoeding van het kind, ingaande 1 oktober 2025. De man stemde hiermee in. Daarnaast verzocht de man om een omgangsregeling waarbij hij eenmaal per veertien dagen onder begeleiding contact heeft met het kind gedurende één uur, met mogelijkheid tot uitbreiding in overleg en beeldbellen tussen de contactmomenten. Ook dit verzoek werd door de vrouw bevestigd.

De rechtbank nam kennis van een informele rechtsingang waarbij de minderjarige zelf verzocht had om mede-ouderschap en hoofdverblijf bij de vader, maar de man gaf aan dit verzoek nog niet in te dienen vanwege de kwetsbare onderlinge verhouding en de wens eerst met hulpverlening te overleggen.

De rechtbank besloot de omgangsregeling en kinderalimentatie conform de overeenstemming tussen partijen vast te stellen en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tevens werd de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden vermeld.

Uitkomst: De rechtbank stelde de omgangsregeling en kinderalimentatie vast conform de overeenstemming tussen partijen en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/415615 / FA RK 23-5175
beschikking d.d. 27 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
en
[bewindvoerder 1] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
in zijn hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van de vrouw,
hierna te noemen: [bewindvoerder 1] ,
advocaat mr. V.J.C. Pieters, gevestigd te Goes,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de man,
en
[bewindvoerder 2] ,
gevestigd te [plaats 3] ,
in zijn hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van de man,
hierna te noemen: bewindvoerder [bewindvoerder 2] ,
advocaat: voorheen mr. D.R.M. de Vos (onttrokken), thans mr. M.A. Breewel-Witteveen, gevestigd te Goes.
De rechtbank merkt als informant aan:
- mevrouw
[persoon]van [jeugdhulp] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 2 november 2023 ingekomen verzoekschrift strekkende tot vaststelling kinderalimentatie, met bijlagen;
- het op 25 januari 2024 ingekomen verweerschrift op verzoekschrift strekkend tot vaststelling kinderalimentatie, tevens houdend zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- de brief d.d. 16 februari 2024 van mr. De Vos met nadere stukken;
- het F-formulier d.d. 10 april 2024 van mr. Pieters, met bijlage;
- het op 30 april 2024 ingekomen verweerschrift naar aanleiding van het zelfstandig verzoek strekkende tot vaststelling van een omgangsregeling, met bijlagen;
- het F-formulier d.d. 3 mei 2024 van mr. Pieters, met bijlage;
- de brief d.d. 3 mei 2024 van mr. De Vos met nadere stukken;
- de brief d.d. 8 mei 2024 van mr. De Vos;
- het F-formulier d.d. 8 mei 2024 van mr. Pieters;
- het F-formulier d.d. 12 november 2024 van mr. Pieters;
- het F-formulier d.d. 19 november 2024 van mr. De Vos;
- het F-formulier d.d. 3 januari 2025 van mr. De Vos;
- het F-formulier d.d. 12 februari 2025 van mr. Breewel-Witteveen;
- het F-formulier d.d. 13 februari 2025 van mr. Pieters;
- het F-formulier d.d. 19 mei 2025 van mr. Breewel-Witteveen;
- het F-formulier d.d. 20 mei 2025 van mr. Pieters;
- de brief d.d. 24 juli 2025 van mr. Pieters, met bijlage;
- de brief d.d. 23 september 2025 van mr. Pieters, tevens houdende een wijziging van het verzoek;
- het F-formulier d.d. 24 september 2025 van mr. Breewel-Witteveen;
- de brief d.d. 14 oktober 2025 van mr. Breewel-Witteveen, tevens houdende een wijziging van het verzoek;
- het F-formulier d.d. 22 oktober 2025 van mr. Pieters;
- de brief d.d. 24 december 2025 van mr. Pieters;
- het F-formulier d.d. 29 december 2025 van mr. Breewel-Witteveen;
- het F-formulier d.d. 14 januari 2026 van mr. Breewel-Witteveen.
1.2
De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 27 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaat. Verder waren aanwezig mevrouw [persoon] van [jeugdhulp] en een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3
Na te noemen minderjarige [minderjarige] is gelet op haar leeftijd in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken en heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt middels een e-mailbericht. De rechter heeft op de zitting samengevat wat [minderjarige] in dit e-mailbericht naar voren heeft gebracht en partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2
Uit hun relatie is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010.
2.3
De minderjarige verblijft thans op een zorgboerderij.
2.4
De man heeft de minderjarige erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.5
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.Het geschil en de beoordeling

Kinderbijdrage;
3.1
De vrouw verzoekt – na wijziging van haar verzoek - om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
1. Te bepalen dat de man met ingang van 1 oktober 2025 aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 26,63 per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , voor wat betreft toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen voor de 1e van iedere maand.
3.2
Bij brief van 14 oktober 2025 heeft mr. Breewel-Witteveen namens de man ingestemd met het (gewijzigd) van de vrouw. Ter zitting is dit door en namens de man bevestigd.
3.3
De rechtbank zal, gelet op de overeenstemming tussen partijen, dienovereenkomstig beslissen.
Omgang;
3.4
De man verzoekt – na wijziging van zijn verzoek - om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de man contact heeft met [minderjarige] eenmaal per veertien dagen gedurende 1 uur per keer onder begeleiding, waarbij uitbreiding zal plaatsvinden in overleg tussen partijen en onder regie van en in samenspraak met de hulpverlening, alsook tussen de contactmomenten door, via beeldbellen.
3.5
Bij F-formulier van 22 oktober 2025 heeft mr. Pieters namens de vrouw ingestemd met het (gewijzigd) verzoek van de man met betrekking tot de omgang. Ter zitting is dit door en namens de vrouw bevestigd.
3.6
Gelet op de overeenstemming tussen partijen en nu niet gebleken is dat het belang van de minderjarige zich daartegen verzet, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Informele rechtsingang / gezag;
3.7
De minderjarige [minderjarige] heeft in het kader van een informele rechtsingang – welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder zaaknummer C/02/439583 / FA RK 25-4584 – een brief gestuurd naar de kinderrechter. In die brief is door [minderjarige] verzocht om haar vader mede te belasten met het ouderlijk gezag over haar en haar hoofdverblijf te bepalen bij haar vader. De kinderrechter heeft op 6 november 2025 met [minderjarige] gesproken over haar brief. Vervolgens is met ouders en in samenspraak met de Raad op 19 november 2025 besproken dat de man in de lopende familieprocedure zijn zelfstandige verzoek zou uitbreiden met het verzoek om (mede) belast te worden met het gezag over [minderjarige] . Dit volgt ook uit de eindbeschikking van 1 december 2025 in die procedure. Het vorenstaande vormde voor de rechtbank aanleiding om ouders in deze procedure (nogmaals) uit te nodigen voor een mondelinge behandeling.
3.8
Ter zitting is door de man desgevraagd verklaard dat hij er bewust voor heeft gekozen om nog geen verzoek in te dienen om mede te worden belast met het gezag over [minderjarige] . De man vindt het mede gelet op de voorgeschiedenis op dit moment nog te vroeg en wenst eerst samen met de hulpverlening te kijken wat er moet gebeuren. Daarbij speelt dat de onderlinge verhouding tussen ouders ook nog kwetsbaar is.
3.9
Afgesproken is dat door ouders via [jeugdhulp] aan [minderjarige] zal worden teruggekoppeld waarom haar vader (op dit moment) nog niet verzoekt om mede te worden belast met het gezag over haar. Op termijn kunnen ouders wellicht samen regelen dat de man mede wordt belast met het gezag, danwel kan de man hiertoe alsnog een verzoek indienen bij de rechtbank.

4.De beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat er tussen de man en [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010, een omgangsregeling zal gelden waarbij de man contact heeft met [minderjarige] eenmaal per veertien dagen gedurende 1 uur per keer onder begeleiding, waarbij uitbreiding zal plaatsvinden in overleg tussen partijen en onder regie van en in samenspraak met de hulpverlening, alsook tussen de contactmomenten door, via beeldbellen;
bepaalt de door de man voor wat betreft de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige met ingang van 1 oktober 2025 op een bedrag van € 26,63 per maand;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 in aanwezigheid van De Pooter, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.