Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3415

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/427705 / FA RK 24-4817
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Definitieve zorgregeling en hoofdverblijf voor drie minderjarigen met aanhouding beslissing derde kind

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 27 maart 2026 een beschikking gegeven over de zorg- en hoofdverblijfplaats van drie minderjarige kinderen uit een voormalige relatie. De ouders zijn het eens over de zorgregeling voor de twee jongste kinderen, waarbij een co-ouderschapsregeling geldt voor het jongste kind en een zorgregeling met verblijf van woensdag tot maandag bij de man voor het middelste kind.

Voor het oudste kind is er onenigheid over het hoofdverblijf en de zorgregeling. Het kind heeft langere tijd geen contact met de moeder en wenst dit ook niet. De rechtbank acht het noodzakelijk een nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te laten uitvoeren om de belangen van het kind en de mogelijkheden tot contactherstel te beoordelen.

De rechtbank bepaalt voorlopig het hoofdverblijf van het oudste kind bij de man, aansluitend bij de feitelijke situatie, en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De definitieve beslissing wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport van de Raad, met een pro forma zitting gepland op 29 september 2026.

Uitkomst: De rechtbank stelt zorgregelingen vast voor de jongste twee kinderen, bepaalt voorlopig het hoofdverblijf van het oudste kind bij de man en houdt de definitieve beslissing aan voor nader onderzoek.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/427705 / FA RK 24-4817
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Beschikking over het hoofdverblijf en een zorgregeling
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. K. Walburg te Hoorn,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. D.W.L. Cloots te Bergen op Zoom,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2011, hierna: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2015, hierna: [minderjarige 2] ,
-
[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2017, hierna: [minderjarige 3] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
  • het op 18 oktober 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
  • het op 6 januari 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Walburg;
  • het op 8 april 2025 ontvangen F9-formulier van mr. N.P.M. Planthof (voormalig advocaat van de vrouw);
  • het op 3 november 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Walburg;
  • het op 25 november 2025 ontvangen rapport van de jeugdprofessional van de gemeente Bergen op Zoom, inhoudende een negatieve terugmelding van het Uniform Hulpaanbod-traject;
  • het op 1 december 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Walburg;
  • het op 1 december 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Cloots;
  • het op 8 januari 2026 ontvangen bericht van de Raad;
  • het op 3 februari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Walburg met bijlage, inhoudende een wijziging van het verzoekschrift;
  • het op 19 februari 2026 ontvangen verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, met bijlagen;
  • het op 24 februari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Walburg met bijlage.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 27 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook waren een tweetal vertegenwoordigsters aanwezig van de Raad.
1.3
Voor de mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken over het verzoek. De inhoud van het kindgesprek met [minderjarige 2] is op verzoek van [minderjarige 2] vertrouwelijk gebleven. De inhoud van het kindgesprek met [minderjarige 1] is grotendeels vertrouwelijk gebleven. De rechter heeft samengevat wat zij wel mocht delen van [minderjarige 1] . De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren.
2.2
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] staan ingeschreven op het BRP-adres van de vrouw. [minderjarige 1] verblijft echter feitelijk bij de man.
2.3
De man heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] erkend.
2.4
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.5
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 9 oktober 2024 zijn partijen doorverwezen naar een Uniform Hulpaanbod-traject en is de tussen partijen overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgelegd, inhoudende:
  • dat tussen de man en de minderjarige [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2017 te [geboorteplaats 2] , als zorgregeling de zogenaamde ‘co-ouderschapsregeling’ (week op, week af) geldt, zoals partijen thans uitvoering aan geven;
  • voor de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 2] , geldt dat aan de hand van het gesprek met de kinderpsycholoog wordt bepaald hoe de zorgregeling tussen de man en voornoemde minderjarige [minderjarige 2] weer wordt opgebouwd, met als doel dat toegewerkt wordt naar de ‘week op, week af regeling;
  • dat tussen de man en de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , vanaf aanstaande maandag 7 oktober 2024 als zorgregeling de zogenaamde ‘co-ouderschapsregeling’ (week op, week af) weer geldt, onder de nagenoemde voorwaarden:
 [minderjarige 1] mag geen telefoon bij zich op haar slaapkamer hebben;
 [minderjarige 1] mag bepaalde apps, namelijk ‘Snapchat’ en ‘TikTok’, niet op haar mobiele telefoon downloaden / gebruik van maken;
 [minderjarige 1] mag geen alcohol drinken;
 [minderjarige 1] mag niet roken of gebruik maken van een e-sigaret / vape:
 [minderjarige 1] mag ‘s avonds / s nachts niet uitgaan;
 De ouders en de nieuwe partners van de ouders zullen geen foto’s van de kinderen plaatsen op social media;
 De ouders en de nieuwe partners van de ouders zullen geen quotes over elkaar plaatsen op social media;
 De man zal met de minderjarige [minderjarige 1] meegaan naar een gesprek met de kinderpsycholoog.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, na een wijziging van het verzoekschrift, bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
  • het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man zal zijn;
  • tussen de man en [minderjarige 3] en [minderjarige 2] als zorgregeling de zogenaamde ‘co-ouderschapsregeling’ (week op week af) (wisseldag op maandag) zal gelden.
3.2
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man ten aanzien van het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man en verzoekt dit verzoek af te wijzen dan wel aan te houden voor een termijn van ten minste zes maanden, teneinde eerst professionele interventie en begeleiding in te zetten, gericht op herstel van de moeder-kindrelatie.
De vrouw verzoekt daarnaast bij wege van zelfstandig verzoek, bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
  • een begeleide zorgregeling wordt vastgesteld tussen de vrouw en de minderjarige [minderjarige 1] , in te richten door een gekwalificeerde professional met een frequentie en duur als de rechtbank in het belang van het kind wenselijk acht;
  • een onderzoek door de Raad zal worden ingesteld ex artikel 810 Rv Pro;
  • een zorgregeling wordt vastgesteld ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 2] , aldus dat [minderjarige 2] 9,5 van de 14 dagen bij de vrouw verblijft, met concreet het schema: verblijf bij de man van woensdagmiddag na school tot de daaropvolgende maandagochtend (aanvang school), en de overige dagen bij de vrouw;
  • de co-ouderschapsregeling ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 3] zal worden vastgesteld, inhoudende een verblijf om de week bij de man respectievelijk de vrouw met maandag als wisseldag.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Wettelijk kader
4.1
Uit artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. Uit lid 2 van artikel 1:253a BW volgt dat de rechtbank eveneens op verzoek van een van de ouders en regeling kan vaststellen inzake de uitvoering van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, onder andere, omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
4.2
De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). De ouders zijn echter tijdens de mondelinge behandeling met betrekking tot [minderjarige 1] niet nader tot elkaar gekomen.
De standpunten
4.3
[minderjarige 1] vertelt tijdens het gesprek met de rechter dat zij haar halfbroertje [persoon] graag vaker wil zien. Ze geeft haar leven een voldoende, maar dit kan dan een ruime voldoende worden. Ook is het voor [minderjarige 1] belangrijk dat de moeder hulp zoekt en beter nadenkt over wat zij op Instagram plaatst, omdat dit van invloed is op [minderjarige 1] en de kinderen op school haar hierop aanspreken. Tot slot geeft [minderjarige 1] aan dat er bij de moeder thuis slecht wordt gesproken over haar.
4.4
Door en namens de man wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de co-ouderschapsregeling wat betreft [minderjarige 3] goed verloopt. De ouders zitten daarover op een lijn. De vrouw benadrukt de verschillen tussen partijen, maar het gaat voor de man vooral om het belang van de kinderen. Ook uit de vrouw allerlei verwijten over de man die niet waar zijn. Het belangrijkste is dat de kinderen op hun plek zitten. Daarnaast licht de man toe dat hij vorig jaar meermaals heeft geprobeerd om [minderjarige 1] te stimuleren om met de vrouw het gesprek aan te gaan, maar hier stond [minderjarige 1] niet voor open. Het incident bij de vrouw thuis heeft meer impact op [minderjarige 1] gehad dan de vrouw denkt. Ook zijn er andere voorbeelden te noemen die maken dat [minderjarige 1] geen contact met de vrouw wenst. De man vindt het heel belangrijk dat er contactherstel komt tussen [minderjarige 1] en de vrouw. [minderjarige 1] heeft met behulp van de man een brief geschreven voor de vrouw, maar hier werd negatief op gereageerd. Het gevolg was dat ze met kerst niet bij opa en oma moederszijde mocht zijn. Inmiddels is de rust voor [minderjarige 1] teruggekeerd. Het UHA-traject is misgelopen toen partijen afspraken probeerden te maken over de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] . De man wil graag voor haar een co-ouderschapsregeling afspreken, zodat [minderjarige 2] niet steeds hoeft te wisselen. Het is prima als [minderjarige 2] van woensdag tot en met maandag bij de man is en de overige dagen bij de vrouw, maar de man wil wel opmerken dat [minderjarige 2] ook conform een co-ouderschap welkom is bij de man. Er is voorts geen samenwerking tussen de ouders, hetgeen maakt dat begeleiding noodzakelijk is. Het is van belang dat de ouders in overleg gaan met elkaar en dat dit niet leidt tot conflict. Ook is het belangrijk dat de ouders meer vertrouwen in elkaar hebben en elkaar vrij laten. Voorts licht de man toe dat hij de hulpverlening vanuit de gemeente niet in het belang van de kinderen acht, omdat de kinderen dan weer hun verhaal moeten doen bij nieuwe mensen. De man staat open voor een Raadsonderzoek, nu de situatie van [minderjarige 1] een discussiepunt tussen partijen blijft. De man wenst daarbij wel een voorlopige toevertrouwing van [minderjarige 1] aan de man, aangezien [minderjarige 1] haar post nu veel te laat ontvangt en zij al vanaf mei 2025 feitelijk bij de man verblijft.
4.5
Door en namens de vrouw wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat zij al een langere tijd geen informatie krijgt over hoe het gaat met [minderjarige 1] . Daarnaast licht de vrouw toe dat er een co-ouderschapsregeling loopt ten aanzien van [minderjarige 3] . De vrouw vermoedt dat [minderjarige 3] (nog) geen last ervaart van de situatie. De vrouw vraagt zich echter af hoe lang dit houdbaar is. Ze is bang dat het ook bij [minderjarige 3] de verkeerde kant op zal gaan, gelet op het luxe leven dat [minderjarige 3] bij de man heeft. De vrouw hoopt dat er zo snel mogelijk rust komt voor de kinderen en dat de ouders inzien wat bepaalde situaties met de kinderen doen. Verder geeft de vrouw aan dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat zij contact heeft met de vrouw. Contactherstel is niet van de grond gekomen. Ook wil de man dat [minderjarige 2] aan een stuk bij de ouders verblijft, zodat ze niet meer op en neer hoeft te gaan. Dit lukt voor de vrouw niet altijd vanwege haar werk. Er is ook geen samenwerking tussen de ouders en de kinderen zitten klem tussen deze spanningen. Het is van belang dat de ouders open en eerlijk met elkaar gaan communiceren. Tevens is het belangrijk dat de vrouw betrokken wordt bij het contact tussen [minderjarige 1] en [persoon] . De vrouw wenst een advies van de Raad over hoe nu verder, gelet op de dieper liggende problematiek van partijen. De vrouw heeft geen bezwaar tegen een tijdelijke wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man, mits dit niet de indruk bij [minderjarige 1] wekt dat dit definitief is.
4.6
De Raad heeft in haar rapport naar aanleiding van het UHA-traject geadviseerd om systeemtherapie in te zetten, zodat de losse eilanden waar de ouders momenteel op opereren met elkaar worden verbonden. In de latere brief van de gemeente is beschreven dat systeemtherapie niet in het belang van de kinderen wordt geacht, omdat de kinderen niet de problemen van de ouders hoeven op te lossen. De Raad deelt deze visie niet, nu systeemtherapie vooral gericht zou zijn op de verbindende factor. De Raad heeft in haar eerdere rapport een Raadsonderzoek niet passend geacht. De kinderen zullen dan immers weer moeten praten met nieuwe mensen. Ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] kan een eindbeschikking worden gegeven, aangezien partijen het hierover eens zijn. De man heeft immers ter zitting verklaard in te stemmen met de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] van woensdag tot en met maandag, waarbij hij opmerkt dat dit, indien nodig, geëvalueerd moet kunnen worden. De Raad hoopt dat de ouders na de eindbeschikking samen verder kunnen en in de toekomst met elkaar afspraken kunnen maken als de regelingen veranderd moeten worden. Het is daarvoor wel noodzakelijk dat er hulpverlening in de vorm van ouderschapsbemiddeling wordt ingezet. Gelet op alle informatie die tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, acht de Raad een Raadsonderzoek passend ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling ten opzichte van [minderjarige 1] . Binnen het Raadsonderzoek komt vervolgens het systeem in beeld en kunnen de andere twee kinderen op die wijze ook worden meegenomen. De Raad kan, indien nodig, het onderzoek uitbreiden tot een beschermingsonderzoek ten aanzien van alle drie de kinderen.
Inhoudelijke beoordeling
Ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 2]
4.7
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het met elkaar eens zijn over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . Ten aanzien van [minderjarige 3] zijn de ouders het eens over de vastlegging van een co-ouderschapsregeling (week op week af) met maandag als wisseldag. Ten aanzien van [minderjarige 2] zijn de ouders het eens over de vastlegging van een zorgregeling waarbij [minderjarige 2] van woensdag tot en met maandag bij de man verblijft en de overige dagen bij de vrouw. De man heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij met voornoemde regeling akkoord is, mits [minderjarige 2] op de hoogte is van het feit dat zij ook conform een co-ouderschap welkom is bij de man en partijen deze regeling, mocht dat in de toekomst nodig zijn, met elkaar kunnen evalueren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de voornoemde tussen partijen afgesproken verdelingen van zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] vastleggen, hetgeen maakt dat er een einde komt aan de (juridische) strijd ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . De rechtbank beoogt hiermee duidelijkheid te verschaffen niet alleen voor de kinderen, maar ook voor partijen. Gelet op het huidige gebrek aan samenwerking en communicatie, is het van belang dat partijen in rustiger vaarwater terecht komen. Zoals ook ter zitting is besproken met partijen, is het voor een co-ouderschapsregeling immers van essentieel belang is dat partijen, al dan niet met behulp van hulpverlening, werken aan hun onderlinge verstandhouding, samenwerking en communicatie, zodat zij in de toekomst, in onderling overleg en in het belang van de kinderen, de verdelingen van zorg- en opvoedingstaken, indien daartoe de behoefte bestaat, anders kunnen invullen.
Ten aanzien van [minderjarige 1]
4.8
Partijen zijn het niet met elkaar eens over het hoofdverblijf en de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft reeds een langere periode geen contact meer met de vrouw en [minderjarige 1] heeft zelf toegelicht dat ze ook geen contact meer wil met de vrouw. Het is de rechtbank nog onvoldoende duidelijk wat maakt dat er al een langere tijd geen sprake is van contact tussen [minderjarige 1] en de vrouw en welke mogelijkheden er zijn om tot enig contactherstel te komen, gelet op de verschillende visies van partijen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat met contactherstel niet wordt bedoeld dat [minderjarige 1] weer (deels) bij moeder gaat wonen, maar dat wordt bedoeld dat [minderjarige 1] zodanig positief contact heeft met haar moeder dat het haar ook goed doet, dat kan bijvoorbeeld opgestart worden met bel of app contact. Daarnaast is er momenteel onvoldoende zicht op het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en op hetgeen dat maakt dat het partijen tot op heden, ondanks de inzet van verschillende hulpverleningstrajecten, niet is gelukt om te werken aan het verbeteren van de verhoudingen.
4.9
Om tot een zorgvuldige beslissing op de verzoeken voor wat betreft [minderjarige 1] te kunnen komen, acht de rechtbank zich op dit moment dan ook onvoldoende geïnformeerd en vindt de rechtbank het noodzakelijk dat zij op deze punten nader wordt geïnformeerd om een definitieve beslissing te kunnen nemen over de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] . De rechtbank zal daarom de definitieve beslissing op de verzoeken omtrent de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man en de vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen [minderjarige 1] en de vrouw aanhouden voor een periode van zes maanden, in afwachting van een onderzoek door de Raad. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling laten weten achter een Raadsonderzoek te staan.
4.1
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een onderzoek door de Raad, locatie Middelburg, gelasten ter beantwoording van de volgende vragen:
- Past een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] , zoals door de man is verzocht, bij de belangen van de minderjarige?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen [minderjarige 1] en de vrouw past bij de belangen van de minderjarige (aard, duur en frequentie)?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
De rechtbank merkt nog op dat de Raad, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling aan heeft gegeven, om, gelet op de voornoemde zorgen, het onderzoek ambtshalve kan uitbreiden naar een (beschermings-)onderzoek ten aanzien van alle drie de kinderen.
4.11
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak worden aangehouden tot
29 september 2026PRO FORMA. De rechtbank wenst uiterlijk op de genoemde pro forma datum in ieder geval geïnformeerd te worden over (de voortgang en de resultaten van) het onderzoek van de Raad. Na binnenkomst van het rapport van de Raad zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren en tegelijkertijd het verder gewenste procesverloop kenbaar te maken. In beginsel zal de zaak – zodra het zittingsrooster van de rechtbank dat toelaat – gepland worden op een nadere mondelinge behandeling in oktober/november 2026.
4.12
De rechtbank ziet wel aanleiding om een
voorlopigezorgregeling te bepalen, inhoudende dat tussen [minderjarige 1] en de vrouw op dit moment wordt aangesloten bij de huidige situatie van geen contact, met dien verstande dat de rechtbank het wel van noodzakelijk belang acht dat er door de op dit moment betrokken hulpverlening en/of nog in te schakelen hulpverlening vooruitlopend op het Raadsonderzoek reeds wordt ingezet op het normaliseren van de onderlinge verhoudingen tussen de vrouw en [minderjarige 1] , het onderzoeken van de mogelijkheden tot contactherstel, alsmede op het, bijvoorbeeld middels ouderschapsbemiddeling, verbeteren van de communicatie en samenwerking tussen de ouders. Daarnaast zal de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige 1]
voorlopigbij de man bepalen. Dit sluit immers aan bij de feitelijke situatie en voorkomt dat [minderjarige 1] de tot haar gerichte post te laat ontvangt. Hierbij overweegt de rechtbank tot slot dat de vrouw achter het
voorlopigbepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man staat.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.13
De rechtbank zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissingen ten aanzien van de zorgregelingen van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] en het
voorlopigehoofdverblijf en de
voorlopigezorgregeling van [minderjarige 1] alvast moeten worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beschikking.

5.De beslissing

De rechtbank:
Ten aanzien van [minderjarige 3]
5.1
bepaalt dat tussen de man en [minderjarige 3] een zorgregeling wordt vastgesteld, inhoudende dat een co-ouderschapsregeling (week op week af) zal gelden, met maandag als wisseldag;
5.2
wijst het meer of anders verzochte af;
Ten aanzien van [minderjarige 2]
5.3
bepaalt dat tussen de man en [minderjarige 2] een zorgregeling wordt vastgesteld, inhoudende dat de man en [minderjarige 2] contact met elkaar hebben van woensdagmiddag na school tot de daaropvolgende maandagochtend (aanvang school);
5.4
wijst het meer of anders verzochte af;
Ten aanzien van [minderjarige 1]
5.5
bepaalt dat tussen de vrouw en [minderjarige 1] er
voorlopigcontact zal zijn conform hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.12;
5.6
bepaalt de
voorlopigehoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man;
5.7
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.10 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór de hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank moet worden ingediend, of zoveel eerder als mogelijk is, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
5.8
houdt de (definitieve) beslissing op de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] aan tot
29 september 2026PRO FORMA, zulks in afwachting van de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming, met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.11;
5.9
behoudt zich iedere verdere beslissing voor;
Ten aanzien van alle drie de kinderen
5.1
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.