Uitspraak
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2011, hierna: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2015, hierna: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2017, hierna: [minderjarige 3] .
1.Het procesverloop
- het op 18 oktober 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 6 januari 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Walburg;
- het op 8 april 2025 ontvangen F9-formulier van mr. N.P.M. Planthof (voormalig advocaat van de vrouw);
- het op 3 november 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Walburg;
- het op 25 november 2025 ontvangen rapport van de jeugdprofessional van de gemeente Bergen op Zoom, inhoudende een negatieve terugmelding van het Uniform Hulpaanbod-traject;
- het op 1 december 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Walburg;
- het op 1 december 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Cloots;
- het op 8 januari 2026 ontvangen bericht van de Raad;
- het op 3 februari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Walburg met bijlage, inhoudende een wijziging van het verzoekschrift;
- het op 19 februari 2026 ontvangen verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- het op 24 februari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Walburg met bijlage.
2.De feiten
- dat tussen de man en de minderjarige [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2017 te [geboorteplaats 2] , als zorgregeling de zogenaamde ‘co-ouderschapsregeling’ (week op, week af) geldt, zoals partijen thans uitvoering aan geven;
- voor de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 2] , geldt dat aan de hand van het gesprek met de kinderpsycholoog wordt bepaald hoe de zorgregeling tussen de man en voornoemde minderjarige [minderjarige 2] weer wordt opgebouwd, met als doel dat toegewerkt wordt naar de ‘week op, week af regeling;
- dat tussen de man en de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , vanaf aanstaande maandag 7 oktober 2024 als zorgregeling de zogenaamde ‘co-ouderschapsregeling’ (week op, week af) weer geldt, onder de nagenoemde voorwaarden:
3.De verzoeken
- het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man zal zijn;
- tussen de man en [minderjarige 3] en [minderjarige 2] als zorgregeling de zogenaamde ‘co-ouderschapsregeling’ (week op week af) (wisseldag op maandag) zal gelden.
- een begeleide zorgregeling wordt vastgesteld tussen de vrouw en de minderjarige [minderjarige 1] , in te richten door een gekwalificeerde professional met een frequentie en duur als de rechtbank in het belang van het kind wenselijk acht;
- een onderzoek door de Raad zal worden ingesteld ex artikel 810 Rv Pro;
- een zorgregeling wordt vastgesteld ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 2] , aldus dat [minderjarige 2] 9,5 van de 14 dagen bij de vrouw verblijft, met concreet het schema: verblijf bij de man van woensdagmiddag na school tot de daaropvolgende maandagochtend (aanvang school), en de overige dagen bij de vrouw;
- de co-ouderschapsregeling ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 3] zal worden vastgesteld, inhoudende een verblijf om de week bij de man respectievelijk de vrouw met maandag als wisseldag.
4.De beoordeling
29 september 2026PRO FORMA. De rechtbank wenst uiterlijk op de genoemde pro forma datum in ieder geval geïnformeerd te worden over (de voortgang en de resultaten van) het onderzoek van de Raad. Na binnenkomst van het rapport van de Raad zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren en tegelijkertijd het verder gewenste procesverloop kenbaar te maken. In beginsel zal de zaak – zodra het zittingsrooster van de rechtbank dat toelaat – gepland worden op een nadere mondelinge behandeling in oktober/november 2026.
voorlopigezorgregeling te bepalen, inhoudende dat tussen [minderjarige 1] en de vrouw op dit moment wordt aangesloten bij de huidige situatie van geen contact, met dien verstande dat de rechtbank het wel van noodzakelijk belang acht dat er door de op dit moment betrokken hulpverlening en/of nog in te schakelen hulpverlening vooruitlopend op het Raadsonderzoek reeds wordt ingezet op het normaliseren van de onderlinge verhoudingen tussen de vrouw en [minderjarige 1] , het onderzoeken van de mogelijkheden tot contactherstel, alsmede op het, bijvoorbeeld middels ouderschapsbemiddeling, verbeteren van de communicatie en samenwerking tussen de ouders. Daarnaast zal de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige 1]
voorlopigbij de man bepalen. Dit sluit immers aan bij de feitelijke situatie en voorkomt dat [minderjarige 1] de tot haar gerichte post te laat ontvangt. Hierbij overweegt de rechtbank tot slot dat de vrouw achter het
voorlopigbepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man staat.
voorlopigehoofdverblijf en de
voorlopigezorgregeling van [minderjarige 1] alvast moeten worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beschikking.
5.De beslissing
voorlopigcontact zal zijn conform hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.12;
voorlopigehoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man;
29 september 2026PRO FORMA, zulks in afwachting van de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming, met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.11;
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.