Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3409

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/445959 / JE RK 26-423
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deeltijdmachtiging uithuisplaatsing voor rust in gezin met pleegzorgweekenden en vakanties

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 26 maart 2026 een beschikking gegeven in een zaak betreffende een verzoek van de gecertificeerde instelling tot een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen. De kinderen verblijven om de week van vrijdagmiddag tot zondagmiddag bij een pleeggezin en een deel van de vakanties, met overleg tussen ouders, pleeggezin en GI.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen, die onder toezicht zijn gesteld sinds maart 2024. De GI heeft het verzoek ingediend vanwege zorgen over de psychische problematiek van de moeder, het middelengebruik van de vader, de relatie tussen de ouders, en de verzorging en hygiëne in huis. De deeltijdplaatsing moet rust brengen zodat de ouders aan zichzelf en hun relatie kunnen werken.

De ouders hebben aanvankelijk weerstand getoond, maar zien nu het belang in en ervaren het pleeggezin als prettig voor de kinderen. De kinderrechter benadrukt dat het om een deeltijdmachtiging gaat en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing voor weekenden en vakanties om rust te creëren in het gezin.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445959 / JE RK 26-423
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (deeltijd)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
De ouders worden beiden bijgestaan door de advocaat mr. T. van Riel uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van 9 maart 2026, bij de rechtbank binnengekomen op 10 maart 2026;
  • het stelbericht van mr. van Riel van 19 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
Van de vader heeft de kinderrechter vernomen dat de moeder niet naar de rechtbank kon komen omdat zij geen oppas konden regelen voor de kinderen. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten zonder de moeder. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de ouders.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 maart 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 17 juli 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 1 augustus 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Tijdens de zitting heeft de GI toegelicht dat het gaat om een deeltijdmachtiging, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week van vrijdag 16:30 uur tot zondag 16:00 uur bij het pleeggezin zullen verblijven en een deel van de vakanties. Het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij het pleeggezin tijdens de vakanties zal met de ouders en het pleeggezin worden overlegd.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. In eerste instantie zagen de ouders het niet zitten dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een deel van de weekenden naar het pleeggezin zouden gaan, maar uiteindelijk vinden ze het wel fijn. De opbouw naar het pleeggezin is in goed overleg met de ouders gegaan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vinden het fijn in het pleeggezin. De GI heeft niet het idee dat de kinderen het gevoel hebben dat ze weg moeten voor hun ouders. De ouders zijn overbelast en hebben geen netwerk waar zij een beroep op kunnen doen. Door de inzet van het (deeltijd)pleeggezin is er een netwerk gecreëerd. Het pleeggezin is flexibel in het ophalen en brengen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI hoort van de betrokkenen dat de communicatie daarover goed verloopt. De GI hoopt dat er de komende periode rust gaat komen in het gezin, waardoor de ouders stappen vooruit kunnen gaan zetten. Vanuit rust kunnen de ouders werken aan zichzelf en hun relatie, zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een stabiele en veilige en manier kunnen opgroeien.
4.2.
De GI heeft de ouders de voorwaarden gestuurd waarmee zij aan de slag moeten. Alle hulpverlening is opgestart, maar de intrinsieke motivatie van de ouders ontbreekt nog soms. Dat is zorgelijk, maar de GI denkt dat de deeltijd-uithuisplaatsing helpend zal zijn. Er worden veel voorwaarden gesteld aan de ouders. Er wordt daarin wel geprioriteerd door [hulpverlening] en de andere betrokken hulpverlening.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de ouders is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De ouders begrijpen de zorgen van de GI. De aanvankelijke weerstand tegen het logeren bij het pleeggezin is nu minder groot dan aan het begin. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan met plezier naar het pleeggezin. Het is voor de ouders wennen dat kinderen om het weekend niet thuis zijn. De ouders maken zich zorgen over het feit dat het verzoek zoals het geformuleerd is niet lijkt te zien op een deeltijdmachtiging. Daarnaast zijn de voorwaarden die de GI aan de ouders stelt best veel en fors. Als het belangrijkste doel van deze uithuisplaatsing is om rust te creëren, dan is het niet verstandig om zo’n lange lijst aan voorwaarden aan de ouders te stellen. Dat roept weerstand op. De vader heeft onlangs een terugval gehad, maar is nu weer abstinent van drugs. Hij heeft twee keer in de week contact met Novadic Kentron. De vader wil de behandeling goed afronden zodat hij daarna kan focussen op werk. De ouders hebben ieder een persoonlijke begeleider vanuit de WMO. Er is wekelijks contact met de begeleider en de ouders ervaren dit als steunend. Daarnaast is er ook twee keer per week een ambulante gezinsbegeleider vanuit [hulpverlening] in het gezin aanwezig.

6.De beoordeling

7.
Wettelijk kader
7.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van die minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
7.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en hetgeen er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor de deeltijd-uithuisplaatsing van de kinderen. Er zijn zorgen over de psychische problematiek van de moeder, het middelengebruik van de vader en de relatie tussen de ouders. De hygiëne in huis is niet altijd op orde. Ook de basale verzorging van de kinderen laat weleens te wensen over en er zijn zorgen over de financiën en de communicatie met de bewindvoerder. Deze zorgen zijn zodanig dat het noodzakelijk is dat er rust wordt gecreëerd voor de ouders. Pas dan kunnen zij stappen vooruit zetten. De uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Feitelijk is het deeltijdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij het pleeggezin al in gang gezet. In eerste instantie hadden de ouders weerstand tegen het logeren bij het pleeggezin, maar inmiddels zien ook zij het belang ervan in. Bovendien vinden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het erg leuk bij de pleegouders. Het verblijf bij het pleeggezin tijdens (een deel van) de weekenden creëert rust waardoor de ouders aan zichzelf, hun relatie en de opvoedsituatie kunnen werken. De ouders krijgen begeleiding en ondersteuning in de thuissituatie. Alle hulpverlening is in gang gezet. Het is nu aan de ouders om daarmee aan de slag te gaan. Het is daarbij van belang dat in de voorwaarden wordt geprioriteerd, zodat het voor de ouders duidelijk is waar zij als eerst mee aan de slag moeten gaan en er daadwerkelijk rust kan worden gecreëerd.
7.3.
De kinderrechter benadrukt dat een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend en geen voltijdmachtiging. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen om het weekend van vrijdag 16:30 uur tot zondag 16:00 uur en een deel van de vakanties bij het pleeggezin verblijven. Over de verdeling tijdens de vakanties zal worden overlegd met de GI, de ouders en het pleeggezin.
Uitvoerbaar bij voorraad
7.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verleent een
deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg voor een deel van de weekenden en een deel van de vakanties, met ingang van 26 maart 2026 tot het einde van de ondertoezichtstelling;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.