Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3407

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/446117 / JE RK 26-452
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden. De minderjarige verblijft momenteel in een gezinshuis vanwege ernstige ontwikkelingsbedreigingen, waaronder emotionele onveiligheid, discontinuïteit in opvoeding en langdurige schooluitval.

Tijdens de zitting waren de ouders, hun advocaten, een vertegenwoordiger van de Raad en de GI aanwezig. De kinderrechter nam het verzoekschrift en eerdere beschikkingstukken in overweging. De minderjarige had een e-mail gestuurd die na de zitting werd ontvangen, waardoor zijn verhaal niet kon worden samengevat.

De kinderrechter concludeerde dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn vervuld. Er is sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, onvoldoende stabiliteit en veiligheid in de thuissituaties, en een noodzaak voor continuïteit en structuur. De machtiging tot uithuisplaatsing is verleend voor verblijf in het gezinshuis, met de mogelijkheid tot terugplaatsing als de situatie verbetert.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de minderjarige wordt onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant van 26 maart 2026 tot 26 maart 2027. De machtiging tot uithuisplaatsing geldt van 26 maart 2026 tot 26 december 2026. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld voor één jaar en krijgt een machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446117 / JE RK 26-452
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. T. van Riel uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de GI,
locatie Etten-leur.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft een e-mail gestuurd op 25 maart 2026. Deze e-mail is pas bekend geworden aan de kinderrechter na afloop van de zitting. De kinderrechter heeft daarom tijdens de zitting niet kunnen samenvatten wat [minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 6 januari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 januari 2026 tot 20 januari 2026. Ook heeft de kinderrechter bij die beschikking [minderjarige] uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin of in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 6 januari 2026 tot 20 januari 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.3.
Bij beschikking van 14 januari 2026 heeft de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling verlengd tot 6 april 2026 en daarbij ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin (bij zijn halfzus [persoon] ), een gezinsgerichte voorziening of in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 6 april 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft op grond van voormelde machtiging in het [gezinshuis] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt nu [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden.
3.2.
Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van negen maanden.
3.3.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Er is al lange tijd sprake van emotionele onveiligheid en van discontinuïteit in de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Ook is sprake geweest van langdurige schooluitval. [minderjarige] heeft een grote behoefte aan stabiliteit en voorspelbaarheid. De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat hem dit te bieden en de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De Raad verwacht dat de ouders, met begeleiding, binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn kunnen werken aan herstel van veilige opvoedcondities en duidelijkheid over het toekomstperspectief van [minderjarige] .
4.2.
In de thuissituatie bij de moeder zijn op dit moment onvoldoende voorwaarden om de emotionele veiligheid, stabiliteit en ontwikkelingscontinuïteit van [minderjarige] te waarborgen. Er is sprake geweest van een psychische ontregeling bij de moeder, [minderjarige] is langdurig niet naar school geweest en de passende hulpverlening is uitgebleven. [minderjarige] heeft aangegeven zich niet veilig te voelen en spanning te ervaren bij de moeder thuis. De moeder is bezig met het organiseren van hulpverlening en behandeling. De huidige plaatsing in het gezinshuis biedt [minderjarige] stabiliteit en structuur. Het is belangrijk dat dit wordt voortgezet.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat de moeder begrijpt dat de situatie voor nu is zoals het is. Het gaat beter met de moeder. Zij heeft profijt van de begeleiding en hulpverlening die ze krijgt. De moeder werkt er hard aan om ervoor te zorgen dat [minderjarige] naar huis toe kan komen. De moeder vindt het ingewikkeld dat er in het rapport veel over het verleden staat. Als er anders met haar zorgsignalen was omgegaan had de huidige situatie mogelijk voorkomen kunnen worden. Toen werd er met name gekeken naar hulpverlening voor de moeder en niet voor [minderjarige] . De moeder hoopt dat [minderjarige] de juiste hulp krijgt, omdat hij trauma’s heeft opgelopen door alles wat er gebeurd is. De moeder vindt het goed dat er een systeemonderzoek komt, maar vraagt zich af in hoeverre De Gezinsmanager een goed beeld kan krijgen van [minderjarige] als er onbehandelde trauma's zijn.
5.2.
Door de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in het verzoek. De vader vindt dat de moeder en [minderjarige] in eerste instantie niet gescheiden hadden moeten worden. De weg terug lijkt nu goed te gaan verlopen, maar er is veel gebeurd. De vader heeft op dit moment niet veel contact met [minderjarige] . Hij is wel laatst op bezoek geweest in het gezinshuis. De vader vindt het belangrijk dat het gehele systeem bekeken wordt, maar vindt het ook belangrijk dat [minderjarige] zelf wordt onderzocht.

6.Het standpunt van de GI

6.1.
Door de GI is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kunnen vinden in het verzoek van de Raad. De GI is van mening dat de uithuisplaatsing voor negen maanden noodzakelijk is om tot een goed en gedetailleerd plan voor [minderjarige] te kunnen komen. Ook gaat er tijd overheen voordat de benodigde hulpverlening is opgestart. Er is al een intakegesprek geweest voor een systeemonderzoek. De Gezinsmanager zal onderzoeken hoe het systeem functioneert, of [minderjarige] onverwerkte trauma’s heeft en wat [minderjarige] verder nodig heeft qua hulpverlening. In dit onderzoek zit ook een stukje diagnostiek en perspectiefonderzoek van [minderjarige] . De Gezinsmanager kan hopelijk binnen een maand starten. [minderjarige] kan de komende periode in het gezinshuis blijven. Ondanks dat [minderjarige] het niet erg fijn vindt in het gezinshuis denkt de GI dat hij het daar wel vol zal houden. Het kost [minderjarige] veel tijd te wennen en stabiliseren, maar het lijkt steeds beter te gaan. [minderjarige] is twee keer weggelopen naar de moeder. De tweede keer is hij bij een onbekend persoon in de auto gestapt. [minderjarige] heeft veel stabiliteit nodig en voorheen kon hij shoppen tussen de moeder, de vader en de zussen. Dat moet stoppen. Het is belangrijk dat iedereen hetzelfde denkt over het verblijf van [minderjarige] bij het gezinshuis, zodat [minderjarige] emotionele toestemming ervaart om daar te zijn van zijn ouders en zussen. De GI complimenteert de ouders. Zij doen er beiden alles aan om veel voor [minderjarige] te kunnen betekenen.

7.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
7.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
7.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. De afgelopen periode zijn er stappen in de goede richting gezet en hebben de ouders beiden een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De kinderrechter juicht de inzet van De Gezinsmanager toe. Er bestaan nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Dat wordt bevestigd door het feit dat [minderjarige] op dit moment door een uit de hand gelopen situatie bij de vader bij [gezinshuis] verblijft. [minderjarige] heeft veel stabiliteit en structuur nodig, maar heeft dit onvoldoende ervaren in de thuissituatie bij de moeder en bij de vader. Hij is vaak gewisseld van verblijfplaats en is lange tijd niet naar school geweest. Het afgelopen jaar zijn er verschillende meldingen gedaan bij Veilig Thuis over onveilige situaties. Ook bestaan er zorgen over zijn emotionele veiligheid, psychische belasting en een gebrek aan basale zorg. De moeder heeft persoonlijke problematiek. Zij is hard aan het werk om stabieler te worden. Het is belangrijk dat alle volwassenen om [minderjarige] heen hem emotionele toestemming blijven geven voor zijn verblijf in het gezinshuis. Het risico dat de positieve lijn zal worden doorbroken als hij weer wegloopt en daar niet goed op wordt gereageerd, is op dit moment nog te groot. De komende periode zal samen met De Gezinsmanager moeten worden gebouwd aan een stevig fundament voor [minderjarige] en voor het hele systeem. Er moet worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn van een thuisplaatsing van [minderjarige] bij een van de ouders, maar daarvoor moet eerst het diagnostisch onderzoek worden afgerond en moet worden gekeken naar de dynamiek in het systeem. Pas nadat er een advies is gegeven over het toekomstperspectief van [minderjarige] en duidelijk is waar hij verder gaat opgroeien, kan worden gezocht naar passende hulpverlening die in die situatie voor [minderjarige] moet worden ingezet. Dit alles heeft tijd nodig. De ondertoezichtstelling wordt daarom verleend voor de duur van één jaar.
7.3.
De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn:
  • Er is duidelijkheid over het opvoedperspectief [minderjarige] ;
  • [minderjarige] gaat naar een voor hem passende school;
  • Er zijn duidelijke afspraken over de omgang met beide ouders en de andere voor [minderjarige] belangrijke personen;
  • [minderjarige] ervaart dat hij loyaal mag zijn aan beide ouders;
  • [minderjarige] ervaart emotionele steun van beide ouders en de andere voor hem belangrijke personen.
Uithuisplaatsing
7.4.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
7.5.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat ook aan de voorwaarden voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt voldaan. Er bestaan nog steeds zorgen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hij kan, gelet op de zorgen, op dit moment niet bij een van zijn ouders wonen. De moeder kan nog niet de stabiliteit, veiligheid en continuïteit bieden die [minderjarige] nodig heeft en de vader is wisselend beschikbaar geweest. [minderjarige] heeft zelf aangegeven zich onveilig te hebben gevoeld en spanning te ervaren in de thuissituatie bij de moeder thuis. Dat ook de vader nadat hij had toegezegd dat [minderjarige] bij hem kon blijven wonen daar plotseling anders over dacht, is moeilijk geweest voor [minderjarige] . Pas nadat het gezinsonderzoek door De Gezinsmanager heeft plaatsgevonden en er besloten is waar [minderjarige] verder gaat opgroeien kan worden gezocht naar passende hulpverlening in die situatie. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom, zoals verzocht, verleend voor de duur van negen maanden. De kinderrechter merkt op dat dit niet betekent dat [minderjarige] negen maanden uit huis geplaatst moet zijn. Als alles goed gaat en het duidelijk is dat [minderjarige] bij een van zijn ouders kan gaan wonen, dan kan de GI [minderjarige] thuis plaatsen. Het is in ieder geval in het belang van [minderjarige] dat hij niet met nog meer wisselingen van zijn verblijfplaats te maken krijgt. De machtiging uithuisplaatsing is dus uitdrukkelijk bedoeld voor verblijf bij het [gezinshuis] .
Uitvoerbaar bij voorraad
7.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat de door de GI uitgezette lijn wordt voortgezet.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 26 maart 2026 tot 26 maart 2027;
8.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 26 maart 2026 tot 26 december 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 3 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.