De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden. De minderjarige verblijft momenteel in een gezinshuis vanwege ernstige ontwikkelingsbedreigingen, waaronder emotionele onveiligheid, discontinuïteit in opvoeding en langdurige schooluitval.
Tijdens de zitting waren de ouders, hun advocaten, een vertegenwoordiger van de Raad en de GI aanwezig. De kinderrechter nam het verzoekschrift en eerdere beschikkingstukken in overweging. De minderjarige had een e-mail gestuurd die na de zitting werd ontvangen, waardoor zijn verhaal niet kon worden samengevat.
De kinderrechter concludeerde dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn vervuld. Er is sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, onvoldoende stabiliteit en veiligheid in de thuissituaties, en een noodzaak voor continuïteit en structuur. De machtiging tot uithuisplaatsing is verleend voor verblijf in het gezinshuis, met de mogelijkheid tot terugplaatsing als de situatie verbetert.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de minderjarige wordt onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant van 26 maart 2026 tot 26 maart 2027. De machtiging tot uithuisplaatsing geldt van 26 maart 2026 tot 26 december 2026. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.