Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3401

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 april 2026
Zaaknummer
C/02/398242 / FA RK 22-2483
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige vaststelling gezamenlijk gezag en omgangsregeling minderjarige na aanhouding verzoek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de man tot vaststelling van gezamenlijk gezag en een omgangsregeling met zijn minderjarige kind. Eerder was het verzoek aangehouden om partijen de gelegenheid te geven te werken aan communicatie en samenwerking via een jeugdhulpverleningstraject.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde geen wijziging van het gezag, omdat onvoldoende basis is voor samenwerking. Wel werd een opbouw van begeleide omgang geadviseerd, met contact op neutraal terrein en onder professionele begeleiding. De omgang vond plaats onder begeleiding, maar werd door de vrouw gestopt vanwege herhaalde afzeggingen door de man wegens lichamelijke klachten, wat de minderjarige belastte.

Tijdens de zitting verklaarden partijen het contact te willen hervatten met professionele ondersteuning voor de man. De rechtbank stelde een voorlopige omgangsregeling vast met begeleide omgang en ondersteuning, en hield de behandeling van het verzoek tot gezamenlijk gezag en definitieve omgangsregeling aan tot 5 mei 2026. De rechtbank verwacht een schriftelijk advies van de Raad en rapportage van partijen over het verloop van de omgang.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling vast en houdt het verzoek tot gezamenlijk gezag en definitieve omgangsregeling aan tot 5 mei 2026.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/398242 / FA RK 22-2483
datum uitspraak: 26 maart 2026
Nadere beschikking over vaststelling gezamenlijk gezag tevens vaststelling omgangsregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.C. van den Doel te Zierikzee,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 4 januari 2023 met alle daarin
genoemde stukken;
- het e-mailbericht met bijlage van [hulpverlening 1] van 12 april
2023;
- het e-mailbericht van [hulpverlening 1] van 12 april 2023;
- het bericht van de gemeente Goes van 31 mei 2023;
- het e-mailbericht van de Raad van 17 juli 2023;
- het e-mailbericht met bijlage van [hulpverlening 1] van 18 juli
2023;
- het F9-formulier van mr. Kalle van 30 augustus 2023;
- het e-mailbericht van mr. Van den Doel van 30 augustus 2023;
- het F9-formulier van mr. Kalle van 12 september 2023;
- het F9-formulier van mr. Van den Doel van 12 september 2023;
- de brief van de Raad van 21 september 2023;
- het e-mailbericht van de Raad van 3 oktober 2023;
- de brief met bijlage van mr. Kalle van 7 november 2023;
- het e-mailbericht van de Raad van 8 november 2023;
- het e-mailbericht van de Raad van 9 november 2023;
- het e-mailbericht van mr. Van den doel van 14 november 2023;
- het e-mailbericht van mr. Kalle van 14 november 2023;
- de brief met bijlage van mr. Kalle van 18 januari 2024;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Van den Doel van 18 januari 2024;
- de Raadsrapportage van 18 januari 2024;
- het proces-verbaal van de zitting van 23 januari 2024;
- het F9-formulier van mr. Kalle van 22 oktober 2024;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Van den Doel van 26 november 2024;
- het F9-formulier van mr. Kalle van 6 januari 2025;
- het F9-formulier van mr. Van den Doel van 7 januari 2025;
- het F9-formulier van mr. Van den Doel van 8 juli 2025;
- het F9-formulier van mr. Van den Doel van 19 augustus 2025;
- het F9-formulier van mr. Kalle van 26 augustus 2025;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Van den Doel van 12 februari 2026;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Kalle van 13 februari 2026.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 18 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten.
1.3
De Raad is - met bericht van afmelding - niet verschenen.

2.De nadere beoordeling

2.1
De rechtbank verwijst naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 december 2022. In dat proces-verbaal zijn de man en de vrouw verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de in het proces-verbaal genoemde resultaten. Daarnaast verwijst de rechtbank naar de beschikking van 4 januari 2023. In deze beschikking heeft de rechtbank toestemming verleend aan de man, welke de toestemming van de vrouw vervangt, tot erkenning van [minderjarige] . Ook heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw de man eens per maand per e-mail zal informeren over de ontwikkelingen van [minderjarige] en haar medische ontwikkeling, en de man daarbij een goedgelijkende foto van [minderjarige] zal sturen. De verzoeken van de man omtrent het gezamenlijk gezag en de vaststelling van een omgangsregeling zijn aangehouden voor de duur van zes maanden, te weten tot 8 juni 2023 pro forma, omdat partijen tijdens de mondelinge behandeling zijn overeengekomen dat zij gaan werken aan hun onderlinge communicatie en samenwerking en via proces-verbaal zijn doorverwezen naar een jeugdhulpverleningstraject binnen het kader van het Uniform Hulpaanbod.
2.2
Bij e-mailbericht van 12 april 2023 van [hulpverlening 1] is aangegeven dat het Uniform Hulpaanbod bij [hulpverlening 1] is afgesloten. [hulpverlening 1] is van mening dat het gelet op de signalen die worden afgegeven met betrekking tot de veiligheid van [minderjarige] aangewezen is om eerst meer zicht op de veiligheid en opvoedsituatie van [minderjarige] te krijgen voordat er verdergaande afspraken over de omgang tussen de man en [minderjarige] gemaakt kunnen worden. Toegang van de gemeente Middelburg is gevraagd dit samen met partijen vorm te geven. [hulpverlening 1] is verder van mening dat gezien de turbulente relatie van de man en de vrouw ingezet zou moeten worden op begeleide bezoeken op een neutrale plek. Daarvoor moet de gezondheid en de draagkracht van de man stabiel zijn. Omdat er geen zicht is op de opvoedkundige vaardigheden van de man, noch op de beperkingen die hij vanuit zijn handicap ervaart, zou mogelijk in een later stadium Intensieve Pedagogische Thuishulp ingezet moeten worden. Ook is psycho-educatie aangewezen. Ten slotte wordt benoemd dat de vrouw veel behoefte heeft aan duidelijke en consequente afspraken met de man.
2.3
Blijkens de brief van de Raad van 21 september 2023 heeft de gemeente Middelburg een terugmelding gedaan bij de Raad. Op basis daarvan heeft de Raad besloten een onderzoek te zullen starten. Op 18 januari 2024 heeft de rechtbank van de Raad het rapport van dit onderzoek ontvangen. Hieruit volgt dat de Raad in het belang van [minderjarige] vooralsnog geen wijziging in het gezag adviseert. Dit komt namelijk op dit moment niet tegemoet aan de belangen van [minderjarige] . Er moet eerst middels de inzet van hulpverlening geprobeerd worden om de strijd te doen verminderen en onderzocht moet worden of er een basis gecreëerd kan worden waarin partijen tot gezamenlijk gedragen afspraken kunnen komen over wat [minderjarige] nodig heeft. Omdat er op dit moment onvoldoende basis is tot samenwerking tussen partijen, dient het eenhoofdig gezag vooralsnog gehandhaafd te worden. Voor wat betreft de verzochte wijziging van de omgangsregeling is de Raad van mening dat een opbouw in begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] aan de orde is. De Raad ziet diverse redenen waardoor er (nog) niet gestart kan worden met onbegeleide omgang, maar er zijn onvoldoende redenen om te zeggen dat er helemaal geen contact kan zijn. De Raad vindt dat de contactbreuk zorgvuldig en zo snel als mogelijk moet worden hersteld onder begeleiding van een professional. Op die manier kan het tempo van [minderjarige] worden gevolgd. Door de contacten tussen [minderjarige] en de man te begeleiden en hulpverlening in te zetten, ontstaat er meer zicht en wordt helder of en wanneer onbegeleid contact aan de orde kan zijn. Wat betreft de aard, duur en frequentie van de omgangsregeling is de Raad van mening dat een opbouw van één keer in de twee weken voor de duur van maximaal twee uur contact op neutraal terrein passend is. Daarbij zal de casusregisseur zicht moeten krijgen op welke mogelijkheden er zijn voor het contact tussen [minderjarige] en de man, zodat daar vervolgens verder invulling aan kan worden gegeven. Gelet op het voorgaande adviseert de Raad beide verzoeken van de man aan te houden voor de duur van negen maanden.
2.5
Uit het proces-verbaal van de zitting van 23 januari 2024 volgt dat de man volledig achter het rapport van de Raad staat. De vrouw heeft geen bezwaar tegen aanhouding van het verzoek van de man tot vaststelling van gezamenlijk gezag, en ook om te kijken of er omgang kan komen tussen de man en [minderjarige] . Deze omgang dient volgens de vrouw onder begeleiding en op een neutrale plek plaats te vinden, zoals ook in het rapport van de Raad is aangegeven. De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat de omgang in eerste instantie begeleid zal worden, omdat er nog geen zicht is op de opvoedvaardigheden van de man. Vervolgens is het aan [jeugdzorg] om (met evaluatiemomenten) een verdere inschatting te maken. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de zaak aangehouden tot 22 oktober 2024 pro forma.
2.6
Uit het bericht mr. Van den Doel van 26 november 2024 volgt dat er begeleide omgang plaatsvindt tussen [minderjarige] en de vader, maar dat er nog geen eindsituatie is ontstaan door de bij de hulpverlening levende veronderstelling dat er geen verdere stappen hoeven te worden ondernomen.
2.7
Uit de berichten van mr. Kalle van 6 januari 2025 en van mr. Van den Doel van 7 januari 2026 volgt dat er wekelijks begeleide omgang plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] , onder begeleiding van [hulpverlening 2] .
2.8
Uit het bericht van mr. Van den Doel van 19 augustus 2025 volgt dat het contact tussen [minderjarige] en de man in mei 2024 is hervat met één uur per week op woensdagmiddag. Het contact is vervolgens vrij snel uitgebreid naar twee uur per week, maar in het najaar van 2024 verkort naar 1,5 uur per week. Inmiddels vindt het begeleide contact plaats bij de man thuis. Het contact is tot op heden niet uitgebreid omdat de vermoeidheid van [minderjarige] een grote rol speelt in haar dagelijks leven. Nu er nog steeds begeleide contacten plaatsvinden en er nog geen uitbreiding mogelijk is, is naar de mening van de man de huidige regeling niet het hoogst haalbare.
2.9
Ter beoordeling ligt nog aan de rechtbank voor de verzoeken van de man om te bepalen dat de man en de vrouw het gezamenlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] uitoefenen en om een zorg- en contactregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] zoals opgenomen onder punt 6 van het verzoekschrift, dan wel een zodanige regeling die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
2.1
Door en namens de man is toegelicht dat het contact met [minderjarige] onder begeleiding is opgestart en aanvankelijk goed verliep. Sinds 23 december 2025 hebben [minderjarige] en de man elkaar echter niet meer gezien. De man heeft daaraan voorafgaand verschillende omgangsmomenten moeten afzeggen doordat hij lichamelijk niet in staat was om de omgang door te laten gaan. Hierdoor heeft de man onvoldoende kunnen laten zien wat hij te bieden heeft en dat hij positieve contactmomenten met [minderjarige] kan en wil hebben. Daar komt bij dat er frustraties zijn ontstaan doordat er geen perspectief is geboden. Er is tot op heden niet gekeken naar onbegeleid contact en het is onduidelijk naar welke omgangsregeling wordt toegewerkt. De man wil de omgangsregeling met [minderjarige] graag hervatten. Het zou daarbij helpend zijn als er iemand aanwezig mag zijn om hem te ondersteunen indien nodig. Dit zou eventueel de reeds bij de man betrokken begeleider van het [hulpverlening 3] kunnen zijn. Op die manier wordt voorkomen dat de man de omgang moet afzeggen. Verder zou de man het prettig vinden als in de komende periode niet alleen wordt gekeken of de omgang met [minderjarige] goed verloopt, maar ook of uitbreiding van de regeling of onbegeleid contact mogelijk is.
2.11
Door en namens de vrouw is ten aanzien van het verzoek betreffende het gezamenlijk gezag verklaard dat de vrouw tot op heden geen enkele verbetering ziet in de verstandhouding met de man. Er zijn nog veel onderlinge discussies en de vrouw heeft er geen vertrouwen in dat zij het gezag samen met de man kan uitoefenen. Zij is van mening dat [minderjarige] dan klem en verloren zal raken. De vrouw verzoekt daarom het verzoek van de man voor zover dit ziet op het gezamenlijk gezag af te wijzen. Ten aanzien van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] verklaart de vrouw dat zij [minderjarige] positief contact gunt met de man. Hier is inmiddels al jarenlang op ingezet, maar dit heeft niet tot een consequente omgangsregeling geleid. Hoewel [minderjarige] de omgang meestal erg fijn vond, werd zij steeds teleurgesteld omdat de man de omgangsmomenten meermaals heeft afgezegd. Hier had [minderjarige] veel last van. Om [minderjarige] de benodigde rust en duidelijkheid te bieden, heeft de vrouw de weloverwogen beslissing genomen om de omgang tussen [minderjarige] en de man te stoppen. Dit neemt niet weg dat de vrouw het belangrijk vindt dat [minderjarige] contact heeft met de man. Zij kan er daarom achter staan dat op korte termijn opnieuw wordt geprobeerd de omgang tussen de man en [minderjarige] te hervatten, mits er naast de omgangsbegeleiding professionele hulpverlening - en dus geen familielid van de man - aanwezig is tijdens de contacten om de man te ondersteunen. De vrouw kan dan instemmen met aanhouding van de behandeling van het verzoek zodat in de komende twee à drie maanden kan worden bezien hoe de omgang tussen de man en [minderjarige] verloopt, zodat na afloop van deze periode kan worden geëvalueerd hoe de omgang is verlopen.
2.12
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is gebleken dat er sinds de vorige zitting door partijen en de betrokken hulpverlening is gewerkt aan het tot stand brengen van een structurele omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man. Er is lange tijd sprake geweest van een regeling waarbij de man en [minderjarige] elkaar iedere woensdagmiddag voor de duur van 1,5 uur zagen, onder begeleiding van [hulpverlening 2] . Gebleken is echter dat de man deze omgangsmomenten meermaals heeft moeten afzeggen vanwege lichamelijke klachten en niet in staat was een positief omgangsmoment voor [minderjarige] te creëren. Dit heeft de vrouw in december 2025 doen besluiten de omgangsregeling te stoppen, nu zij wilde voorkomen dat [minderjarige] steeds geconfronteerd werd met een teleurstelling als de man het contactmoment afzegde. Zij zag namelijk dat [minderjarige] hier veel last van had en behoefte had aan duidelijkheid en rust. Tegelijkertijd is tijdens de zitting gebleken dat [minderjarige] de contactmomenten met de man die zijn doorgegaan, als prettig heeft ervaren. Ook is gebleken dat de man de omgangsregeling graag zou willen hervatten - en het liefst verder zou willen uitbreiden - en de vrouw [minderjarige] een positief contact met haar vader gunt. Door de man is toegelicht dat het voor hem helpend zou zijn als er naast de omgangsbegeleiding iemand aanwezig is tijdens de omgang die hem kan ondersteunen. Op die manier zou hij er voor kunnen zorgen dat de contactmomenten doorgang kunnen vinden. De vrouw kan er achter staan dat in de komende periode wordt bezien hoe de omgangsregeling verloopt als er naast de omgangsbegeleiding een professionele hulpverlener aanwezig is ter ondersteuning van de man.
2.13
Tijdens de zitting hebben partijen afgesproken om in de komende drie maanden te bezien hoe de omgangsregeling zal verlopen. Partijen zijn overeengekomen dat de omgang tussen de man en [minderjarige] zal worden hervat na het gesprek met alle betrokkenen, dat vooralsnog is gepland op 5 maart 2026. Tijdens dit gesprek zullen praktische afspraken worden gemaakt over (het opstarten van) de begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] . Door partijen zal geprobeerd worden dit gesprek op een eerder moment te laten plaatsvinden, zodat de omgang tussen de man en [minderjarige] op zo kort mogelijke termijn kan worden hervat. Als blijkt dat het gesprek niet eerder kan plaatsvinden dan 5 maart 2026, kan in de tussentijd in overleg met de vrouw en de omgangsbegeleiding van [hulpverlening 2] een videobelmoment worden afgesproken tussen de man en [minderjarige] zodat zij elkaar al wel een keer kunnen zien. Na het gesprek met alle betrokkenen zal de omgang tussen [minderjarige] en de man plaatsvinden op woensdagmiddag voor de duur van anderhalf uur, onder begeleiding van [hulpverlening 2] en met ondersteuning van een professionele hulpverlener voor de man. De eerste twee keer zal de omgang om de week plaatsvinden en daarna zal er wekelijks omgang zijn, tenzij de casusregisseur een andere regeling in het belang van [minderjarige] acht.
2.14
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de definitieve beslissing op de verzoeken van de man op dit moment nog niet kan worden genomen in afwachting van hoe de voorlopige omgangsregeling loopt. Daarom zal de rechtbank de afgesproken regeling vaststellen als voorlopige omgangsregeling en de behandeling van de verzoeken van de man aanhouden tot
dinsdag 5 mei 2026 pro forma. De rechtbank verwacht van de advocaten van partijen dat zij de rechtbank vóór die datum zullen informeren over hoe de voorlopige omgangsregeling loopt en dat ze daarbij zullen aangeven of zij een nieuwe zitting bij de rechtbank willen of dat zij het ermee eens zijn dat de rechtbank schriftelijk beslist op het verzoek zonder nadere zitting. Omdat de Raad niet ter zitting kon adviseren over de verzoeken van de man, vraagt de rechtbank de Raad om uiterlijk op de pro forma datum een schriftelijk advies te geven over de verzoeken van de man.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
bepaalt als
voorlopigeomgangsregeling dat de man en [minderjarige] contact hebben met elkaar overeenkomstig afspraken van partijen en zoals opgenomen onder 2.13 van deze beschikking;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
houdt de behandeling van de verzoeken van de man aan tot
dinsdag 5 mei 2026 pro forma, in afwachting van het verloop van de omgang tussen [minderjarige] en de man, het schriftelijke advies van de Raad, de nadere berichtgeving van partijen en het door hen gewenste verdere procesverloop.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.