De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 26 februari 2026 een zaak over gezag en omgang tussen de man en zijn minderjarige kind. De man verzocht om gezamenlijk gezag en onbegeleid contact, terwijl de vrouw aanvankelijk terughoudend was vanwege zorgen over de stabiliteit van de man en zijn vermeende alcoholgebruik.
Uit rapporten van een stichting en de Raad voor de Kinderbescherming bleek dat de omgang onder begeleiding goed verliep en dat de man zijn leven positief heeft heringericht. De vrouw bleef echter moeite houden met vertrouwen en wilde alleen begeleide omgang. De Raad adviseerde gezamenlijk gezag toe te wijzen en een onbegeleide contactregeling van drie uur per week vast te stellen.
De rechtbank volgde dit advies en legde een contactregeling vast waarbij de man de minderjarige wekelijks op zaterdag drie uur onbegeleid mag zien. Tevens werd het gezamenlijk gezag toegewezen, met de verwachting dat partijen hun communicatie verbeteren en oudergesprekken voeren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.