Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3383

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/445906 / JE RK 26-414
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarigen wegens ernstige bedreiging sociaal-emotionele ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarigen vanwege ernstige bedreiging van hun sociaal-emotionele ontwikkeling, waaronder selectief mutisme bij de oudste. De ouders voeren een co-ouderschapsregeling, maar er zijn zorgen over het gezag van de moeder en het teruggetrokken gedrag van de kinderen.

De kinderrechter nam kennis van het verzoek, de standpunten van de ouders en de gecertificeerde instelling, en concludeerde dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende effect heeft gehad. De oorzaak van het gedrag van de minderjarigen is nog onbekend en moet nader worden onderzocht.

De kinderrechter besloot de ondertoezichtstelling toe te wijzen voor de duur van een jaar, met als uitvoerder Stichting Jeugdbescherming Brabant. De maatregel is direct uitvoerbaar verklaard en gericht op het creëren van een veilige opvoedomgeving en het verbeteren van communicatie en emotionele vaardigheden van de minderjarigen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445906 / JE RK 26-414
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgenodigd voor een kindgesprek. De kinderrechter heeft op 24 maart 2026 van de moeder een e-mail bericht ontvangen, dat de beide minderjarigen niet met de kinderrechter in gesprek willen gaan.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] staat in de Basis Registratie Persoonsgegevens ingeschreven bij haar vader. [minderjarige 2] staat ingeschreven bij haar moeder. Feitelijk geven de ouders uitvoering aan een co-ouderschapsregeling, waarbij de minderjarigen de ene week bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun sociaal-emotionele ontwikkeling worden bedreigd. Zo communiceren de minderjarigen niet tot nauwelijks, trekken zij zich terug en kunnen zij moeizaam uiten hoe het met hen gaat.
Het is (vooralsnog) onbekend wat maakt dat de minderjarigen dit gedrag vertonen en wat zij hierin nodig hebben. Dat dient nader te worden uitgezocht. Bij [minderjarige 1] is in elk geval de diagnose selectief mutisme vastgesteld. De Raad acht het een zorg dat er in de opvoedsituaties op kleuterniveau met elkaar wordt gecommuniceerd, dat het de moeder onvoldoende lukt om haar gezag te laten gelden en dat de minderjarigen, met name [minderjarige 2] , haar gezag ook niet accepteren. Inmiddels is er al jarenlang tevergeefs hulpverlening betrokken, sinds 2017 bij de moeder en vanaf 2021 bij de vader. Voor de aangeboden hulpverlening stellen de ouders zich wisselend op. Met de door de hulpverlening gestelde conclusies zijn de ouders het ook niet altijd eens. Door hulpverleners is meermaals met ouders besproken dat de co-ouderschapsregeling beter zou kunnen worden gewijzigd en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer bij de vader zouden moeten verblijven omdat zijn pedagogische capaciteiten sterker lijken, maar dat advies wordt niet opgevolgd. De moeder is het niet eens met dat advies en de vader onderneemt daarin geen actie. Indien de ouders dit advies wel zouden opvolgen, zou bekeken kunnen worden of dat verandering zal geven in het gedrag van de minderjarigen. De Raad ziet dat er ook krachten zijn, zoals dat de minderjarigen goed meegaan met de lesstof op school en de ouders onderling een goed contact met elkaar hebben. Dit neemt volgens de Raad niet weg dat deze krachten niet opwegen tegen de zorgen. Door de hulpverlening is geconcludeerd dat sprake is van onvoldoende Goed Genoeg Ouderschap en de ouders de zorgen onvoldoende lijken in te zien.
4.2.
De moeder geeft aan dat zij zo’n half jaar geleden niet sterk in haar schoenen stond waardoor, met name [minderjarige 2] , haar gezag niet accepteerde. Volgens de moeder gaat het met haar momenteel beter, waardoor zij haar gezag over de minderjarigen voldoende kan laten gelden. De moeder verklaart vanuit de hulpverlening inmiddels ook de nodige handvatten te hebben gekregen om beter met de problemen om te kunnen gaan en voor de minderjarigen is daarnaast speltherapie ingezet. De moeder ziet in dat nog niet alle zorgen van voorbij zijn en zij wil dat de minderjarigen geholpen worden voor hun problematiek. De moeder heeft geen bezwaar tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling.
4.3.
De vader brengt naar voren dat hij een dubbel gevoel heeft over het verzoek tot ondertoezichtstelling. Aan de ene kant denkt de vader dat de minderjarigen daarbij baat zullen kunnen hebben. Aan de andere kant heeft de vader daarover zijn twijfels omdat de vele tot dusver ingezette hulpverlening tot nog toe niet heeft mogen baten en naar de mening van de vader zelfs deels heeft gefaald. Hij heeft geregeld bij de hulpverlening zijn wensen en ideeën ingebracht maar werd daarin niet gehoord. De vader betreurt dit alles. Vooral over [minderjarige 1] heeft de vader de grootste zorgen. De vader hoop dat een ondertoezichtstelling vooral voor [minderjarige 1] van meerwaarde zal zijn. Dit neemt volgens de vader niet weg dat hij een onderzoek naar haar problematiek niet meer nodig acht, omdat voor haar reeds een diagnose is gesteld.
4.4.
De GI is van mening dat wordt voldaan aan de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling. De GI is daarbij van mening dat, indien de kinderrechter een ondertoezichtstelling zal uitspreken, de maatregel uitgevoerd behoort te worden door de Stichting Jeugdbescherming Brabant. De GI voert hierbij aan dat zij zich richt op de doelgroep van jeugdigen en/of ouders waarbij sprake is van een verstandelijke beperking, maar dat dat bij deze betrokkenen niet is komen vast te staan.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is, op grond van de stukken en de behandeling ter zitting, van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat beide minderjarigen, met name [minderjarige 1] , in sociale situaties niet tot nauwelijks communiceren, zij zich terugtrekken en zij maar moeizaam kunnen uiten hoe het met hen gaat. De oorzaak van deze problematiek is thans nog onbekend en dient nader te worden uitgezocht. In elk geval is ten aanzien van [minderjarige 1] tot dusver vastgesteld dat bij haar sprake is van selectief mutisme. Een zorg zou tevens zijn dat er in de opvoedsituatie op kleuterniveau met elkaar zou worden gecommuniceerd. Ook is een grote zorg dat de moeder onvoldoende haar gezag laat gelden ten opzichte van de minderjarigen. Met name [minderjarige 2] accepteert het gezag van haar moeder onvoldoende. Daarbij overstijgt zij in de thuissituatie haar moeder. Met leeftijdsgenootjes hebben zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] weinig contact. Zorg is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verder gaan vastlopen in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. In die zin worden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling bedreigd.
5.2.
Naar het oordeel van de kinderrechter kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De kinderrechter overweegt hierbij dat er weliswaar al veel hulpverlening is betrokken en betrokken is geweest, zoals vanuit de GGZ, SDW en De Gezinsmanager, maar dat deze niet afdoende is gebleken om de ernstig bedreigde ontwikkeling te doen afwenden. De kinderrechter kan zich voorstellen dat de vader zich daarom afvraagt of een ondertoezichtstelling nog helpend gaat zijn maar het is van belang om te achterhalen wat maakt dat de minderjarigen voornoemd gedrag vertonen, waarna vervolgens passende hulpverlening kan worden ingezet. Nu gebleken is dat de ouders de vrijwillige aangeboden hulpverlening niet altijd ten volle hebben geaccepteerd dient de GI hierin de regie te krijgen.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.4.
Ter zitting is gebleken dat de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering niet bereid is om de ondertoezichtstelling te gaan uitvoeren, omdat de ouders en/of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet voldoen aan de doelgroep van deze stichting. De Raad heeft ter zitting daarom zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat thans verzocht wordt om de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, te belasten met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal conform het gewijzigde verzoek van de Raad beslissen, waarbij zij er vanuit gaat dat de Raad de Stichting Jeugdbescherming Brabant hierover nader zal informeren.
5.5.
De doelen waaraan in het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden
gewerkt, zijn de volgende:
- De minderjarigen groeien op in een veilige opvoedomgeving;
- [minderjarige 1] leert hoe zij kan communiceren richting anderen en hoe zij haar eigen
wensen en behoeften kenbaar kan maken;
- De minderjarigen kunnen omgaan met hun eigen emoties en hier op een juiste manier op reageren;
- De minderjarigen hebben een fijn en onbelast contact met beide ouders;
- De ouders kunnen op een juiste manier aansluiten bij wat de minderjarigen nodig
hebben, waaronder het bieden van structuur en adequate begrenzing.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 25 maart 2026 tot 25 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.