ECLI:NL:RBZWB:2026:3377

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/444655 / KG ZA 26-53
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en nakoming voorlopige contactregeling tussen vader en minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een kort geding over de nakoming en vaststelling van een voorlopige zorg- en contactregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind. De ouders hadden een ouderschapsplan met co-ouderschap, maar de moeder had het contact eenzijdig stopgezet. Een eerder vonnis van november 2025 bepaalde een opbouwregeling voor contact, maar de moeder kwam dit niet na en stelde hoger beroep in.

De vader vorderde nakoming van het vonnis en een dwangsom bij niet-nakoming. De moeder vorderde vervangende toestemming voor schoolinschrijving en paspoortaanvraag en schorsing van het vonnis tot het hof uitspraak deed. Tijdens de zitting bereikten partijen afspraken over contactmomenten en toestemming voor school en ID-kaart.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het contact zo spoedig mogelijk hersteld moet worden, met minimaal tweemaal per week contact van twee uur, bij een locatie in de buurt. De moeder werd veroordeeld tot nakoming van deze regeling met een dwangsom van €100 per niet nagekomen contactmoment, maximaal €5.000. De kosten werden ieder voor eigen rekening gelaten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en geldt totdat het hof anders beslist.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de contactregeling en veroordeelt de moeder tot nakoming met een dwangsom van €100 per niet nagekomen contactmoment.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444655 / KG ZA 26-53
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Vonnis in kort geding tot nakoming/vaststelling voorlopige zorg- en contactregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende in [plaats] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. N.M. Lindhout-Schot te Tilburg,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: U. Ögüt te Eindhoven,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • de op 17 februari 2026 betekende dagvaarding, met de producties 1 t/m 7;
  • de op 8 maart 2026 ontvangen conclusie van antwoord, met daarin een eis in reconventie, met de producties 1 t/m 8;
  • het op 20 maart 2026 ontvangen e-mailbericht van mr. Lindhout-Schot;
  • het op 20 maart 2026 ontvangen e-mailbericht van mr. Ögüt.
1.2.
Op 10 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak mondeling ter zitting behandeld met gesloten deuren, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn de man en de vrouw verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast waren er twee vertegenwoordigsters namens de Raad bij de zitting aanwezig.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is tijdens deze relatie geboren.
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.5.
Partijen hebben na het verbreken van hun relatie afspraken gemaakt over [minderjarige] . Deze afspraken hebben zij neergelegd in een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan. Hierin is, samengevat voor zover hier nu van belang, het volgende opgenomen:
  • Partijen verdelen met ingang van 15 juni 2025 de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] op basis van co-ouderschap. [minderjarige] verblijft in de oneven weken bij de man en in de even weken bij de vrouw, met als wisselmoment op zondagavond na het eten of op de maandag (dit wordt tijdig tussen partijen afgestemd), waarbij de oma vaderszijde [minderjarige] zal halen en brengen.
  • [minderjarige] verblijft tijdens de helft van de reguliere schoolvakanties bij de man dan wel de vrouw, waarbij schoolvakanties van een week niet worden opgesplitst en de schoolvakanties van langer dan een week in gelijke delen worden opgesplitst volgens het schema.
2.6.
Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 november 2025 is, samengevat en voor zover hier nu van belang, bepaald dat de man en [minderjarige] het recht hebben op omgang met elkaar volgens de door partijen overeengekomen regeling zoals neergelegd in het ouderschapsplan. Daarbij is, samengevat, de volgende opbouwregeling bepaald:
  • in de eerste week twee uur contact;
  • in de tweede week twee keer twee uur contact;
  • in de derde week twee keer vier uur contact;
  • in de vierde week twee keer een dag contact;
  • in de vijfde week een keer twee aaneengesloten dagen met een overnachting;
  • in de zesde week een keer drie aaneengesloten dagen met twee overnachtingen;
  • in de zevende week wordt de verdeling zoals in het ouderschapsplan is afgesproken, hervat.
2.7.
Namens de vrouw is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis in kort geding van 7 november 2025. Deze procedure loopt nog. De zitting bij het hof is bepaald op 13 mei 2026.

3.De vorderingen in conventie en in reconventie

3.1.
De man vordert bij vonnis in kort geding in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
  • de vrouw te veroordelen tot nakoming van voormeld vonnis in kort geding van 7 november 2025, dan wel een andere voorlopige zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] te bepalen door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;
  • een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,= voor iedere dag dan wel dagdeel dat de vrouw nalatig blijft om aan dit vonnis te voldoen, dan wel een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen. Namens de man is deze vordering mondeling ter zitting aangevuld, in die zin dat de te verbeuren dwangsom wordt gemaximeerd tot € 25.000,=;
  • de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2.
Namens en door de man is daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Partijen hebben slechts een aantal keer uitvoering gegeven aan de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] zoals neergelegd in het ouderschapsplan. Begin juli 2025 heeft de vrouw deze regeling eenzijdig stopgezet. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 november 2025 is de vrouw veroordeeld tot de nakoming van de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] zoals partijen zijn overeengekomen in het ouderschapsplan. De vrouw komt voormeld vonnis echter ook niet na. Wel heeft zij hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. In de hoger beroepsprocedure heeft de vrouw vervolgens een afwijkende regeling voorgesteld. Hoewel de man het daar niet mee eens is, heeft hij daarmee toch ingestemd omdat hij het contact met [minderjarige] zo spoedig als mogelijk wilde herstellen. Deze regeling komt de vrouw echter ook niet na. De man vindt (nog steeds) dat het contact tussen hem en [minderjarige] zo spoedig als mogelijk moet worden hersteld. De man heeft geen vertrouwen meer in de toezeggingen van de vrouw. Nu de vrouw weigert om voormeld vonnis van 7 november 2025 na te komen, vordert de man in conventie om de vrouw te veroordelen tot de nakoming daarvan op straffe van een dwangsom en daarnaast om de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.3.
De vrouw voert verweer tegen voormelde vorderingen en concludeert tot de afwijzing daarvan.
3.4.
Daarnaast vordert de vrouw bij vonnis in kort geding in reconventie, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, om:
  • haar toestemming te verlenen, naar de voorzieningenrechter begrijpt: ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, om [minderjarige] in te schrijven bij [basisschool] , dan wel bij een andere door de vrouw te bepalen basisschool;
  • haar toestemming te verlenen, naar de voorzieningenrechter begrijpt: ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] ;
  • de gevolgen van het vonnis in kort geding van 7 november 2025 te schorsen totdat het hof in de tussen partijen aanhangige procedure met het zaaknummer [nummer] heeft beslist;
  • de man te veroordelen in de proces- en nakosten van dit geding.
3.5.
Namens en door de vrouw is daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis in kort geding van 7 november 2025 omdat de voorzieningenrechter, naar de mening van de vrouw, bij haar oordeel onvoldoende rekening heeft gehouden met de psychische kwetsbaarheid van de man. De vrouw heeft in de procedure in hoger beroep een afwijkende regeling voorgesteld onder de voorwaarde dat de man zijn behandeling vanuit de GGD zou hervatten en dat hij inzicht zou geven in zijn behandeling, gericht op zijn mentale gezondheid en middelengebruik. Dit heeft de man echter niet gedaan. De vrouw vindt daarom dat er eerst zicht moet worden verkregen op de (psychische) stabiliteit van de man en dat er voor hem passende hulpverlening wordt ingezet, alvorens er van haar kan worden verlangd dat zij haar medewerking zal verlenen aan onbegeleid contact tussen de man en [minderjarige] . Daarbij komt nog dat er inmiddels al ruim acht maanden geen sprake is geweest van contact tussen de man en [minderjarige] , dat de man dreigingen blijft uiten en dat hij weigert om zijn medewerking te verlenen aan een aantal gezagsbeslissingen die [minderjarige] aangaan. Gelet hierop stelt de vrouw zich op het standpunt dat er sprake is van een relevante wijziging van feiten en omstandigheden, waardoor het vonnis in kort geding van 7 november 2025 dient te worden geschorst totdat het hof uitspraak heeft gedaan in het tussen partijen aanhangige hoger beroep. De vrouw is wel bereid om mee te werken aan een contactmoment tussen de man en [minderjarige] bij [locatie] gedurende een uur per week, als de vrouw op een afstand daarbij aanwezig zal zijn.
3.6.
Op de overige stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de vorderingen, worden ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.2.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen van partijen in conventie en in reconventie, zullen deze vorderingen hierna gezamenlijk worden behandeld.
4.3.
De eerste vraag die de voorzieningenrechter heeft te beantwoorden, is of partijen een voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen (in conventie en in reconventie) (artikel 254 Rv Pro). Nu de man en [minderjarige] al sinds juli 2025 geen contact met elkaar hebben gehad, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de man een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering in conventie tot nakoming van de bij vonnis in kort geding van 7 november 2025 bepaalde zorg- en contactregeling tussen hem en [minderjarige] . Omdat de vordering van de vrouw in reconventie tot schorsing van voormeld vonnis ziet op hetzelfde onderwerp, zal de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij deze vordering eveneens aannemen. Hoewel het spoedeisend belang van de vrouw bij de overige vorderingen in reconventie is betwist door de man, zal de voorzieningenrechter, met het oog op de overeenstemming die partijen in deze procedure hebben bereikt, zoals de voorzieningenrechter hierna verder uiteen zal zetten, aannemen dat beide partijen een voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben (dus in conventie en in reconventie).
4.4.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven.
De Raad vindt dat het contact tussen de man en [minderjarige] zo spoedig als mogelijk moet worden hersteld. De vrouw had het vorige vonnis in kort geding van 7 november 2025, naar de mening van de Raad, moeten nakomen. De Raad vindt het wel positief dat partijen inmiddels zijn aangemeld bij Sterk Huis en hij gaat ervan uit dat dit traject op korte termijn zal gaan starten. De Raad adviseert om een voorlopige zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] te bepalen en om de regie over de verdere vormgeving daarvan bij Sterk Huis te beleggen. Daarbij geldt, met het oog op de jonge leeftijd van [minderjarige] , dat vaker contact belangrijker is dan langduriger contact. De opbouw zoals bepaald in voormeld vonnis, waarbij wordt gestart met een keer twee uren contact, is volgens de Raad haalbaar voor [minderjarige] , maar de Raad kan zich voorstellen dat er een extra tussenstap wordt toegevoegd, in die zin dat er wordt gestart met eenmaal een uur contact.
4.5.
Naar aanleiding van wat er tijdens de zitting is besproken, zijn partijen met elkaar overeengekomen dat er op de eerstvolgende zaterdag (14 maart 2026) om 12.00 uur gedurende (minimaal) een uur sprake zal zijn van contact tussen de man en [minderjarige] in [locatie]. De vrouw zal dan op afstand blijven. Als [minderjarige] uit eigen beweging naar de vrouw toe loopt, dan zal de man dit toestaan. De vrouw zal [minderjarige] vervolgens na een kortdurend contactmoment stimuleren om weer naar de man toe te gaan. Voorafgaand aan het contactmoment zal de vrouw [minderjarige] voorbereiden op het contactmoment en hem daarvoor stimuleren.
4.6.
Daarnaast heeft de man mondeling ter zitting zijn toestemming verleend aan de vrouw voor het aanvragen van een ID-kaart voor [minderjarige] en om [minderjarige] aan te melden bij de door de vrouw voorgestelde basisschool. Na een korte schorsing van de zitting heeft de man een formulier voor het aanvragen van een ID-kaart ondertekend. Omdat het de advocaat van de vrouw tijdens de schorsing niet is gelukt om een aanmeldformulier voor de basisschool te vinden en te printen, hebben partijen met elkaar afgesproken dat de vrouw tijdens het eerstvolgende contactmoment in [locatie] een geprint aanmeldformulier zal meenemen en dat de man dit formulier zal ondertekenen. Nu de man het formulier om voor [minderjarige] een ID-kaart aan te vragen heeft ondertekend en partijen met elkaar hebben afgesproken dat zij tijdens het eerstvolgende contactmoment de aanmelding van [minderjarige] op school zullen gaan regelen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar vorderingen in reconventie tot vervangende toestemming. De voorzieningenrechter zal deze vorderingen daarom afwijzen.
4.7.
Na afloop van de zitting heeft mr. Lindhout-Schot, namens de man, in voormeld op 20 maart 2026 ontvangen e-mailbericht onder meer het volgende aangegeven. Sinds de zitting heeft er inmiddels tweemaal contact plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige] . Ook heeft de man contact opgenomen met [zorgorganisatie] in [plaats] voor een huisbezoek. Voor de komende weken hebben partijen met elkaar afgesproken dat de man en [minderjarige] contact met elkaar zullen hebben op zaterdag 14 maart 2026 van 12.00 uur tot 13.00 uur, op donderdag 19 maart van 12.00 uur tot 13.00 uur, op zaterdag 28 maart 2026 van 12.00 uur tot 13.00 uur en op zaterdag 4 april 2026 van 12.00 uur tot 14.00 uur bij [locatie] in [plaats] . Vanaf april wordt het contact dus uitgebreid tot twee aaneengesloten uren. Partijen hebben echter geen overeenstemming bereikt over de frequentie waarmee de volgende contactmomenten zullen plaatsvinden. De man wil graag twee contactmomenten per week, terwijl de vrouw wil vasthouden aan één contactmoment per week. De vrouw is ook niet akkoord met het voorstel van de man om zijn ouders (de grootouders vaderszijde) bij de contacten te betrekken.
4.8.
In voormeld op 20 maart 2026 ontvangen e-mailbericht heeft mr. Ögüt, namens de vrouw, hetgeen hiervoor door mr. Lindhout-Schot is uiteengezet, bevestigd.
4.9.
De voorzieningenrechter overweegt, gezien het voorgaande, als volgt. Vooropgesteld heeft de man als (gezaghebbende) ouder het recht en de plicht om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. In voormeld vonnis in kort geding van 7 november 2025 heeft de voorzieningenrechter de zorgen van de vrouw over onder meer de psychische gesteldheid van de man weerlegd en heeft zij uitgebreid overwogen dat er zo spoedig als mogelijk moet worden ingezet op het herstel van de contacten tussen de man en [minderjarige] , waarbij zij een stapsgewijs opbouwende voorlopige contactregeling heeft bepaald. In hetgeen thans door en namens de vrouw naar voren is gebracht, ziet de voorzieningenrechter – voor zover er al sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden – ook geen contra-indicaties voor contact tussen de man en [minderjarige] . De voorzieningenrechter blijft dan ook bij haar oordeel dat het contact tussen de man en [minderjarige] zo spoedig mogelijk moet worden hersteld en dat er sprake moet zijn van structureel contact tussen hen.
4.10.
Na afloop van de zitting hebben partijen (via hun advocaten) afspraken met elkaar gemaakt over de verdere vormgeving van het contact(herstel) tussen de man en [minderjarige] . Gebleken is dat er inmiddels twee contactmomenten hebben plaatsgevonden voor de duur van een uur. Aanstaande zaterdag zal er nogmaals een contactmoment plaatsvinden voor de duur van een uur en een week later (op zaterdag 4 april 2026) zal een twee uur durend contactmoment plaatsvinden. Partijen verschillen echter van mening over de periode daarna. De man wil graag dat er tweemaal per week gedurende twee uren sprake zal zijn van contact, terwijl de vrouw voorlopig wil vasthouden aan één contactmoment per week.
De voorzieningenrechter acht het op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] dat hij voorlopig tweemaal per week gedurende twee uren contact zal hebben met zijn vader, zoals de man heeft voorgesteld. De voorzieningenrechter ziet geen enkele aanleiding om de contactregeling tussen de man en [minderjarige] te beperken tot slechts één contactmoment per week, zoals de vrouw heeft voorgesteld. Ten eerste is niet gebleken dat de contactmomenten die tot nu toe hebben plaatsgevonden, niet goed zouden zijn verlopen. Daarnaast moet een regeling waarbij er regelmatig sprake is van contact juist in het belang van [minderjarige] worden geacht, gezien zijn jonge leeftijd ( [minderjarige] is 3,5 jaar oud), zo heeft de Raad aangegeven. Ook vindt de voorzieningenrechter een regeling waarbij er tweemaal per week gedurende twee uren sprake is van contact tussen de man het absoluut minimale vergeleken met de afspraken die partijen eerder met elkaar hebben gemaakt en welke zij hebben neergelegd in het door hen beiden ondertekende ouderschapsplan (namelijk een verdeling op basis van co-ouderschap) en vergeleken met de voorlopige regeling, zoals bepaald in voormeld vonnis in kort geding van 7 november 2025 (waarbij het contact tussen de man en [minderjarige] stapsgewijs wordt hersteld en er wordt toegewerkt naar een verdeling op basis van co-ouderschap en er al in de tweede week tweemaal gedurende twee uren contact plaatsvindt). Tot slot heeft de man zijn goede wil getoond door direct in actie te komen en contact op te nemen met [zorgorganisatie] voor het plannen van huisbezoeken. De opstelling van de man om er alles aan te doen om contact(herstel) tussen hem en [minderjarige] te bewerkstelligen, is dan ook te prijzen.
4.11.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er sprake is van een relevantie wijziging van feiten en omstandigheden, waardoor een wijziging van de afspraken tussen partijen zoals neergelegd in het ouderschapsplan en in voormeld vonnis in kort geding van 7 november 2025 gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter zal in de plaats daarvan bepalen dat de man en [minderjarige] vanaf heden en totdat het hof in de tussen partijen aanhangige procedure in hoger beroep met het zaaknummer [nummer] anders beslist, gerechtigd zijn tot (minimaal) tweemaal per week gedurende twee uren contact met elkaar bij [locatie], dan wel op een andere door partijen in goed overleg te bepalen plek. Zolang het partijen niet lukt om in onderling overleg een andere plek te kiezen waar de contactmomenten zullen plaatsvinden, dienen de contacten dus bij [locatie] plaats te vinden. Nu de zitting in hoger beroep kennelijk al is bepaald op 13 mei 2026, is deze periode ook te overzien.
4.12.
De voorzieningenrechter zal deze beslissing, gelet op het spoedeisende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals over en weer door partijen is gevorderd (in conventie en in reconventie). Dit betekent dat deze beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
4.13.
Nu de vrouw het vonnis in kort geding van 7 november 2025 volledig naast zich heeft neergelegd, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de vrouw te veroordelen tot nakoming van de voorlopige contactregeling tussen de man en [minderjarige] op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,= voor elke keer dat de vrouw het contactmoment niet nakomt, met een maximum van € 5.000,=. In hetgeen door en namens de vrouw naar voren is gebracht, namelijk dat de vrouw financieel niet in staat zou zijn om een dwangsom te betalen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de gevorderde dwangsom te weigeren. De dwangsom is namelijk bedoeld om de vrouw ertoe te bewegen om de contactregeling na te komen. Zolang de vrouw haar verplichtingen uit dit vonnis nakomt, zal zij van de opgelegde dwangsom dus geen last hebben.
4.14.
Tijdens de zitting is tot slot door en namens beide partijen aangegeven dat de kosten en de nakosten van partijen in dit geding (in conventie en in reconventie) tussen partijen dienen te worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter zal voormelde kosten dan ook op deze manier tussen partijen verdelen en de vorderingen van partijen (in conventie en in reconventie) om de andere partij in de (volledige) kosten te veroordelen, afwijzen.
4.15.
Het meer of anders gevorderde (in conventie en in reconventie) zal worden afgewezen.

5.De beslissing in conventie en in reconventie

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijzigt de afspraken die partijen in het ouderschapsplan hebben gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] en wijzigt de inhoud van het vonnis in kort geding van 7 november 2025;
5.2.
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige] , dat de man en [minderjarige]
voorlopig, totdat het hof in de tussen partijen aanhangige procedure met het zaaknummer [nummer] anders beslist, minimaal tweemaal per week gedurende twee uren het recht hebben op contact hebben met elkaar bij [locatie] in [plaats] , dan wel op een door partijen in onderling overleg te bepalen andere plek, met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.9 t/m 4.11 is overwogen;
5.3.
veroordeelt de vrouw tot de nakoming van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.2 bepaalde voorlopige contactregeling op straffe van een door de vrouw aan de man te betalen dwangsom ter hoogte van € 100,= per keer (dus per contactmoment) dat de vrouw haar verplichtingen voortkomend uit dit vonnis niet nakomt;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. Bogaert, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Wallerbos als griffier.