Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3374

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/445000 / FA RK 26-767
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming vakantie naar Thailand na instemming vrouw

De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor een vakantie met de minderjarige kinderen naar Thailand in juli 2026. De vrouw, met wie hij gezamenlijk gezag over de kinderen heeft, had aanvankelijk geen toestemming gegeven vanwege zorgen over de medische situatie van een van de kinderen.

Tijdens de mondelinge behandeling gaf de vrouw aan dat zij het belang van de vakantie inzag, maar dat er eerst een gedegen medisch plan moest zijn. De man toonde aan dat therapeuten de vakantie ondersteunden en dat er een medisch vangnet was opgezet, inclusief een kliniek in de buurt van het trainingskamp en een goede reisverzekering.

De vrouw stemde tijdens de zitting in met de vakantie, ondertekende de benodigde formulieren en overhandigde een kopie van haar paspoort. Hierdoor verloor het verzoek zijn belang en werd het afgewezen. De rechtbank complimenteerde partijen met hun vermogen om het belang van de kinderen voorop te stellen en hun verbeterde communicatie.

Uitkomst: Verzoek om vervangende toestemming voor vakantie naar Thailand afgewezen omdat de vrouw tijdens de zitting alsnog toestemming gaf.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/445000 / FA RK 26-767
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking over vervangende toestemming vakantie
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.A.E.C.J.M. Hooft te Gilze,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012, hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014, hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Als informant in deze zaak wordt gezien:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Etten-Leur,

1.Het procesverloop

1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
  • het op 11 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
  • de op 3 maart 2026 ontvangen brieven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
  • het op 5 maart 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Hooft met bijlage;
  • de op 19 maart 2026 ontvangen brief van de vrouw met bijlagen.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 25 maart 2026. Bij die behandeling verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de vrouw. Ook was aanwezig een vertegenwoordigster van de GI.
1.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vinden. Zij hebben hierover een brief geschreven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat zij hebben geschreven. De aanwezigen hebben hierop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 december 2017 is de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 22 december 2017 is ingeschreven in de daarvoor bedoelde registers.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen zijn (onder andere) de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de man.
2.4
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.5
Bij beschikking van deze rechtbank, locatie Breda, van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank, voor zover in deze procedure van belang, een Raadsonderzoek gelast, de
voorlopigehoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man bepaald en de definitieve beslissing op de verzoeken ten aanzien van het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden.
2.6
De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de vrouw de Poolse.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt, na een mondelinge wijziging van het verzoek, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- aan de man vervangende toestemming te verlenen voor de reis en het verblijf van de man tezamen met de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te Thailand (alsmede eventuele transit bestemmingen) gedurende de periode 1 juli 2026 tot en met 31 juli 2026;
- althans subsidiair een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie wenselijk voorkomt.
3.2
De vrouw heeft middels een brief haar standpunt ten opzichte van het verzoek weergegeven.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1
De rechtbank stelt vast dat de vrouw de Poolse nationaliteit heeft. De man en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank eerst dient te beoordelen of zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dit het geval is, dient de rechtbank het toepasselijk recht te bepalen.
4.2
Op grond van artikel 7 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.
4.3
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Wettelijk kader
4.4
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Inhoudelijke beoordeling
4.5
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben gezamenlijk gezag over de minderjarigen. Dit betekent dat de man de toestemming van de vrouw nodig heeft om met de minderjarigen naar het buitenland te gaan. In het algemeen is het in het belang van een minderjarige dat een minderjarige op vakantie kan met zijn of haar ouders. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat ook zij meent dat een vakantie in het belang is van de minderjarigen, maar dat er – voordat de vrouw haar toestemming geeft – ten opzichte van [minderjarige 1] wel een gedegen plan moet worden uitgezet met betrekking tot haar medische situatie (FNS). Door en namens de man is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat er meerdere e-mailberichten van verschillende therapeuten zijn overlegd, waaruit blijkt dat zij achter de voorgenomen vakantie staan en dit zelfs bevorderlijk vinden voor het herstel van [minderjarige 1] . Daarnaast heeft de man een (medisch) vangnet opgezet. In de buurt van het trainingskamp in [woonplaats 2] zit [kliniek] . [minderjarige 1] zou hier, indien nodig, direct terecht kunnen. Ook zijn er meerdere alternatieve vluchtroutes richting Thailand en zal de man een goede reisverzekering afsluiten bij het boeken van de vliegtickets, zodat [minderjarige 1] bij een terugval eventueel eerder terug naar Nederland kan komen. De man zal tevens alle belangrijke gegevens met betrekking tot de vlucht, zodra hij heeft geboekt, met de vrouw delen. De jeugdbeschermer verklaart achter de voorgenomen reis te staan, aangezien de therapeuten geen bezwaren hebben geuit.
4.6
De rechtbank stelt vast dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er geen bezwaren meer zijn tegen de vakantie in Thailand. De vrouw heeft, na de toelichting van de man met betrekking tot het medische vangnet voor [minderjarige 1] , aangegeven dat zij kan instemmen met de vakantie van de minderjarigen naar Thailand. Zij heeft tijdens de zitting de daarvoor benodigde formulieren ondertekend en aan de man overhandigd. Ook heeft zij een kopie van haar paspoort aan de man overhandigd.
Nu de vrouw tijdens de mondelinge behandeling alsnog toestemming heeft gegeven voor de vakantie door het betreffende formulier te ondertekenen en de daarvoor noodzakelijke kopie van haar paspoort heeft overlegd, zal de rechtbank het verzoek van de man, wegens een gebrek aan belang, afwijzen. De rechtbank wil partijen tot slot complimenteren dat zij tijdens de mondelinge behandeling in staat zijn geweest om het belang van de minderjarigen voorop te stellen. Het is knap dat zij een stap hebben gezet in het verbeteren van de onderlinge verhoudingen en communicatie.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Duinhof, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.