Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3373

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/445161 / JE RK 26-275
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging uithuisplaatsing deeltijd netwerkplaatsing bij oma in belang minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging van uithuisplaatsing van een minderjarige in een deeltijd netwerkplaatsing bij de oma moederszijde. De minderjarige verblijft sinds oktober 2025 doordeweeks bij de oma vanwege zorgen over schoolverzuim, hygiëne en dag- en nachtritme. De moeder is momenteel niet in staat de zorg volledig te dragen vanwege overbelasting en financiële problemen, terwijl de vader nog geen geschikte huisvesting heeft.

Tijdens de zitting, waarbij de vader en de advocaat van de moeder aanwezig waren, werd bevestigd dat de minderjarige zich positief ontwikkelt bij de oma. De moeder erkent de vooruitgang en is bereid mee te werken aan hulpverlening, terwijl de vader geen bezwaar maakt tegen het verzoek maar wel meer omgang wenst. De minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van het kindgesprek.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk is om de positieve ontwikkeling te waarborgen en de huidige situatie juridisch te verankeren, omdat het onzeker is of beide ouders het verblijf bij de oma blijven accepteren. De machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 24 juni 2026 en is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de oma als deeltijd netwerkplaatsing wordt verleend tot 24 juni 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445161 / JE RK 26-275
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.A. Stoffijn te Waalwijk,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • Mr. Stoffijn namens de moeder. Mr. Stoffijn deelde mede dat de moeder wegens een ziekenhuisafspraak niet in de gelegenheid was om de zitting bij te wonen;
  • een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid om haar mening over het verzoek kenbaar te maken.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont (met broertje [broertje] ) bij de moeder. Sinds half oktober 2025 tot op heden verblijven zij van zondagavond tot vrijdag na school bij oma moederszijde (hierna: de oma).
2.3.
Bij beschikking van 24 juni 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] (en [minderjarige] ) onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 juni 2025 tot 24 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , zijnde een deeltijdplaatsing binnen het netwerk (bij oma), te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt aan het verzoek ten grondslag dat via zorgaanbieder SELF met de moeder en de oma is besproken, dat [minderjarige] in ieder geval tot het einde van het huidige schooljaar doordeweeks bij de oma zal verblijven. In de schoolvakanties en tijdens de weekenden zal [minderjarige] bij de moeder verblijven.
Het doordeweekse verblijf van [minderjarige] bij de oma is destijds afgesproken vanwege het vele schoolverzuim van [minderjarige] . De oma kan [minderjarige] beter stimuleren om naar school te gaan.
Een andere zorg was de hygiëne bij [minderjarige] die onvoldoende was. De school had gemeld dat daarover zorgen waren. De oma helpt [minderjarige] hierbij. Tot slot was een zorg dat [minderjarige] bij de moeder geen goed dag- en nachtritme had. De oma biedt [minderjarige] structuur. Gebleken is dat [minderjarige] het bij de oma goed doet. SELF geeft aan dat de moeder momenteel niet in staat is om de zorg voor de twee kinderen te dragen, doordat zij overvraagd is. De scheiding van de ouders is nog niet afgerond en de moeder kampt tevens met financiële problematiek. Via de WMO heeft SELF voor de moeder praktische ondersteuning aangevraagd. Bovendien zijn er nog zorgen over de interactie tussen de nieuwe partner van de moeder en [minderjarige] . Aan opvoedondersteuning kan nog niet worden gewerkt, omdat het bij de moeder daarvoor nog ontbreekt aan de benodigde stabiliteit en zij voorts lastig te bereiken is.
Vanuit SELF is bij [minderjarige] alvast een ambulant begeleider betrokken, maar dat staat nog in de kinderschoenen; de begeleider is nog bezig met het opbouwen van een relatie met [minderjarige] . De oma is inmiddels aangemeld voor een netwerkscreening. Wanneer de verzochte machtiging niet wordt toegekend, zal de verblijfssituatie van [minderjarige] gecontinueerd moeten worden op vrijwillige basis. Naar de mening van de GI brengt dit het risico met zich dat op enig moment één of beide ouders hun toestemming hiervoor zullen intrekken.
In de komende maanden zal bovendien duidelijk moeten worden wat de wens van [minderjarige] is in het contact met haar ouders. De GI hoort in dit verband de vader ter zitting aangeven dat hij zich zorgen maakt dat de oma zich tegen [minderjarige] in negatieve zin over hem uitlaat.
De GI verklaart hiervoor de nodige aandacht te hebben.
4.2.
De vader geeft aan dat het inmiddels beter met hem gaat. De vader zou de zorg voor de kinderen graag zelf op zich willen nemen, maar ziet in dat dat niet gaat, omdat hij nog niet over geschikte huisvesting beschikt. Dat zo zijnde verklaart de vader tegen het voorliggende verzoek geen bezwaar te hebben. De vader zou wel graag meer omgang met [minderjarige] en [broertje] willen hebben. Ook zou de vader graag beter over de kinderen willen worden geïnformeerd. Ook spreekt de vader zijn zorgen uit dat de oma tegen [minderjarige] negatief over de vader praat.
4.3.
Namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder inziet dat sinds [minderjarige] vanaf oktober 2025 doordeweeks bij de oma verblijft er sprake is van een vooruitgang in haar situatie, met name ten aanzien van de schoolgang van [minderjarige] . De moeder verklaart zich bereid om mee te werken aan alle benodigde hulpverlening, ook om haar eigen leven verder op orde te brengen. De wens van [minderjarige] is om weer voltijds bij de moeder te komen wonen.
Naar de mening van de moeder zal de verzorging en opvoeding van de kinderen op korte termijn in elk geval niet door de vader gedragen kunnen worden. De moeder kan zich voorstellen dat de GI betreffend verzoek doet. De moeder is bekend met de wens van de vader om meer omgang met de kinderen te hebben. Vanwege de ondertoezichtstelling heeft de moeder daarover niet alle zeggenschap. De moeder betwist dat zij zich tegenover de GI niet eerlijk zou uitlaten over haar huidige partner en over de thuissituatie zoals in het schriftelijke verzoek wordt vermeld. De moeder kan zich vinden in het voorliggende verzoek.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] Zij overweegt hierbij dat [minderjarige] sinds oktober 2025 voor het overgrote deel van de week (doordeweeks) bij de oma verblijft. In de weekenden en tijdens vakanties verblijft [minderjarige] bij haar moeder. Gebleken is dat de moeder nog niet in staat om de zorg voor beide kinderen geheel op zich te nemen. De moeder heeft momenteel nog teveel aan haar hoofd om haar eigen leven op orde te brengen en wordt daardoor overvraagd. Ook een verblijf bij de vader is (nog) geen optie. Zo beschikt de vader nog niet over geschikte huisvesting. Gebleken is dat [minderjarige] zich bij de oma positief ontwikkelt. Zo zijn de zorgen over haar schoolgang, hygiëne en haar omgekeerde dag- en nachtritme minder aan de orde. Het is in het belang van [minderjarige] dat deze positieve ontwikkeling wordt voorgezet en dat de huidige situatie juridisch wordt verankerd omdat niet zeker is of beide ouders het huidige verblijf van [minderjarige] bij de oma zullen blijven accepteren. Voordat de ouder(s) de volledige zorg voor [minderjarige] weer op zich kunnen nemen, zal eerst zorgvuldig bekeken moeten worden of dat op een verantwoorde wijze kan. Teneinde de huidige positieve situatie te bestendigen en te blijven waarborgen zal de kinderrechter het (onweersproken) verzoek van de GI toewijzen.
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, zijnde een deeltijd netwerkplaatsing bij de oma moederszijde, met ingang van 25 maart 2026 tot 24 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.