Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3371

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
C/02/443890 / FA RK 26-174
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:250 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming bijzondere curator bij geschil over zorg- en opvoedingstaken minderjarige

Partijen, ouders van een minderjarige, zijn in geschil over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De vader verzoekt om een co-ouderschapsregeling waarbij de minderjarige week op week bij hem verblijft, terwijl de moeder de huidige regeling wil handhaven vanwege spanningen en het welzijn van het kind.

De rechtbank constateert een relevante gewijzigde omstandigheid door wisselende verklaringen van de minderjarige over zijn wensen, waardoor het verzoek van de vader ontvankelijk wordt verklaard. De communicatie tussen ouders is stroef en er is sprake van een loyaliteitsconflict bij het kind.

Gezien de onduidelijkheid over de wensen van de minderjarige en de belangenstrijd tussen ouders, benoemt de rechtbank een bijzondere curator. Deze zal onderzoeken wat in het belang van het kind is, de communicatie tussen ouders beoordelen en advies uitbrengen over mogelijke wijziging van de zorgregeling en benodigde hulpverlening.

De bijzondere curator krijgt de opdracht om binnen acht weken verslag uit te brengen, waarna de zaak pro forma wordt aangehouden. De rechtbank behoudt zich verdere beslissingen voor.

Uitkomst: De rechtbank benoemt een bijzondere curator om de belangen van de minderjarige te behartigen en houdt de zaak aan in afwachting van het verslag.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/443890 / FA RK 26-174
datum uitspraak: 25 maart 2026
beschikking betreffende vaststelling verdeling zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S.J.C. Marijnissen te Breda,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A. Koop-van Vliet,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- het op 12 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 6 maart 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Koop-van Vliet van 6 maart 2026 met bijlage.
1.2
Het verzoek is op zitting behandeld op 11 maart 2026. Bij die behandeling zijn verschenen de man met advocaat mr. P.F.M. Gulickx, waarnemend voor mr. Marijnissen. Tevens zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Ook was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. De rechtbank heeft van [minderjarige] twee briefjes ontvangen. Van één van deze brieven is de inhoud geheim. Van het andere briefje niet. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] in dat ene briefje heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.3.
In het kader van een bij deze rechtbank lopende procedure over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hebben partijen een UHA-traject doorlopen. Uiteindelijk heeft deze rechtbank bij beschikking van 9 november 2022 de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals opgenomen in het ouderschapsplan dat is gehecht aan de beschikking van deze rechtbank van 28 augustus 2019, gewijzigd, in die zin dat de door partijen overeengekomen contactregeling tussen de man en [minderjarige] heeft te gelden, te weten:
- [minderjarige] verblijft om de week van donderdag uit school tot maandagochtend voor school bij de man. Daarnaast heeft [minderjarige] op donderdag zwemles en ook hier zorgt de man voor;
- de vakanties en feestdagen worden verdeeld overeenkomstig de aangehechte en de door de griffier gewaarmerkte regeling vakantie- en feestdagen, die deel uitmaakt van die beschikking.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
Dat een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld waarbij [minderjarige] week op week af bij de man verblijft, waarbij de man de ene week van maandag tot en met maandag omgang heeft met [minderjarige] , waarbij de man [minderjarige] de ene week op maandag naar school brengt en de vrouw diezelfde maandag [minderjarige] uit school ophaalt en de vrouw de andere week van maandag tot en met maandag omgang heeft met [minderjarige] , waarbij de vrouw [minderjarige] de andere week op maandag naar school brengt en de man diezelfde maandag het kind uit school ophaalt, alsmede:
Subsidiair:
Dat een uitbreiding van de zorgregeling wordt vastgesteld tussen de man en [minderjarige] , door de rechtbank in goede justitie nader te bepalen.
Een en ander kosten rechtens.
3.2
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans deze verzoeken af te wijzen, althans een zorgregeling vast te stellen zoals de rechtbank juist en redelijk acht.

4.De beoordeling

4.1
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.
Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen, indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.2
De man is van mening dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Als voornaamste gewijzigde omstandigheid noemt de man, dat [minderjarige] naar hem toe al lange tijd aangeeft meer tijd bij hem te willen doorbrengen. Ook zijn verhuizing vanuit [woonplaats 2] naar [woonplaats 1] , alwaar [minderjarige] in de nieuwe woning en eigen slaapkamer heeft, acht de man een relevante gewijzigde omstandigheid. Naar de mening van de vrouw is in de door de man aangehaalde verhuizing geen relevante gewijzigde omstandigheid. Evenmin ziet de vrouw in de stelling van de man dat [minderjarige] bij hem te kennen zou geven meer tijd bij zijn vader te willen doorbrengen geen relevante gewijzigde omstandigheid, nu [minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit.
4.3.
De rechtbank oordeelt op grond van de stukken, in het bijzonder op grond van de ingekomen briefjes van [minderjarige] , en op grond van het verhandelde tijdens de zitting, dat er sprake is van een relevante gewijzigde omstandigheid omdat er door [minderjarige] wisselende verklaringen zijn afgelegd over wat voor een zorgregeling hij zou willen. De rechtbank oordeelt dat dit een relevante gewijzigde omstandigheid is, zodat de man in zijn verzoek tot wijziging van de zorgregeling kan worden ontvangen.
4.4
De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven. Gebleken is echter dat partijen over de zorgregeling verdeeld zijn gebleven.
4.5
De man blijft van mening dat het in het belang van [minderjarige] is om een co-ouderschapsregeling vast te stellen zodat [minderjarige] meer tijd bij zijn vader kan doorbrengen.
Volgens de man heeft [minderjarige] in de afgelopen jaren steeds aangegeven dat hij meer tijd bij zijn vader wil kunnen doorbrengen. De man merkt hierbij op dat wanneer hij vanwege zijn werk niet in staat zal zijn om [minderjarige] naar school te brengen dan wel om hem van school te halen, zijn vriendin of zijn moeder [minderjarige] naar school zal gaan brengen dan wel zal ophalen. [minderjarige] hoeft dan niet naar de buitenschoolse opvang te gaan.
4.6
De vrouw blijft bij een handhaving van de huidige regeling. Omdat de communicatie tussen partijen stroef blijft verlopen en partijen er beiden te zeer verschillende opvoedstijlen op nahouden, acht de vrouw een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] .
Naar de mening van de vrouw wil [minderjarige] zelf ook een handhaving van de huidige regeling. Volgens de vrouw ging het door alle spanningen rondom het contact van de ouders niet zo goed met [minderjarige] (driftbuien, spullen gooien, willen slaan). De vrouw wilde hiervoor via de huisarts een hulpverlener inschakelen, echter heeft de man toen laten weten daarvoor geen toestemming te zullen verlenen. De man ziet/zag het probleem niet. Uiteindelijk heeft de rechtbank bij beschikking van 23 juli 2025 een verzoek van de vrouw voor vervangende toestemming hiervoor afgewezen omdat het verzoek (op dat moment) onvoldoende concreet en onderbouwd was.
Recent is [minderjarige] gediagnosticeerd met zware dyslexie. In de afgelopen periode heeft de vrouw zich actief ingezet om passende ondersteuning voor [minderjarige] te organiseren en onderhoudt zij nauw contact met school. Volgens de vrouw biedt de man de voor [minderjarige] noodzakelijke ondersteuning (specifiek huiswerk) onvoldoende. Daarbij laat [minderjarige] nog geregeld driftbuien zien. Naar de mening van de vrouw zal een co-ouderschapsregeling extra belasting en onrust met zich gaan brengen, hetgeen de continuïteit en begeleiding en de noodzakelijke structuur van [minderjarige] niet ten goede zal komen. De vrouw acht het logisch dat [minderjarige] loyaal is naar beide ouders maar acht dat geen aanleiding om de zorgregeling te gaan wijzigen. Hierbij komt volgens de vrouw dat de man is verhuisd, waardoor de afstand tussen het adres van de school en de woning van de man 15 km is geworden. De door de man verzochte co-ouderschapsregeling zal daardoor extra reisbewegingen gaan betekenen voor [minderjarige] . De vrouw acht dat niet in het belang van [minderjarige] .
4.7
De man betwist de verwijten van de vrouw. Naar de mening van de man voedt hij [minderjarige] , meer dan de vrouw, heel consequent en consistent op. De man erkent dat de communicatie tussen partijen beter kan maar deze loopt wel naar behoren. De man erkent ook dat [minderjarige] dyslexie heeft maar niet in zo hevige mate als de vrouw doet veronderstellen. De door de vrouw geschetste geregelde driftbuien van [minderjarige] herkent de man niet. Volgens de man is daar in het kader van de vorig jaar door partijen gevoerde procedure door een objectieve derde nog naar gekeken maar deze waren toen niet aan de orde. Naar de mening van de man vergroot de vrouw vele zaken te zeer uit. Op school doet [minderjarige] het goed. De man stelt de verzochte zorgregeling goed te kunnen blijven combineren met zijn werk.
4.8
De Raad stelt vast dat er destijds veel tijd en energie is gestoken om tot de huidige zorgregeling te komen en dat deze naar behoren verloopt. De Raad stelt voorts vast dat over de door de door de man gewenste uitbreiding van de zorgregeling door partijen geen overeenstemming kan worden bereikt. Dat zo zijnde acht de Raad de handhaving van de huidige zorgregeling in beginsel het meest in het belang van de minderjarige.
4.9
De rechtbank kan de Raad volgen in diens stelling dat de huidige zorgregeling destijds niet zonder slag of stoot tot stand is gekomen en dat bij gebreke van overeenstemming tussen partijen in beginsel terughoudend moet worden omgegaan met een wijziging daarvan. Echter blijft het voor de rechtbank onduidelijk wat [minderjarige] nu daadwerkelijk wil. Van daaruit bezien acht de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd om in deze weloverwogen een beslissing te kunnen nemen over welke regeling het belang van [minderjarige] het meest zal dienen. Uit de ter zitting gedane verklaring van de vrouw maakt de rechtbank op dat [minderjarige] zich niet alsnog open zal opstellen voor een kindgesprek. Duidelijk is wel dat in de communicatie tussen partijen niet veel verbetering te verwachten valt en dat [minderjarige] klem zit in de strijd tussen zijn ouders. Dat alles zo zijnde heeft de rechtbank op zitting aan de orde gesteld of de benoeming van een bijzondere curator in deze casus van meerwaarde zou kunnen zijn, zodat zo mogelijk meer duidelijk wordt wat [minderjarige] zelf nu daadwerkelijk wil.
4.1
De man heeft aangegeven dat hij kan instemmen met het benoemen van een bijzondere curator. De vrouw heeft laten weten dat zij geen voorstander is van het benoemen van een bijzondere curator. Gelet op de klemsituatie van [minderjarige] heeft de vrouw er geen vertrouwen in dat die benoeming van meerwaarde zal gaan zijn. De vrouw ziet meer in de komende gesprekjes van [minderjarige] met een vertrouwenspersoon op school. Subsidiair gaat de voorkeur van de vrouw uit naar het instellen van een raadsonderzoek.
4.11
Met de Raad acht de rechtbank een raadsonderzoek een te zwaar middel en komt het haar meer in het belang van [minderjarige] voor, dat hij bij een onafhankelijk professional – een bijzondere curator – in elk geval zijn gevoelens en emoties zal kunnen uiten om uit zijn klempositie te kunnen komen en om van daaruit zo mogelijk een beeld te kunnen verkrijgen van wat [minderjarige] nu eigenlijk wil.
Ofwel meer concreet: moet de huidige zorgregeling in zijn belang gehandhaafd blijven of is er ruimte voor een uitbreiding naar zijn vader? Weliswaar kunnen de komende gesprekjes van [minderjarige] met een vertrouwenspersoon op school eveneens helpend zijn om [minderjarige] meer uit zijn klempositie te halen, echter blijft die informatie geheim zodat daar in het kader van deze procedure geen bruikbare informatie uit kan worden opgehaald.
4.12
Artikel 1:250 BW Pro bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige terzake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
4.13
Gebleken is dat zich in deze procedure met betrekking tot de minderjarige een belangenstrijd in de zin van voormeld artikel voordoet, welke strijd zich toespitst op
de zorg- en contactregeling van de minderjarige met de vader.
De ouders blijken niet in staat om onderling een overeenstemming daarover te bereiken, daarbij rekening houdend met de (daadwerkelijke) wensen van de minderjarige, zodat er sprake is van een strijd tussen het belang van de ouders en het belang van de minderjarige.
4.14
De rechtbank acht het dan ook in het belang van de minderjarige dat een bijzondere curator zijn belangen behartigt en dat deze kan bezien in hoeverre een wijziging van de zorg- en contactregeling in het belang van de minderjarige moet worden geacht.
4.15
Daarnaast acht de rechtbank het geraden dat de bijzondere curator adviseert over de ontwikkelperspectieven, die in het belang van de minderjarige zijn met het oog op [minderjarige] zijn toekomst.
4.16
Mr. E.M.G. van Nuenen, advocaat en mediator, kantoorhoudende te Hilvarenbeek, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door de rechtbank worden benoemd. Voor de duur van de procedure (in eerste aanleg) dient de bijzondere curator de belangen van de minderjarige te behartigen.
4.17
De bijzondere curator dient te onderzoeken
- of het belang van de minderjarige gediend is met een wijziging van de zorgregeling met zijn vader;
- hoe de communicatie tussen de ouders verloopt en indien deze voor verbetering vatbaar is, op welke wijze dit kan worden bewerkstelligd;
- indien sprake is van een slechte communicatie, welk effect dit heeft op de minderjarige;
- wat de werkelijke wensen en behoeften zijn van de minderjarige rondom de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en of het verzoek van de vader op dit onderdeel in het belang zijn te achten van de minderjarige.
4.18
Voorts kan de bijzondere curator in kaart brengen wat de minderjarige nodig heeft om uit het loyaliteitsconflict, waarin hij kennelijk verkeert, te komen en om niet langer last te hebben van de onderlinge strijd, waarin de ouders verkeren.
4.19
Indien de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet dan staat het haar eveneens vrij een advies uit te brengen over de benodigde hulpverlening ten behoeve van de minderjarige.
4.2
Ook dient de bijzondere curator te onderzoeken of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort.
4.21
Indien de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, kan zij de minderjarige in rechte vertegenwoordigen en met betrekking tot het verzoek een advies aan de rechtbank uitbrengen in de vorm van een verslag van bevindingen. Desgewenst kan de bijzondere curator als vertegenwoordiger van de minderjarige een zelfstandig verzoek indienen.
4.22
De bijzondere curator wordt verzocht gesprekken te voeren met
de minderjarige, de moeder en de vader individueel en bij voorkeur ook met de ouders gezamenlijk ofwel de ouder(s) en de minderjarige gezamenlijk. Daarnaast verzoekt de rechtbank de bijzondere curator een gesprek te voeren met de partner van de vader.
4.23
Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen, die informatie over de minderjarige kunnen verschaffen.
4.24
De rechtbank wijst de ouders erop dat zij de verplichting hebben aan de door de bijzondere curator te geven instructies gevolg te geven.
4.25
Verder verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek in acht te nemen.
4.26
Dit brengt mee dat als volgt wordt beslist. Daarbij behoudt de rechtbank zich iedere verdere beslissing voor.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
benoemt – met inachtneming van het hiervoor overwogene – over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017,
tot bijzondere curator:
mr. E.M.G. van Nuenen, advocaat en mediator, kantoorhoudende te Hilvarenbeek;
4.2
verzoekt de bijzondere curator binnen acht weken na heden aan de rechtbank schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen;
4.3
houdt de zaak aan tot
dinsdag 26 mei 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van voornoemd verslag;
4.4
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2026, in tegenwoordigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.