ECLI:NL:RBZWB:2026:3369

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
11477000 \ CV EXPL 25-78
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Graaf
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 137 RvArt. 111 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering en afwijzing tegenvordering in samenwerkingsovereenkomst beheer kerk

Partijen sloten in januari 2023 een samenwerkingsovereenkomst voor het beheer en de verhuur van een kerk. De samenwerking stopte na drie maanden vanwege ziekte van gedaagde. Eiser stuurde een factuur voor werkzaamheden, waarop gedaagde een tegenvordering stelde en betaling weigerde.

Na overleg en vaststellingsovereenkomst in juni 2024 werd een nieuwe factuur van € 3.206,50 verzonden, die gedaagde niet betaalde. Eiser vorderde betaling van dit bedrag plus incassokosten en rente. Gedaagde stelde dat de factuur onjuist was en dat eiser rechtstreeks zaken deed met de stichting.

De rechtbank oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst bindend is en gedaagde gehouden is tot betaling. De tegenvordering werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs en onvoldoende onderbouwing. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 3.206,50 met rente en incassokosten, tegenvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11477000 \ CV EXPL 25-78
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[B.V.],
gevestigd te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [B.V.] ,
gemachtigde: mr. J.P.M. Bakker (Brandmeester Advocaten en Juristen BV),
tegen
[persoon 1] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 april 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie;
- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[B.V.] en [persoon 1] hebben in januari 2023 een samenwerkingsovereenkomst gesloten ten behoeve van het beheer en de verhuur van de [kerk] in [plaats] (hierna: de kerk). Onderdeel van de afspraken was dat [persoon 1] vanuit zijn onderneming de administratie zou voeren en dat [B.V.] voor haar werkzaamheden aan [persoon 1] zou factureren. De administratie verliep via een boekhoudsysteem waartoe beide partijen toegang hadden.
2.2.
De samenwerking is in maart 2023 gestart. Omstreeks juni 2023 is [persoon 1] wegens ziekte uitgevallen. De samenwerking tussen partijen is na die eerste drie maanden gestopt.
2.3.
Op 12 september 2023 heeft [B.V.] over de eerste maanden van de samenwerking een factuur aan [persoon 1] gestuurd voor een bedrag van € 3.993,00, incl. btw.
2.4.
Op 11 maart 2024 heeft de accountant van [persoon 1] , de heer [de accountant] werkzaam bij [bedrijf 2] , gereageerd op de diverse aanmaningen tot betaling van de factuur van 12 september 2023. Hij meldt in zijn e-mail dat [persoon 1] nog een tegenvordering heeft van € 326,00 en dat [B.V.] haar werkzaamheden in de periode juni-september 2023, toen [persoon 1] ziek was, rechtstreeks via haar eigen onderneming heeft gefactureerd, waardoor de grondslag van de nota van [B.V.] niet klopt.
2.5.
Op 21 juni 2024 heeft een overleg tussen partijen plaatsgevonden. [de accountant] en [persoon 2] van [bedrijf 2] waren bij dit gesprek aanwezig. Partijen hebben tijdens dit overleg afspraken gemaakt. Per e-mail van 21 juni 2024 heeft [de accountant] de gemaakte afspraken aan beide partijen bevestigd. In de e-mail staat het volgende:
‘Wat er afgesproken is:
  • De huidige factuur van € 3.300 ex BTW wordt gecrediteerd en tevens afgemeld bij de deurwaarder.
  • Er zal vanuit [B.V.] Productions een nieuwe factuur worden gestuurd, ten hoogte van 50% van het resultaat over 2023, zijnde € 2.659,42 (ex BTW)
  • Henk zorgt voor spoedige betaling van deze factuur.
  • Er zullen geen nieuwe facturen meer verzonden worden vanuit [bedrijf 2] m.b.t. de afwikkeling van het Commercieel Beheer. De gemaakte uren van zowel Melvin als mijzelf worden niet doorberekend. Het gesprek van zojuist is ook voor onze rekening.’
2.6.
[B.V.] heeft na dit gesprek de factuur van 12 september 2023 gecrediteerd en heeft op 28 juni 2024 een nieuwe factuur met factuurnummer 20244209 ter hoogte van € 3.206,50 incl. btw (€ 2.650,00 excl. btw) aan [persoon 1] toegestuurd. De factuur heeft een betalingstermijn van zeven dagen.
2.7.
Op 9 juli 2024 heeft [B.V.] [persoon 1] gesommeerd tot betaling van de nieuwe factuur. [persoon 1] heeft met een e-mail 10 juli 2024 hierop gereageerd met de mededeling dat de factuur nog niet was ontvangen, maar dat hij nu is doorgestuurd met de opdracht “
om deze aan u uit te betalen” en “
de betaling zal binnen 30 dagen op u rekening staan”. [persoon 1] heeft de factuur echter onbetaald gelaten.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[B.V.] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [persoon 1] te veroordelen tot betaling van:
I. een bedrag van € 3.206,50, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de vervaldatum van de factuur, althans, vanaf de dag der dagvaarding,
II. een bedrag van € 445,65 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de vervaldatum van de factuur, althans, vanaf de dag der dagvaarding,
III. de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan.
3.2.
[B.V.] legt aan zijn vordering ten grondslag dat partijen op 21 juni 2024 een (betalings-) afspraak hebben gemaakt voor een bedrag van € 3.206,50 incl. btw en dat [persoon 1] deze afspraak moet nakomen.
3.3.
[persoon 1] voert verweer. [persoon 1] vindt dat de vordering van [B.V.] moet worden afgewezen, met veroordeling van [B.V.] in de proceskosten. Volgens [persoon 1] is de factuur van [B.V.] onjuist, omdat de beoogde samenwerking tussen partijen nooit formeel is vastgelegd, zodat [B.V.] rechtstreeks zaken heeft gedaan met de Stichting [kerk] (hierna: de stichting). [persoon 1] heeft de facturen van [B.V.] voor verrichte werkzaamheden voldaan en is niet gehouden om deze factuur te voldoen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
3.5.
[persoon 1] vordert, ingeval [B.V.] bij haar standpunt blijft, samengevat, bij vonnis, [B.V.] te veroordelen tot betaling van:
I. achtergehouden cateringgelden ad. € 326,00,
II. inkomsten van de verhuur (minimaal zeven keer) die [B.V.] heeft ontvangen en niet via commercieel beheer zijn verwerkt,
III. acht intakegesprekken die door commercieel beheer zijn gedaan toen dit nog onder de onderneming van [persoon 1] viel,
IV. financiële schade die het commercieel beheer heeft geleden door het niet op de juiste wijze verwerken van de administratie,
V. de proceskosten.
3.6.
[persoon 1] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Volgens [persoon 1] heeft [B.V.] tijdens de periode van de samenwerking inkomsten ontvangen die niet in de gezamenlijke administratie zijn verwerkt. Hierdoor heeft [persoon 1] schade geleden. Het zou in totaal gaan om een bedrag van € 3.554,77 aan ‘achtergehouden gelden’.
3.7.
[B.V.] voert verweer. [B.V.] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , met veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure. [B.V.] voert daartoe onder meer aan dat de eis in reconventie niet voldoet aan de vereisten van art. 137 jo Pro art. 111 lid 3 Rv Pro. Het is niet duidelijk wat de (grondslag van de) voorwaardelijke reconventionele vordering is. [B.V.] is daardoor onredelijk in haar belangen geschaad. Daarnaast heeft [B.V.] , behalve de vordering van de cateringgelden (die hij betwist), nog nooit van de vorderingen gehoord. Zij betwist dat zij de door [persoon 1] genoemde bedragen heeft ontvangen. [B.V.] is ook nooit aangemaand tot betaling van de bedragen en een factuur met betalingstermijn ontbreekt. [B.V.] is dan ook niet in verzuim.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Het verweer van [persoon 1] dat de beoogde samenwerking tussen partijen nooit formeel is vastgelegd en dat [B.V.] rechtstreeks zaken heeft gedaan met de stichting, slaagt niet. Vast staat dat partijen op basis van mondelinge afspraken hebben samengewerkt om invulling te geven aan het commerciële beheer van de kerk. Zij hebben dat gedurende drie maanden ook daadwerkelijk gedaan. [persoon 1] heeft niet weersproken dat onderdeel van die afspraken was dat beide partijen het te behalen resultaat bij helfte zouden verdelen. Nadat tussen partijen een geschil was ontstaan over de berekening van het aan [B.V.] toekomende deel van dit resultaat (zoals door hem in rekening gebracht bij factuur van 12 september 2023), zijn partijen, bijgestaan door de accountants van [persoon 1] , met elkaar in overleg getreden. Daarbij hebben zij afspraken gemaakt, die in de e-mail van21 juni 2024 zijn vastgelegd. Die afspraken zijn aan te merken als een vaststellingsovereenkomst. Partijen hebben immers duidelijke afspraken gemaakt ter beëindiging van hun geschil over de verdeling van het resultaat van de samenwerking. Hetgeen [persoon 1] nu aanvoert over de verdeling van het resultaat en de berekening daarvan, was bij hem al bekend op het moment dat deze afspraken werden gemaakt. Dit vormt dan ook geen reden om terug te komen op de gemaakte (betalings)afspraak. Andere redenen waarom hij niet aan die afspraak gebonden zou zijn, heeft hij niet aangevoerd. Ingevolge de vaststellingsovereenkomst is [persoon 1] daarom gehouden om de factuur van [B.V.] van 28 juni 2024 ter hoogte van € 3.206,50 incl. btw (€ 2.650,00 excl. btw) te voldoen. Uit de e-mail van 10 juli 2024 blijkt dat [persoon 1] dit ook heeft erkend.
4.2.
De vordering van [B.V.] om [persoon 1] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.206,50 zal dan ook worden toegewezen.
4.3.
De gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsom van € 3.206,50 wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Kosten
4.4.
[B.V.] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [B.V.] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [B.V.] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 445,65 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
4.5.
[persoon 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [B.V.] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,54
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.260,04
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
4.7.
De voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld is vervuld, zodat de kantonrechter toekomt aan de beoordeling daarvan.
4.8.
Wat betreft het door [persoon 1] gevorderde bedrag van € 326,00 overweegt de kantonrechter het volgende. [persoon 1] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling erkend dat hij zich al voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op het standpunt stelde dat [B.V.] voor dit bedrag cateringgelden had achtergehouden. Dit was toen al een discussiepunt tussen partijen. Met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen ook dit discussiepunt beslecht. Ook hiervoor geldt dus dat [persoon 1] daar nu niet meer op terug kan komen. Om die reden wordt de vordering tot betaling van dit bedrag afgewezen.
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat [persoon 1] voor het overige onvoldoende heeft onderbouwd dat [B.V.] nog een of meerdere bedragen aan [persoon 1] verschuldigd is. [persoon 1] heeft in een bijlage bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in (voorwaardelijke) reconventie, een overzicht overgelegd van de bruto winst van verhuringen in de periode 4 augustus – 15 september 2023 en van acht intakegesprekken. Volgens [persoon 1] heeft [B.V.] in verband hiermee een bedrag van € 3.228,77 aan inkomsten achtergehouden, maar [B.V.] heeft dit gemotiveerd weersproken. Daarbij heeft [B.V.] aangevoerd dat de stichting in de betreffende periode zelf nota’s heeft verstuurd en dat [B.V.] dat pas vanaf 2024 is gaan doen. In de betreffende periode kon [B.V.] volgens haar ook geen facturen sturen, omdat alleen [persoon 1] toegang had tot het administratiesysteem. [persoon 1] heeft een en ander niet (deugdelijk) weersproken en ook niet concreet toegelicht waaruit kan worden afgeleid dat de betreffende bedragen door [B.V.] zijn ontvangen. Hij heeft op dat punt ook geen bewijs aangeboden. De kantonrechter gaat daarom aan zijn stellingen op dit punt voorbij.
4.10.
Dit geldt ook voor de stelling van [persoon 1] dat hij schade heeft door het niet op de juiste wijze verwerken van de administratie. Voor zover [persoon 1] daarmee op iets anders doelt dan de verwerking van de hiervoor genoemde bedragen geldt dat hij niet heeft toegelicht welke schade het betreft. Voor zover het de zelfde bedragen betreft, verwijst de kantonrechter naar hetgeen daarover hiervoor is overwogen.
4.11.
De vordering van [persoon 1] zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
4.12.
Gezien deze beslissing komt de kantonrechter niet toe aan het verweer van [B.V.] dat zij onredelijk is haar belangen is geschaad door de onduidelijke tegenvordering van [persoon 1] .
Kosten
4.13.
[persoon 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [B.V.] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
87,00
(2 punten × factor 0,5 × € 87,00)
Totaal
87,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [persoon 1] om aan [B.V.] te betalen een bedrag van € 3.206,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [persoon 1] om aan [B.V.] te betalen een bedrag van € 445,65 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 1.260,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van [persoon 1] af,
5.5.
veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 87,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.6.
veroordeelt [persoon 1] tot betaling van de kosten van betekening als [persoon 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt [persoon 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af
Dit vonnis is gewezen door mr. De Graaf en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2025.