ECLI:NL:RBZWB:2026:3355

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/446007 / JE RK 26-434
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2016. De minderjarige woont bij zijn vader en heeft geen contact met zijn moeder vanwege traumatische gebeurtenissen en emotionele onbalans.

Tijdens de zitting op 24 maart 2026 waren de ouders en vertegenwoordigers van de GI aanwezig. De minderjarige is niet gehoord. De GI stelt dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden om de opvoedsituatie bij de vader te stabiliseren, de minderjarige te laten werken aan verwerking van trauma’s en sociaal-emotionele groei, en toe te werken naar vrijwillige hulpverlening en een eenhoofdig gezag van de vader.

De vader en moeder stemmen in met de verlenging, hoewel de vader geen verdere hulpverlening wenst en de minderjarige niet openstaat voor traumabehandeling. De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 29 december 2027 en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 29 december 2027 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446007 / JE RK 26-434
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Daarnaast was tijdens de zitting, met bijzondere toestemming van de kinderrechter, als toehoorder aanwezig mw. [toehoorder] , ambulant begeleider van SIEM voor de vader.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 29 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek, samengevat, het volgende aangevoerd. [minderjarige] heeft ambivalente gevoelens over het contact met de moeder. Dit is te verklaren vanuit eerdere ingrijpende gebeurtenissen en doordat de moeder onvoldoende emotioneel op [minderjarige] kan afstemmen, maar tegelijkertijd ook de loyaliteit vanuit [minderjarige] richting de moeder. Op dit moment wordt het nog steeds als passend gezien dat er geen contact is tussen hen. De moeder heeft zich daar met veel verdriet bij neergelegd. Voor nu wordt door de GI niet gewerkt aan contactherstel. De opvoedsituatie bij de vader dient eerst te stabiliseren, [minderjarige] moet de gebeurtenissen uit het verleden met betrekking tot zijn moeder gaan verwerken en hij moet sociaal-emotioneel sterker worden. Hulpverlening moet inzichtelijk maken wat [minderjarige] en de vader nodig hebben. Als [minderjarige] niet aan zijn trauma’s gaat werken blijft hij daar last van hebben en zal zijn ontwikkeling ook op andere gebieden stagneren. Hij staat echter niet open voor traumabehandeling en ook de vader ziet de noodzaak daar niet van in. Positief is wel dat [minderjarige] sinds februari 2026 naar [begeleiding] gaat. Een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van negen maanden wordt passend geacht om toe te werken naar hulpverlening in het vrijwillig kader, eenhoofdig gezag van de vader, wijziging van de huidige zorgregeling en een goed borgingsplan. De hoop is dat als de ondertoezichtstelling eindigt, alles soepeler gaat lopen.
4.2.
De vader heeft naar voren gebracht dat als een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig is, hij daar mee kan leven. [minderjarige] heeft meer rust nu hij op een goede school zit, maar heeft nog wel moeite met vertrouwen. Hij weet dat hij altijd met de moeder mag bellen.
4.3.
De moeder heeft naar voren gebracht dat een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig is. Zij heeft zich er met pijn in haar hart bij neergelegd dat er nu geen contact is tussen haar en [minderjarige] . Zij wordt wel betrokken bij wat zaken. Zo heeft zij contact met school, dat vindt zij belangrijk.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Hij heeft geen contact meer met de moeder en heeft hieromtrent gemengde gevoelens. Hij heeft last van de traumatische gebeurtenissen uit het verleden, maar tegelijkertijd is hij ook loyaal richting de moeder waardoor hij gevoelens van gemis heeft. De kinderrechter is het met de GI eens dat op dit moment contactherstel op zijn beloop moet worden gelaten. Contactherstel is nu helaas niet aan de orde en de moeder heeft hier met veel verdriet in berust. Voor nu moet eerst worden ingezet op stabilisatie van de opvoedsituatie bij de vader en moet [minderjarige] de gebeurtenissen uit het verleden gaan verwerken en het vertrouwen in mensen terugkrijgen. Relevant is ook dat hij op sociaal- en emotioneel gebied nog moet groeien. Het is niet duidelijk wat hij en de vader hierin nog nodig hebben en er is dus ook nog geen hulpverlening ingezet. De vader wil echter geen verdere hulpverlening meer en [minderjarige] wil geen traumabehandeling. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan daarom niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] dan ook verlengen voor de duur van negen maanden. De bedoeling van de GI is ook om in deze periode toe te werken naar een afsluiting van de ondertoezichtstelling en een overdracht naar het vrijwillig kader te realiseren.
5.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 29 maart 2026 tot 29 december 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.