Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3349

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
446229 en 446230
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen wegens noodzakelijke zorg

De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming West Zeeland (GI) tot verlenging van spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen, [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De kinderen zijn sinds juni 2025 onder toezicht gesteld en reeds uit huis geplaatst vanwege onhoudbare thuissituaties en de psychosomatische en psychische klachten van de moeder.

De kinderrechter heeft op 19 maart 2026 reeds spoedmachtigingen verleend voor uithuisplaatsing van de kinderen in passende voorzieningen. Tijdens een zitting op 24 maart 2026 zijn de moeder, de GI en de kinderen gehoord, waarbij de kinderen hun wensen en gevoelens over de situatie hebben gedeeld. De moeder erkent de noodzaak van de uithuisplaatsing en werkt aan haar herstel via opname en medicatie.

De kinderrechter constateert dat er geen nieuwe feiten zijn die aanleiding geven tot herroeping van de eerdere beschikking en acht de verlenging van de machtigingen noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De GI wordt opgedragen de contactmomenten tussen moeder en kinderen zorgvuldig vorm te geven en passende hulpverlening te onderzoeken en in te zetten.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de uithuisplaatsing direct kan worden gehandhaafd, ook bij hoger beroep. De beslissing is op 24 maart 2026 genomen en op 30 maart 2026 schriftelijk vastgelegd.

Uitkomst: De spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen worden verlengd tot 17 juni 2026 met directe uitvoerbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers:
C/02/446229 / JE RK 26-477 (spoedmachtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 1] )
C/02/446230 / JE RK 26-478 (spoedmachtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 2] en [minderjarige 3] )
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedag 3] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. S.X. Scholten.

1.Het nadere verloop van de procedure

In de zaak C/02/446229 / JE RK 26-477 en C/02/446230 / JE RK 26-478
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 19 maart 2026 en alle daarin genoemde en opgenomen stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben via Teams en [minderjarige 1] op de rechtbank een gesprek met de kinderrechter gevoerd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
Bij beschikking van 17 juni 2025 van deze rechtbank zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 juni 2025 en tot 17 juni 2026. Tevens is bij diezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 17 juni 2025 en tot 17 december 2025.
2.3.
Bij beschikking van 4 december 2025 van deze rechtbank is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 december 2025 en tot 17 juni 2026.
2.4.
Bij beschikking van 19 maart 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en aansluitend, zodra beschikbaar, in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 19 maart 2026 en tot 2 april 2026 onder aanhouding van het overige deel van het verzoek. Daarnaast heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verleend in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 19 maart 2026 tot 2 april 2026 onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
2.5.
Op grond daarvan verblijft [minderjarige 1] bij [accommodatie] in [plaats 1] en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij het gezinshuis [gezinshuis 1] in [plaats 2] .

3.De verzoeken

In de zaak C/02/446229 / JE RK 26-477
3.1.
De GI verzoekt met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
Tevens verzoekt de GI een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige 1] aansluitend uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening, voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.3.
De GI verzoekt hierbij de beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
3.4.
Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven voor herroeping van de beschikking van 19 maart 2026 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van het verzoek van de GI om voor [minderjarige 1] een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en aansluitend, zodra beschikbaar, in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling (naar de kinderrechter begrijpt: tot 17 juni 2026).
In de zaak C/02/446230 / JE RK 26-478
3.5.
De GI verzoekt met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in, zoals de kinderrechter heeft begrepen naar aanleiding van telefonisch contact met de jeugdbeschermer, een gezinsgerichte voorziening, voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.6.
De GI verzoekt hierbij de beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
3.7.
Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven voor herroeping van de beschikking van 19 maart 2026 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van het verzoek van de GI om voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling (naar de kinderrechter begrijpt: tot 17 juni 2026).

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft de verzoeken. De afgelopen periode is zwaar voor de kinderen geweest, ook de recente verhuizingen. Het doel blijft dat de kinderen terug naar de moeder gaan, maar daarvoor is het eerst nodig dat de moeder aan zichzelf werkt en beter wordt. Hoe en op welke termijn de kinderen terug naar huis kunnen, hangt af van de moeder en haar situatie. Aan de kinderen is ieder op zijn of haar eigen niveau uitgelegd dat het momenteel niet goed met de moeder gaat en dat zij behandeling nodig heeft. De komende periode moet worden gekeken hoe de contacten tussen de moeder en de kinderen vormgegeven kunnen worden. De GI zal met het gezinshuis van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in gesprek gaan over het telefoongebruik. Het is een huisregel dat de kinderen gedurende twee weken geen telefoon mogen gebruiken, maar wellicht is daarin iets mogelijk, zodat zij in ieder geval contact met de moeder kunnen hebben. [minderjarige 1] zal aanstaande vrijdag worden overgeplaatst naar het gezinshuis [gezinshuis 2] . Voor [minderjarige 1] is er begeleiding vanuit [hulpverlening 1] en is er door BTSW onderzoek gedaan. Er is vermoedelijk meer hulpverlening voor de kinderen nodig dan nu ingezet en hier zal de komende periode ook naar worden gekeken. De afgelopen periode is vooral veel aandacht gegaan naar het regelen van de verblijfplaatsen van de kinderen en de directe zorg voor hen. De GI denkt dat hulpverlening gericht op rouw, verlies en verwerking passend voor de kinderen kan zijn. Mogelijk hebben zij ook baat bij een buddy.
4.2.
Door en namens de moeder is aangegeven dat de moeder achter het verzoek staat, hoe lastig en verdrietig de moeder het ook voor de kinderen vindt. Vooral omdat zij al zoveel hebben meegemaakt. Het kan op dit moment niet anders. Het doel van de moeder is dat de kinderen weer bij haar komen wonen, zodra dat kan. Sinds 2024 heeft de moeder al meldingen bij verschillende instanties over de kinderen gedaan om hulp te krijgen, vooral na het overlijden van de vader van de kinderen. De kinderen hebben therapie voor hun trauma en rouwverwerking nodig. Daarnaast heeft de moeder hulp voor zichzelf nodig. Zij kampt met psychosomatische klachten, PTSS en angst- en paniekstoornissen. Sinds februari 2026 is de moeder gestart met IHT bij [hulpverlening 2] . Zij heeft ervoor gekozen om voor twee á drie weken bij [hulpverlening 2] te worden opgenomen om te starten met een hoge dosering van antidepressiva in plaats van een opbouwende dosering vanuit de thuissituatie. Dit zodat zij beter wordt en zo snel mogelijk weer voor de kinderen kan zorgen. Deze opname heeft de moeder al meermaals uitgesteld, omdat er teveel rondom de kinderen speelde en zij niet langer bij de tante konden blijven. Ook kunnen de kinderen niet naar familie van de vader. Verder vindt de moeder de begeleiding van [hulpverlening 3] voor [minderjarige 2] te laagdrempelig en vindt zij het belangrijk dat er een breed onderzoek voor [minderjarige 1] komt. Dit om te kijken of er kindeigenproblematiek speelt.
4.3.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 3] aangegeven dat de verhuizing naar [plaats 2] lastig is en dat zij haar vriendinnen en moeder mist. Het liefst wil [minderjarige 3] met haar zus en broer terug naar de moeder, maar zij begrijpt ook dat haar moeder eerst beter moet worden. [minderjarige 3] vindt het verder lastig dat zij bij het gezinshuis gedurende twee weken geen telefoon mag gebruiken, vooral omdat zij normaal elke dag met de moeder belt. Zij maakt zich zorgen over de moeder en vindt het belangrijk om te weten hoe het met haar gaat. Tot slot geeft [minderjarige 3] aan dat zij graag met [minderjarige 2] samen wil blijven als blijkt dat zij opnieuw ergens anders naartoe moeten.
4.4.
[minderjarige 2] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het niet goed met haar gaat en dat zij het moeilijk heeft. Zij kent niemand in [plaats 2] en heeft er moeite mee dat zij twee weken geen telefoon mag gebruiken. [minderjarige 2] heeft normaal dagelijks contact met haar vriendinnen en dat is een grote steun voor haar. Verder begrijpt [minderjarige 2] dat zij niet langer bij haar tante kon blijven, maar zij voelt zich wel in de steek gelaten door haar familie. [minderjarige 2] wil het liefst zo snel mogelijk terug naar de moeder. Daarvoor is het nodig dat de moeder wordt opgenomen en dat er daarna huishoudelijke hulp komt. Voor de periode dat zij in [plaats 2] is, zou het helpen als zij overdag op haar telefoon mag. [minderjarige 2] vertelt dat zij paniekaanvallen heeft en al langere tijd niet naar school gaat.
4.5.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 1] aangegeven dat hij de vele verhuizingen niet leuk vond en het liefst terug naar de moeder wil. Hij vindt het niet leuk bij [accommodatie] , vooral de andere kinderen die daar zitten vindt [minderjarige 1] niet leuk. [minderjarige 1] is blij dat hij de vrijdag na de zitting naar een gezinshuis in [plaats 1] gaat.

5.De beoordeling

Spoedbeslissingen machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Bij beschikking van 19 maart 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en aansluitend, zodra beschikbaar, in een gezinsgerichte voorziening, verleend en voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 19 maart 2026 tot 2 april 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbende(n). De belanghebbende(n) zijn op 24 maart 2026 gehoord.
5.2.
De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 19 maart 2026 moet worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat uit de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, volgt dat van het voorgaande geen sprake is en dat daarom de spoedbeslissing niet wordt herroepen en daarmee zijn werking dient te behouden.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van de (spoed)verzoeken
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot
onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
De kinderrechter zal het resterende deel van de – onweersproken – (spoed)verzoeken tot het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en aansluitend, zodra beschikbaar, in een gezinsgerichte voorziening en voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening tot het einde van de ondertoezichtstelling toewijzen, te weten tot 17 juni 2026. Zij legt deze beslissing hierna uit.
5.5.
Gebleken is dat de netwerkplaatsing van de kinderen bij hun tante moederszijde niet langer houdbaar was en dat ook oma moederszijde niet langer voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kon zorgen. Om die reden zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met spoed elders geplaatst. [minderjarige 1] bij de crisisgroep [accommodatie] en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij het gezinshuis [gezinshuis 1] in [plaats 2] . De kinderrechter stelt vast dat een terugthuisplaatsing van de kinderen bij de moeder het doel is, maar dat het op dit moment nog niet mogelijk is. Zoals de moeder zelf tijdens de zitting heeft aangegeven, kampt zij met psychosomatische klachten, PTSS en angst- en paniekstoornissen. De moeder wil niets liever dan weer voor de kinderen zorgen en dat zij als gezin samen zijn, maar om dat mogelijk te maken moet zij eerst beter worden. De moeder heeft ervoor gekozen om voor twee á drie weken bij [hulpverlening 2] te worden opgenomen om te starten met een hoge dosering van antidepressiva. De kinderrechter vindt het knap dat de moeder zo gemotiveerd is en ziet dat de moeder in het belang van de kinderen denkt en handelt. Alle drie de kinderen hebben tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij het liefst terug naar de moeder willen, maar dat ook zij begrijpen dat dat nog niet kan en dat de moeder eerst beter moet worden. Tijdens de zitting is verder duidelijk geworden dat [minderjarige 1] op vrijdag 27 maart 2026 naar een passend gezinshuis zal gaan, te weten [gezinshuis 2] in [plaats 1] en dat aan [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de benodigde zorg en veiligheid wordt geboden bij het gezinshuis [gezinshuis 1] . Een alternatief voor de kinderen is op dit moment niet beschikbaar, ook niet in het netwerk van de moeder. Gezien het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zoals verzocht noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
5.6.
De kinderrechter spreekt de hoop uit dat er snel kan worden toegewerkt naar een terugthuisplaatsing van de kinderen bij de moeder. Zolang dat nog niet aan de orde is, vindt zij het van groot belang dat de GI samen met de moeder gaat kijken naar hoe de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen op een fijne manier kunnen worden vormgegeven. Zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 3] hebben aangegeven dat zij graag (telefonisch) contact met de moeder hebben om te horen hoe het met haar gaat. Dat stelt met name [minderjarige 3] gerust. Tijdens de zitting heeft de GI toegezegd om hierover met het gezinshuis in gesprek te gaan. Tot slot vindt de kinderrechter het belangrijk dat de GI in de komende periode gaat onderzoeken welke hulpverlening [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nodig hebben en dat, indien nodig, ook meteen hulpverlening voor hen wordt ingezet.
5.7.
Verder verklaart de kinderrechter de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de kinderen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In de zaak C/02/446229 / JE RK 26-477
6.1.
verlengt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en aansluitend, zodra beschikbaar, in een gezinsgerichte voorziening tot 17 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
In de zaak C/02/446230 / JE RK 26-478
6.3.
verlengt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening tot 17 juni 2026;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 30 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.