Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3346

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/441533 / FA RK 25-5658
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 BWArt. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 810 RvArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning en vaststelling omgangsregeling in familierechtelijke zaak

In deze familierechtelijke zaak verzoekt de man vervangende toestemming voor de erkenning van zijn kind, medeouderschap en een omgangsregeling. De vrouw stemt in met erkenning, maar weigert haar toestemming te geven, waardoor de man de rechtbank verzoekt om vervangende toestemming. De rechtbank oordeelt dat de wettelijke voorwaarden voor vervangende toestemming zijn vervuld en kent deze toe.

De rechtbank stelt vast dat de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking hebben, waardoor de omgangsregeling kan worden vastgesteld. De voorlopige omgangsregeling, waarbij het kind in de even weken van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de man verblijft en in de oneven weken op woensdagmiddag, wordt definitief vastgesteld. De beslissing over het gezamenlijk gezag wordt aangehouden in afwachting van het verloop en resultaat van een zorgtraject (UHA) dat de communicatie en samenwerking tussen de ouders moet verbeteren.

De rechtbank benadrukt het belang van goede communicatie en samenwerking tussen ouders voor het welzijn van het kind en wijst erop dat de omgangsregeling niet in beton is gegoten, zodat aanpassingen mogelijk blijven. De beslissing over de omgang is uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze direct van kracht is. De taak van de bijzondere curator wordt beëindigd, tenzij hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning, stelt de omgangsregeling definitief vast en houdt de beslissing over het gezamenlijk gezag aan in afwachting van het UHA-traject.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/441533 / FA RK 25-5658
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Nadere beschikking over vervangende toestemming erkenning, wijziging ouderlijk gezag en vaststelling omgang
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: voorheen mr. I.P.M.J. Nelemans te Tilburg (onttrokken op 8 december 2025), opgevolgd door mr. J.C. Hissink te Tilburg,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser te Tilburg,
Als belanghebbende in deze zaak ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming erkenning wordt aangemerkt:
de minderjarige
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
vertegenwoordigd door:
mr. N.A. BOELHOUWER, advocaat te Tilburg, als bijzondere curator over [minderjarige] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van deze rechtbank van 23 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • het rapport en advies van 9 februari 2026 van de bijzondere curator;
  • het op 17 februari 2026 ontvangen verweerschrift van de vrouw, met bijlagen.
1.2.
Op 24 februari 2026 heeft de rechtbank de verzoeken in deze zaak, met gesloten deuren, behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en heeft de rechtbank gehoord:
  • de man, bijgestaan door mr. Hissink;
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Leijser;
  • de bijzondere curator;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad.

2.De nadere beoordeling

Inleiding
2.1.
De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde, in deze zaak gegeven beschikking van 23 januari 2026. Hierbij heeft de rechtbank mr. Boelhouwer benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht om een onderzoek in te stellen naar het in deze zaak voorliggende afstammingsverzoek en, naar aanleiding daarvan, schriftelijk te rapporteren en een standpunt over het verzoek in te nemen.
2.2.
Aan de orde zijn de verzoeken van de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
  • hem vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] te verlenen;
  • hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] ;
  • een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] te bepalen, waarbij [minderjarige] in de ene week bij de man verblijft en zij in de andere week bij de vrouw verblijft, met als wisselmoment op zondagavond en waarbij de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft haar naar de andere ouder brengt.
2.3.
Op grond van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank het volgende vast:
  • De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is tijdens deze relatie geboren.
  • Op de geboorteakte van [minderjarige] staat de vrouw als enige ouder vermeld.
  • De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
  • Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 14 november 2025, welke is hersteld bij vonnis van 27 januari 2026, is een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] bepaald op basis waarvan de man en [minderjarige] in de even weken van vrijdag 14.30 uur (uit school) tot maandagochtend alsmede in de oneven weken op woensdagmiddag van 12.30 uur (uit school) tot 17.00 uur contact met elkaar hebben, waarbij de man [minderjarige] naar school brengt. Daarnaast zijn partijen verwezen voor het doorlopen van een zorgtraject in het kader van het uniform hulpaanbod (UHA).
  • De man, de vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en zij wonen en hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland.
De onderbouwing van de verzoeken van de man
2.4.
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De man is de verwekker van [minderjarige] . De relatie van partijen is in juli 2025 geëindigd. Partijen woonden niet samen, maar zij waren wel vrijwel dagelijks samen. De man wil [minderjarige] graag erkennen, maar de vrouw heeft dit lange tijd afgehouden. De man stelt dat de vrouw inmiddels wel kan instemmen met een erkenning door de man van [minderjarige] . Nu de vrouw haar toestemming nog niet daadwerkelijk heeft gegeven, verzoekt de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen. De man verzoekt daarnaast om hem samen met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en wijst in dat verband op het uitgangspunt van de wetgever dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind(eren) uitoefenen. Van contra-indicaties voor gezamenlijk gezag is geen sprake. De man zal zijn medewerking verlenen voor het regelen van gezagszaken en voor het nemen van gezagsbeslissingen die [minderjarige] aangaan, mits er sprake is van overleg tussen partijen en de man dus op een goede manier daarbij betrokken wordt. De voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] waar partijen momenteel uitvoering aan geven, verloopt volgens de man goed. De man herkent het zorgelijke gedrag dat [minderjarige] rondom de omgang zou vertonen, zoals de vrouw heeft aangegeven, echter niet. Om de kans van slagen van het zorgtraject waar partijen in het kader van het UHA naartoe zijn verwijzen zo groot als mogelijk te maken, verzoekt de man om de (definitieve) beslissing in deze zaak over het gezag en de omgang aan te houden in afwachting van het verloop en het resultaat van het UHA-traject.
Het standpunt van de vrouw
2.5.
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vrouw stelt dat de relatie van partijen al eerder is geëindigd, namelijk in oktober 2024. De vrouw heeft de relatie destijds beëindigd, omdat de man negatief bleef spreken over haar tegen [minderjarige] en de andere kinderen uit het gezin. Volgens de vrouw is de man de verwekker van [minderjarige] . Maar de vrouw heeft er geen vertrouwen in dat partijen in staat zullen zijn om de erkenning door de man van [minderjarige] samen te regelen bij de gemeente. Het verzoek van de man om hem vervangende toestemming voor de erkenning te verlenen, ligt wat de vrouw betreft dan ook voor toewijzing gereed. De vrouw voorziet problemen als partijen op dit moment gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] worden belast, omdat zij niet in staat zijn om op een goede manier met elkaar te communiceren en afspraken te maken. De vrouw wil eerst werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking in het kader van het UHA-traject waar partijen naartoe zijn verwezen. Hoewel de omgangsmomenten tussen de man en [minderjarige] momenteel op zichzelf goed verlopen, ziet de vrouw dat de huidige regeling veel van [minderjarige] vraagt en dat zij rondom de omgang soms zorgelijk gedrag vertoont, zoals bedplassen. Daarnaast hebben partijen nog geen afspraken gemaakt over de verdeling van de vakanties en de feestdagen. De vrouw wil daarom in het kader van het UHA-traject verder praten over de vormgeving van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . De vrouw verzoekt daarom, net als de man, om de beslissing over het gezag en de omgang aan te houden in afwachting van het verloop en het resultaat van het UHA-traject.
Het rapport en advies van de bijzondere curator
2.6.
De bijzondere curator heeft in voormeld rapport van 9 februari 2026 en tijdens de zitting, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de man de verwekker van [minderjarige] is, ligt het verzoek tot vervangende toestemming erkenning, naar de mening van de bijzondere curator, voor toewijzing gereed. De bijzondere curator stelt daarnaast dat het haar tijdens het onderzoek dat zij heeft verricht, is opgevallen dat [minderjarige] veel vragen stelt met als gevolg dat zij veel hoort een meekrijgt, ook over de strijd tussen de ouders. Dit zijn volwassenenzaken waarmee [minderjarige] niet moet worden belast.
Het advies van de Raad
2.7.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Nu partijen soms negatieve uitspraken over elkaar doen waardoor [minderjarige] wordt belast, maakt de Raad zich zorgen of partijen voldoende in staat zullen zijn om op een constructieve manier met elkaar te (blijven) communiceren en afspraken te maken over [minderjarige] . De Raad adviseert daarom om eerst te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking alvorens hen te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag. Bovendien moet voorkomen worden, als er nu een definitieve omgangsregeling wordt vastgesteld, dat dit de deur zal sluiten voor nader overleg hierover. De Raad adviseert daarom om de beslissing over het gezag en de omgang aan te houden in afwachting van het verloop en het resultaat van het UHA-traject.
2.8.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
Vervangende toestemming erkenning
2.9.
In artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind dan wel de biologische vader is van het kind die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
2.10.
De rechtbank overweegt, met het oog op de bovengenoemde bepaling alsmede artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 7 van Pro het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het in het belang van een kind moet worden geacht dat het in een familierechtelijke relatie tot zijn of haar biologische ouders staat en dat de juridische situatie in overeenstemming is met de biologische werkelijkheid. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de verwekker van [minderjarige] is. Hoewel de vrouw kan instemmen met een erkenning door de man van [minderjarige] , zijn partijen kennelijk niet in staat om dit gezamenlijk te regelen bij de gemeente. Dit betekent, nu de vrouw weigert om haar toestemming te verlenen aan de man om [minderjarige] te erkennen en deze erkenning samen bij de gemeente te regelen, althans nu gebleken is dat partijen dit tot op heden niet samen hebben geregeld, dat het verzoek van de man om hem, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen, in beginsel moet worden toegewezen, tenzij er sprake is van één of beide in artikel 1:204, lid 3 BW genoemde weigeringsgronden. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is van één of meerdere voornoemde weigeringsgronden.
2.11.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wordt voldaan aan voormelde wettelijke vereisten voor het verlenen van vervangende toestemming aan de man voor erkenning van [minderjarige] . De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek van de man, dat niet is weersproken, daarom op onderstaande wijze toewijzen. Dit betekent niet dat de erkenning door de man van [minderjarige] daarmee tot stand zal komen. De man zal, op het moment dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, oftewel wanneer de termijn voor het instellen van een hoger beroep is verstreken, met deze beschikking naar de gemeente toe moeten gaan om [minderjarige] daadwerkelijk te erkennen.
Beëindiging taak van de bijzondere curator
2.12.
Nu de rechtbank een eindbeslissing zal nemen over voormeld verzoek tot vervangende toestemming erkenning, beschouwt de rechtbank de taak van de bijzondere curator in eerste aanleg als geëindigd. Indien (één van) partijen hoger beroep instelt tegen voormelde beslissing, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
Wijziging ouderlijk gezag
2.13.
In artikel 1:253c BW staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek slechts kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn of haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.14.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt van de wetgever heeft te gelden dat ouders, na het verbreken van hun relatie, gezamenlijk het gezag over hun (kind)eren (blijven) uitoefenen en dat er wat dat betreft sprake is van gelijkwaardig ouderschap, tenzij sprake is van een of meerdere in voormeld artikel genoemde contra-indicaties. Gebleken is dat de onderlinge oudercommunicatie en samenwerking verbetering behoeft en dat partijen soms negatieve uitspraken over elkaar doen, waardoor [minderjarige] wordt belast. De rechtbank vindt het daarom belangrijk dat partijen met elkaar in gesprek zullen gaan en dat zij afspraken zullen maken over de manier waarop zij samen invulling zullen gaan geven aan het gezamenlijk ouderlijk gezag. Zo dienen zij afspraken te maken over de manier waarop en met welke frequentie zij met elkaar zullen communiceren, en hoe zij elkaar kunnen bereiken in spoedeisende situaties. Daarnaast dienen zij afspraken te maken over de manier waarop zij belangrijke (gezags)zaken zullen regelen en zij (gezags)beslissingen zullen nemen. Nu partijen hierover met elkaar in gesprek zullen gaan onder professionele begeleiding in het kader van het UHA-traject, zal de rechtbank, overeenkomstig de standpunten van beide partijen, de beslissing over het gezag aanhouden in afwachting van het verloop en het resultaat van voormeld traject. In voormeld vonnis in kort geding is het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio Midden-Brabant (hierna te noemen: het loket) verzocht om uiterlijk op 28 april 2026 pro forma rapport en advies uit te brengen. De rechtbank zal de beslissing in deze zaak daarom aanhouden tot genoemde pro forma datum, met dien verstande dat deze termijn naar verwachting op verzoek van het loket zal worden verlengd nu het traject nog niet is gestart en vervolgens enige tijd in beslag zal nemen.
2.15.
Een andere reden om de beslissing over het gezamenlijk ouderlijk gezag aan te houden is dat de man [minderjarige] eerst zal moeten erkennen alvorens hij mede met het ouderlijk gezag over haar kan worden belast. Enkel een juridisch ouder van een kind kan namelijk op basis van voormeld artikel mede worden belast met het ouderlijk gezag.
Vaststelling omgang
2.16.
In artikel 1:377a, eerste lid BW staat dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft bovendien het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van het tweede lid van voormeld artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
2.17.
Zolang de man [minderjarige] nog niet daadwerkelijk heeft erkend, is hij geen juridisch ouder van [minderjarige] als bedoeld in voormeld artikel. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of de man en [minderjarige] in een nauwe en persoonlijke betrekking tot elkaar staan. De man is de biologische vader van [minderjarige] en zij hebben momenteel eenmaal per twee weken in het weekend en in de andere week op woensdag omgang met elkaar. [minderjarige] is geboren uit de relatie van partijen en deze relatie heeft tot 2024/2025 geduurd. De rechtbank neemt daarbij als onweersproken aan dat partijen en [minderjarige] in de periode vanaf de geboorte van [minderjarige] tot het moment dat de relatie van partijen is beëindigd, vrijwel dagelijks contact met elkaar hebben gehad. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de man en [minderjarige] in een nauwe en persoonlijke betrekking tot elkaar staan. Dit betekent dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot vaststelling omgang.
2.18.
Door en namens beide partijen is verzocht om de definitieve beslissing over de vaststelling van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] aan te houden in afwachting van het verloop en het resultaat van het UHA-traject. De rechtbank ziet echter aanleiding om de voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] waar partijen momenteel uitvoering aan geven, vast te stellen als definitieve omgangsregeling en de beslissing hierover dus niet aan te houden.
2.19.
Partijen geven momenteel namelijk naar tevredenheid uitvoering aan de in kort geding vastgestelde voorlopige omgangsregeling op basis waarvan de man en [minderjarige] in de even weken van vrijdag 14.30 uur (uit school) tot maandagochtend alsmede in de oneven weken op woensdagmiddag van 12.30 uur (uit school) tot 17.00 uur omgang met elkaar hebben. Partijen zijn het er beiden over eens dat een week-op-week-af-regeling, zoals door de man is verzocht, nu en in de nabije toekomst niet aan de orde is. De rechtbank vindt het daarom het meest in het belang van [minderjarige] om de huidige regeling thans als definitieve regeling vast te stellen, zodat hierover duidelijkheid bestaat.
2.20.
De vrouw heeft aangegeven dat zij in het kader van het UHA-traject graag afspraken wil maken over de verdeling van de vakanties en de feestdagen. Nu de man in deze procedure niet heeft verzocht om een regeling over de verdeling van de vakanties en de feestdagen vast te leggen, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de definitieve beslissing aan te houden. De rechtbank heeft bovendien het vertrouwen dat deze beslissing het (verdere) verloop van het UHA-traject niet in de weg zal staan. Dat de rechtbank een definitieve omgangsregeling zal bepalen, dient partijen er niet van te weerhouden om in het kader van het UHA met elkaar in gesprek te (blijven) gaan over de verdere vormgeving van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . Partijen kunnen namelijk, buiten de rechtbank om, altijd afwijkende afspraken maken over de omgangsregeling. De rechtbank vindt het van belang om daarbij te benoemen dat naar mate [minderjarige] verder opgroeit, haar wensen en behoeftes rondom de omgangsregeling zullen blijven veranderen. Een definitieve regeling is, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook nooit in beton gegoten.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.21.
De rechtbank zal de beslissing over de omgang uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld.
2.22.
De beslissing zal voor het overige worden aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent toestemming aan de man, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, om de minderjarige [minderjarige] (roepnaam: [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, te erkennen;
3.2.
beschouwt de taak van de bijzondere curator in deze zaak in eerste aanleg als beëindigd;
3.3.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en [minderjarige] in de even weken van vrijdag 14.30 uur (uit school) tot maandagochtend alsmede in de oneven weken op woensdagmiddag van 12.30 uur (uit school) tot 17.00 uur het recht hebben op omgang met elkaar;
3.4.
houdt de beslissing voor het overige aan tot
dinsdag 28 april 2026 PRO FORMAin afwachting van de schriftelijke (eind)rapportage loket van de zorgregio Midden-Brabant behorende bij het UHA-traject waar partijen reeds naartoe zijn verwezen, met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.14 is overwogen;
3.5.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Van de Kraats, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.