Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3341

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/446010 / JE RK 26-435
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij oma wegens psychische kwetsbaarheid moeder

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar oma, vanwege de psychische kwetsbaarheid van de moeder. De moeder heeft een zorgmachtiging en is na een terugval langdurig opgenomen geweest bij een GGZ-instelling. Hoewel zij inmiddels met depotmedicatie thuis is en ambulante zorg ontvangt, is haar situatie nog pril en instabiel.

De minderjarige verbleef sinds 9 december 2025 weer bij de moeder, na een stapsgewijze terugplaatsing ondersteund door intensieve ambulante hulpverlening. Begin januari 2026 namen de zorgen toe door vermoedelijk onjuist medicatiegebruik van de moeder, wat leidde tot een spoedplaatsing bij de oma. De GI verzoekt nu de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling op 9 juli 2026.

De moeder steunt het verzoek en wenst de begeleide contactmomenten met de minderjarige uit te breiden, ook bij haar thuis. De oma is bereid de zorg voort te zetten, maar is overbelast door de zorg voor meerdere kinderen en de kleine woning. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de moeder een langere periode van stabiliteit toont en dat de minderjarige niet opnieuw wordt blootgesteld aan onveiligheid.

De machtiging wordt verlengd tot 9 juli 2026 en de beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter ondersteunt het perspectiefonderzoek van de GI naar de toekomst van de minderjarige en de mogelijke ontlasting van de oma door kinderopvang.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de oma wordt verlengd tot 9 juli 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446010 / JE RK 26-435
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de oma mz],
hierna te noemen: de oma (moederzijde),
wonende te [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 maart 2026;
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de oma;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De moeder en de oma zijn beiden bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 juni 2025 is
[minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 juli 2025 tot 9 juli 2026.
Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in voorziening voor pleegzorg (bij de oma) verleend met ingang van 9 juli 2025 tot 9 december 2025.
2.3.
Nadat er is ingezet op een stapsgewijze terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder,
verbleef [minderjarige] sinds 9 december 2025 weer volledig bij de moeder.
2.4.
Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] met spoed,
uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg (bij de oma) voor de duur van twee weken, tot 3 februari 2026. Vervolgens, heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang van 3 februari 2026 en tot 3 april 2026.
2.5.
Op basis van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] bij de oma.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin (te weten bij oma moederzijde) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 9 juli 2026.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is in haar korte leven in twee periodes uit huis geplaatst bij de oma. Kort na haar geboorte is [minderjarige] bij de oma geplaatst, nadat de moeder, die bekend is met psychotische klachten en het gebruik van snus, onder invloed en verward met [minderjarige] thuis is aangetroffen. Bij [minderjarige] werd een zwelling op haar hoofd geconstateerd, waarna de kinderarts het advies heeft gegeven om de route strafbare kindermishandeling te starten.
4.2.
Vervolgens is in stappen gewerkt aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Per 9 december 2025 is [minderjarige] weer bij de moeder gaan wonen. Voorafgaand aan deze terugplaatsing is zeer intensieve ambulante hulpverlening ingezet in de vorm van een ‘Goed Genoeg Ouderschapstraject’ en zijn er veiligheidsafspraken gemaakt. Gezien werd dat de moeder zich openstelde, zij in samenwerking was en zij goed in contact was met de GI en GGZ. Begin januari 2026 namen de zorgen over de moeder toe. Het vermoeden bestaat dat zij haar medicatie niet of onjuist innam. Op 19 januari 2026 heeft de moeder de GI verzocht om [minderjarige] bij haar op te halen. Dit heeft geleid tot een spoedverzoek van de GI. Sindsdien is [minderjarige] opnieuw bij de oma geplaatst, waar zij nu nog verblijft.
4.3.
De moeder heeft een zorgmachtiging en is na haar terugval in januari langdurig opgenomen geweest bij een GGZ-instelling. Op 11 maart 2026 is de moeder met ontslag gegaan. Op dit moment krijgt zij depotmedicatie. Eerder gebruikte zij orale medicatie, maar daarmee is zij meerdere keren gestopt, waardoor psychotische klachten toenamen.
4.4.
Op dit moment heeft [minderjarige] begeleid contact met haar moeder, driemaal per week voor de duur van drie uur, begeleid door de Centrale Zorggroep. De wens van de moeder om ook contactmomenten bij haar thuis te organiseren zal de GI bekijken. Bij de moeder is ambulante hulpverlening van GGZ betrokken (FACT) alsook ambulante opvoedondersteuning. Bij de oma zijn [jeugdhulp] en [hulpverlening] betrokken. Gesignaleerd wordt dat de oma fors overbelast is nu zij, naast drie andere kinderen van de moeder, ook weer de zorg voor [minderjarige] draagt. Om de oma te ontlasten wordt bezien of kinderopvang ingezet kan worden.
4.5.
De GI heeft twijfels in hoeverre het haalbaar is dat [minderjarige] gaat opgroeien bij de moeder. Er is bij de moeder een patroon te zien van een afwisseling van stabiele periodes en terugvallen in psychoses. De moeder blijft de wens uitspreken om uiteindelijk zonder medicatie te kunnen functioneren. Dit baart de GI zorgen. In de komende periode wil de GI onderzoeken hoe alle betrokken hulpverlening, alsook de moeder en de oma, de situatie betreft de toekomst van [minderjarige] zien. Daarna wil de GI een perspectiefbesluit nemen, zeker nu er ook zorgen bestaan over de plaatsing van [minderjarige] bij de oma.

5.Het standpunt van belanghebbende en informant

5.1.
Door en namens de moeder wordt, samengevat, aangevoerd dat zij zich niet tegen het verzoek zal verzetten. De moeder heeft tijd nodig om weer een (vertrouwens)band met [minderjarige] op te kunnen bouwen. In dat kader vindt de moeder het belangrijk dat de huidige begeleide contactregeling verder wordt uitgebreid. Het zou goed zijn voor [minderjarige] om ook contact te hebben bij de moeder thuis, zodat zij weer aan die omgeving kan wennen.
5.2.
De oma brengt, samengevat, naar voren dat zij zich in het verzoek kan vinden. De oma kan [minderjarige] blijven verzorgen. Belangrijk daarbij is wel dat er afspraken worden gemaakt over de kinderopvang en de (begeleide) contacten met de moeder worden uitgebreid en deze contacten ook plaatsvinden bij de moeder thuis.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.2.
Volgens artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat de situatie rondom de moeder erg pril en kwetsbaar is. De moeder is bekend met een psychische kwetsbaarheid waarvoor zij in het kader van een zorgmachtiging gedwongen zorg kan ontvangen. Inmiddels is de moeder niet langer bij GGZ opgenomen. Zij is weer thuis, gebruikt (depot)medicatie en krijgt ambulante zorg vanuit GGZ FACT. Hoewel de moeder nu stabiel lijkt te zijn, is de situatie dat het beter met haar gaat nog erg pril. Punt van zorg blijft dat de moeder, net als in het verleden, een patroon laat zien van stabiliteit met goed medicatiegebruik en vervolgens een terugval in psychose door onjuist of geen medicatiegebruik. Net als de GI maakt de kinderrechter zich zorgen over de houding van de moeder ten aanzien van medicatie; de moeder blijft de wens houden om met haar medicatie te stoppen, terwijl de medicatie er juist voor zorgt dat het goed met haar gaat.
6.4.
Naar het oordeel van de kinderrechter is het van belang dat de moeder een periode van stabiliteit laat zien en zij aantoont aanwijzingen door GGZ op te kunnen volgen en afspraken na te kunnen komen. Een nieuwe terugval en daarmee een herhaling van zetten, met alle gevolgen van dien, moet immers worden voorkomen. [minderjarige] kan niet nogmaals worden blootgesteld aan onveiligheid, onbetrouwbaarheid en onvoorspelbaarheid van de moeder. Een volledige terugplaatsing bij de moeder komt voor dan ook nu te vroeg. De kinderrechter complimenteert de moeder dat zij dit zelf ook inziet en zij beseft dat de vertrouwensband moet groeien.
6.5.
De moeder heeft momenteel een begeleid contact met [minderjarige] . De GI heeft toegezegd te zullen bezien of en in hoeverre de begeleide contacten tussen hen kunnen worden uitgebreid. De kinderrechter ondersteunt een uitbereiding, en acht een begeleid contactmoment bij de moeder thuis passend. Het is echter aan de GI om te beoordelen of dit mogelijk is en om daarin verder regie te voeren.
6.6.
Het voorgaande brengt met zich dat [minderjarige] vooralsnog bij de oma dient te verblijven. Dit is voor [minderjarige] een vertrouwde omgeving. Gebleken is dat de moeder het verblijf van [minderjarige] bij de oma ondersteunt. Een machtiging tot uithuisplaatsing is nodig om het verblijf bij de oma formaliseren. De machtiging zal worden verleend voor de verzochte duur. Daarmee loopt de machtiging tot uithuisplaatsing gelijk aan de duur van de ondertoezichtstelling. Een aandachtspunt is daarbij wel het signaal wat de GI heeft ontvangen over de overbelasting van de oma. Zij draagt momenteel de zorg voor vier kinderen, is de Nederlandse taal niet machtig en bewoont een kleine woning. De intentie van de GI om de oma in de zorg te ontlasten wordt door de kinderrechter ondersteund. De inzet van kinderopvang zou hierin helpend zijn. De kinderrechter ondersteunt eveneens de bedoeling van de GI om in de komende periode het perspectief van [minderjarige] te onderzoeken, gelet op de signalen over de oma en de terugkerende kwetsbaarheid van de moeder.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.8.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij de oma, moederzijde) met ingang van 3 april 2026 tot 9 juli 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier en op schrift gesteld op 31 maart 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.