In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het vaderschap van de man over de minderjarige gerechtelijk vastgesteld. De procedure betrof onder meer de verdeling van de kosten van het DNA-onderzoek dat hiervoor is verricht. De deskundige heeft de kosten definitief begroot op €755 inclusief BTW. De vrouw had reeds €60 betaald voor het verzetten van een afspraak, maar dit bedrag valt buiten de begroting.
De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat in afstammingszaken de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek volledig ten laste komen van de in het ongelijk gestelde partij. Gezien de uitkomst van het DNA-onderzoek en de vaststelling van het vaderschap, wordt de man als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot betaling van de volledige kosten van €755.
Het verzoek van de vrouw om een regeling voor kinderalimentatie vast te stellen is ingetrokken vanwege het onbereikbare gedrag van de man, waardoor de rechtbank dit verzoek niet meer kan behandelen en afwijst. De proceskosten worden tussen partijen verdeeld, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.
De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en informeert partijen over de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak.